De Kunst van het Vergeten

 

Men roemt van oudsher hem als een gelukkig man,

Die 't kwaad vergeten en het goede onthouden kan. [1]

 

Geleerden hebben zich van oudsher veel moeite verschaft, om regelen uit te vinden door welke men het geheugen best zou kunnen versterken, en zo wel de geestkundigen als de artsen hebben met verenigde krachten aan die kunst gearbeid.[2] Het is buiten twijfel dat de geestkundigen hierin veel gelukkiger geweest zijn dan de artsen. De eersten hebben uit de natuur van de ziel, zover de ondervinding ons deze leert kennen, zeer fraaie regelen afgeleid, volgens welke men zich het nadenken van zekere denkbeelden kan gemakkelijk maken; terwijl integendeel de artsen op geneesmiddelen bedacht geweest zijn om het geheugen te versterken, zonder daarbij het verstand noch de opvoeding te raadplegen of te hulp te nemen. Deze laatste weg heeft veeleer aangetoond dat de voorgestelde middelen of ondienstig ofwel zelfs voor de hersenen en de zenuwen nadelig waren. Ook zijn er lieden geweest die het geheugen door reukmiddelen hebben willen versterken, vermoedelijk omdat zij geloofd hebben dat de neus met het geheugen zeer nauw verknocht was. Intussen is dit zeker, dat nog geen één arts gelukkige ontdekkingen in deze zaak gedaan heeft, en men moet elk voor het gebruik van die middelen waarschuwen, welke enige rondzwervende kwakzalvers voor hoofd- en geheugen-versterkende geneesmiddelen uitventen.



[1]Johann August Unzer: ‘Onderzoek of en hoe men de vergetenheid kan bevorderen’ in: Verzameling van mengelschriften. Tweede deel (Amsterdam: Petrus Conradi, 1767; p 246-266). We hebben de spelling wat aangepast maar heel wat oude uitdrukkingen en stijlfiguren laten staan.

[2] Onder ‘geestkundigen’ worden wijsgeren en theologen bedoeld. Zie ook:  ‘Het geheugen oefenen: adviezen voor geleerden en predikanten’ in Heilzame raadgeving voor de geleerden, in ’t gemeen (Utrecht: G. van den Brink Jansz., 1770).

Ik heb hier voorgenomen van een kunst te handelen welke tegen die, om het geheugen te versterken, vlak aanloopt en daarvan net het tegengestelde is. Ik zal de kunst van te vergeten leren. ‘De kunst van te vergeten?’, zal men mogelijk vragen; een kunst die geen mens zal willen leren. Doch zo ik mij zelf niet bedrieg, dan moet het menselijk geslacht aan deze kunst even zo veel gelegen zijn, als aan de kunst van het geheugen te versterken. Hoe ongelukkig zouden wij zijn, zo wij niet vergeten konden? En hoe ongelukkig zijn niet miljoenen mensen enkel daarom, omdat zij geen vermogen genoeg bezitten om vele zaken te vergeten? Welk mens is er onder de zon, die niet, bij zijn leven, zekere daden zou begaan of zekere toevallen gehad heeft die hij vergeten moet, zo hij anders niet onophoudelijk ongerust en ongelukkig zijn wil? Wanneer een man zijn vrouw, de ene vriend de andere, een vader of een moeder hun kind door de dood verloren hebben; wat middel ter wereld is dan in dit geval beter om zich te troosten? En wat is wel noodzakelijker dan het verloren voorwerp der droefheid, zo schielijk als het mogelijk is, te vergeten? Zo ons enige ongerechtigheid, enige smaad of geweld is aangedaan, dan zullen wij de opkomende driften, of hartstochten van toorn, wraak en gramschap, nooit weerstaan kunnen, bijaldien wij niet in staat zijn dergelijke beledigingen te vergeten. Welk middel is zekerder om het knagend berouw over begane misdaden, die het op de hielen volgend geweten als onbillijk veroordeelt, uit het hart te verbannen, dan dat men het geheugen van zulke misdaden tracht uit te wissen? Hoe kunnen wij wel de goddelijke les, onze vijanden lief te hebben, volgen wanneer het voor ons onmogelijk valt het onrecht, ons aangedaan, te vergeten? Zouden wij derhalve niet ten prooi van de gramschap, droefheid, vrees, toorn, ergernis, en allerlei onaangename gemoedsbewegingen blootgesteld zijn, wanneer ons de vergetenheid ontbrak? Hij, die een mens plots had zien sterven, zou, zo hij dit droevig schouwspel niet weer vergeten kon, in een onophoudelijk vrees voor de dood zijn leven moeten verslijten: degene die éénmaal een ongeluk ondervonden had, zou zich, gedurende zijn ganse leeftijd met het herdenken aan hetzelfde onophoudelijk pijnigen, en kortom, wij zouden ons zelf onverdraaglijk vallen, en in een onophoudelijke ellende moeten leven, wanneer wij niet, tot ons geluk, het vermogen van iets te vergeten bezaten.

Ik kan onmogelijk in mijn beschouwingen verder voortgaan zonder vooraf een zedekundige aanmerking te maken, welke vermoedelijk hier zeer wel zal te pas komen. […] De menselijke vergetenheid is, op zichzelf aangemerkt, een gebrek en een onvolmaaktheid van de ziel. Veronderstel eens, dat het mogelijk geweest was ons daarvan te bevrijden en ons integendeel met zulk een sterk geheugen te voorzien, dat ons niets ontglippen of uit de gedachten kon gaan. Zo wij nu in deze toestand moesten leven, en alle gevallen waarvoor wij blootgesteld staan, verdragen en ondergaan, dan zou geen mens die graad van gelukzaligheid deelachtig kunnen worden, welke hij tegenwoordig in zijn levensloop kan verkrijgen, omdat de ongetrouwheid van zijn geheugen, de gerustheid van zijn gemoed, de vergenoegzaamheid en tevredenheid, op een zeer uitnemende wijze te hulp komt. Dusdanig blijkt het dat zelfs onze gebreken, die wij dulden moeten, van de Voorzienigheid tot ons best zijn aangewend geworden en dat wij, in plaatse van reden te hebben om ons daarover te beklagen, veeleer bekennen moeten dat wij ongelukkiger zijn zouden, zo wij volmaakter daaromtrent geschapen waren.

Ik wil hier geen verdere lofrede over de vergetenheid maken, want ik twijfel niet of ieder zal ze, met het voorafgemeld oogmerk beschouwd, voor een vermogen van de ziel houden, welk wij te ondersteunen en te versterken verbonden zijn, en dat wij noodwendig in onze macht moeten hebben, zo wij niet ellendig en berispelijk leven willen. Om deze reden dan zal ik, zo ik hoop, geen vergeefse moeite doen, wanneer ik voor degenen tot troost, die de vergetenheid nodig hebben, de voornaamste regelen onderscheidenlijk voordraag, welk ons bekwaam kunnen maken om alles te vergeten, wat wij vergeten willen. Deze regelen zelf zullen de lezers die omstandigheden in het geheugen brengen, omdat ze in acht moeten genomen worden, en ik vlei mij dat ik hier door vele bedroefde en neerslachtige lieden, op een nuttige wijze, zal kunnen dienen. Omdat ik de geneesmiddelen vóór het geheugen verworpen heb, zo zal ik ook geen tegen hetzelfde aanprijzen. Ik zal veeleer de regelen, hoe men het geheugen van zekere denkbeelden afwenden kan, uit de natuur van de ziel zelf afleiden, en tevens daarop bedacht zijn, om dit op zulk een wijze te doen dat men niet juist de ontologie[1] behoeft geleerd te hebben, om datgene, wat ik voordragen zal, te verstaan. Het geheugen is uit de inbeeldingskracht en het verstand samengesteld, want de inbeeldingskracht brengt ons de denkbeelden, welke wij eertijds gehad hebben, weer voor het geheugen en het verstand erkent ze weer voor diegene, welke wij eertijds gehad hebben. Men heeft derhalve hoofdzakelijk, eensdeels met de inbeeldingskracht te worstelen zo men zich zekere denkbeelden in het geheel niet meer in de gedachten wil laten komen, en anderdeels met het verstand zo men zich tenminste niet herinneren wil dat men ze eens, in deze of gene omstandigheden welke voor ons hatelijk zijn, gehad heeft. Wij willen alzo, eerstelijk, de inbeeldingskracht zoeken te beteugelen en hiertoe zouden de volgende regelen dienstig kunnen zijn.

 



[1] [Noot in origineel] De ontologie is de leer van het wezen van de dingen in het algemeen en van hun eigenschappen; het is een deel van de metafysica of bovennatuurkunde.

Wanneer men veroorzaken wil dat de inbeeldingskracht zekere denkbeelden bij ons niet weer, of tenminste zelden, zal opwekken en gaande maken, dan moet men, vooreerst, daarop bedacht zijn dat men de zaak, die vergeten moet worden, niet weer gevoelt of ondervindt; want naarmate de inbeeldingen van zaken, welke wij kort te voren ondervonden hebben, in soortgelijke daarop volgende omstandigheden altijd sterker en levendiger zijn dan van lang te voren ondervonden zaaken, zo verkrijgt het geheugen van dikwijls herhaalde denkbeelden of aandoeningen een soort van nieuw voedsel, waardoor alzo de vergetenheid verhinderd wordt. Daar zijn lieden die bij het overlijden van hun nabestaanden geheel buiten zich zelf geraken, ja wel zinneloos worden, en waarbij de hulp van een verstandig man vereist wordt. Wil men deze mensen redden, dan moet men hen niet meer de vrijheid vergunnen van de verstorvenen voor de begrafenis te zien of de lijkstatie bij te wonen. Deze eerbewijzing, welke men tot gedachtenis van de overledenen voor prijzenswaardig houdt, behoort slechts voor zulke lieden, die zich door hun droefheid niet al te zeer laten overmeesteren, en men ziet derhalve, wat men van de heen en weer drentelende vrouwen denken moet, die de graven van hun mannen een ganse maand lang, dagelijks, bezoeken, zich uit de adem huilen, en evenwel gezond en sterk daarbij zijn kunnen, alsof zij kraambezoeken gaven. Wie zich voor zwaarmoedigheid wil hoeden, welke uit de vrees des doods ontstaat, moet zodanige gevallen zorgvuldig vermijden waar hij bij stervende personen tegenwoordig moest zijn; en zodanig is het ook met alle andere gevallen gelegen, daar men de herinnering of het geheugen van de ondervonden zaken wil vermijden. Deze regel toont ons tevens, hoe de ene vijand de andere verhinderen kan, zijn beledigingen te vergeten, wanneer hij bestendig voortvaart hem dergelijke beledigingen opnieuw te veroorzaken. In zulke gevallen wordt ons de uitvoering of beoefening der volmaakte deugd van beledigingen met liefde te vergelden, oneindig zwaar gemaakt, en het beste gemoed kan dan dikwijls zijn zwakheid niet overwinnen. Ik zou al te ver uitweiden, zo ik hier de regelen aan de hand wilde geven, hoe men de gewaarwordingen van zaken die men vergeten moet, te verhinderen heeft. In de meeste gevallen is het ook al genoeg dit slechts te weten, dat men ze vermijden moet om het te doen.

Doch verondersteld zijnde dat er voorvallen waren, waar men het onmogelijk vermijden kan om de gewaarwording of de gedachtenis van een zaak te herhalen, zo moet men op andere middelen bedacht zijn om de vergetenheid hiervan te bevorderen. Hiertoe dient de tweede regel, dat men ten minste de herhaling van zulke denkbeelden, zo lang als 't mogelijk is, verschuift. Snel op elkander volgende verbeeldingen van dezelfde soort helderen elkander immers meer op en maken hierdoor het vergeten bestendig onmogelijk. Men is dikwijls in staat om deze regel waar te nemen, waar de eerste geen plaats vindt. Men kan een huis, een gezelschap, of enige omgang, waarin iets voorgevallen is dat men gaarne vergeten wilde, een tijd lang vermijden: men kan een vijand uit de weg gaan en hem door goeddoen zo ver brengen, dat hij zijn boosheden ten minste vertraagt, zo niet geheel nalaat. Hierdoor wordt het eerste onrecht of ongeluk vergeten, en het is, wanneer het na lange tijd eerst weder komt, als een geheel nieuwe zaak aan te merken, welke altijd lichter bestreden kan worden, dan een andere, die zich door een menigvuldige snelle herhaling der denkbeelden of herinneringen in het gemoed recht vastgeworteld heeft.

Men moet, ten derde, tussen de herhaling der verbeeldingen of denkbeelden, welker gedachtenis men verdelgen wil, vele sterke denkbeelden van een ander soort verwekken, want deze verdonkeren door hun eigen kracht de gehate denkbeelden welke vermeden moeten worden. Het waarnemen van deze regel is van een voortreffelijke uitwerking. Wanneer het gemoed van een bedroefd mens van deze kant aangetast wordt, dan vergeet het schielijk zijn zwaarmoedigheid; de toornige wordt zachtmoedig, de woede van de haat gestild, en alle vrees en verdriet verdwijnen. Daarom is het zeer goed om zich zelf tot het vergeten van een ongeluk of van andere hatelijke denkbeelden te dwingen, dat men verre en onaangename reizen onderneemt; de plaats van zijn verblijf verandert; nieuwe vrolijke ontmoetingen, ja zelfs ook ongelukkige gevallen van een ander soort beleeft. Een nieuw ongeluk wist het voorgaande ongeluk van een andere soort uit, en ondertussen wordt het gemoed van de lijder zodanig verstrooid dat hij niet meer in staat is om zijn zwaarmoedigheid al te sterk na te gaan. Men heeft het alzo voor een ware weldaad der Voorzienigheid aan te merken dat zij ons zelden een groot ongeluk alléén toeschikt, maar hetzelfde altijd met andere vergezelt, waardoor het gevoel van het ander altijd weer vermindert.[1] Dat dit middel dikwijls van de Voorzienigheid aangewend wordt om ons niet onder de last van een enkel ongeluk te doen bezwijken, leert de algemene ondervinding, naar welke men reeds voor lang het spreekwoord gericht heeft, dat zelden een ongeluk alleen komt. Deze overweging is voor een zedenleraar zeer nuttig, wanneer hij de misnoegdheid der mensen over hun noodlotten wil tevreden stellen en de bezwaarnissen daarover verminderen. Men kan tot het waarnemen van deze regel ook nog andere hulpmiddelen bij de hand nemen. Het bijwonen van schouwspelen, nieuwe gezelschappen, nieuwe bezichtheden, menigvuldig arbeid, het overlopen van vrienden en bekenden, het aanhoren van vreemde gesprekken en muziek, de nood van andere mensen, enz. strekken alle tot datzelfde oogmerk, en kunnen ons de sterkste  denkbeelden van ondervonden onheilen doen vergeten. Bij dit alles moet men maar in acht nemen dat het gemoed vooraf bereidwillig gemaakt wordt om datgene te vergeten, aan wiens verdelging men werken wil; dat men de tussenbeide komende denkbeelden recht innemend en sterk maakt, en dat zij geheel van een andere soort zijn moeten, dan die welke men uitroeien wil. Voor het overige mogen deze denkbeelden, gewaarwordingen, of andere inbeeldingen of voorstellingen, van een andere gemoedskracht zijn.



[1][Noot in origineel] Zoals het met de aandoeningen van het gemoed gelegen is, zo is het ook met die van het lichaam gesteld, want (zegt de vermaarde Boerhaave) “zo wij enige pijn aan een deel van ons lichaam gevoelen, en een ander deel van ons lichaam door een nog heviger pijn dan de eerste overvallen wordt, dan zullen we de eerste pijn nauwelijks kunnen gevoelen”. [Herman Boerhaave was de beroemdste Nederlandse arts in de 18e eeuw]

 

Wanneer men tussen de eerste en tweede voortbrenging van zekere denkbeelden die men vergeten moet, het gemoed op zulk een wijze verstrooid heeft, dan zal de indruk van de nieuwe voorstelling zo gering zijn, dat het geheugen weinig daardoor zal bezwaard worden. Kan men intussen de gelegenheid vooruitzien, wanneer de gehate denkbeelden zich weder opnieuw willen verlevendigen, dan moet men, ten vierde, zowel vóór als ná deze vernieuwde denkbeelden des te meer er op bedacht zijn om aandoeningen, inbeeldingen, voorzieningen, begeerten en afkerigheden van een andere soort en ongemene sterkte voor de dag te brengen, en dusdanig de wederkomende gehate gepeinzen als in een nevel van andere denkbeelden zodanig inwikkelen, dat men ze in de kleinste afstand niet meer onderscheiden en in het gemoed waarnemen kan. Daarom is het dienstig dat men lieden, die over een nakend ongeluk, sterfgeval, enz. een zeer hevige smart en droefheid zouden gevoelen, niet toestaan dat toeval eerst af te wachten; maar dat men reeds tevoren begint hun gemoed op andere levendige indrukselen te leiden, en daarmede naderhand allengskens zo lang voortvaart totdat het geheugen weinig levendigheid meer daarvan hebben kan.

 

Wanneer het gemoed van een mens niet bewogen kan worden zichzelf tot de vergetenheid te dwingen, gelijk zulks bij velerlei soorten van droefheid plaatsvindt, waarin zulk een groot geheim vermaak opgesloten ligt, dat ons niets daarvan afwenden kan, dan moet de helpende de vijfde regel ter hand nemen, welke slechts een bepaling is van de voorgaande. Hij moet namelijk die vreemde sterkere voorstellingen, waarmede hij het gemoed van de lijdende opwekken wil, zodanig weten in te richten, dat zij een nauwe overeenkomst met degene schijnen te hebben, welke hem zo wel behagen en die hij evenwel moet vergeten. De natuur doet nooit, zelfs in de hartstochten van het gemoed, een sprong, en men wordt gewoonlijk met verachting ontvangen en aangezien, wanneer men bij iemand, die droefgeestig is, plots wil vrolijk zijn. Men moet derhalve slechts daarop letten dat de vreemde voorstellingen of denkbeelden, die men een bedroefde bijbrengen wil, sterk genoeg zijn om hem te treffen, en dat zij niet een geval van dezelfde natuur als dat van de bedroefde voordragen, maar dingen die van een andere natuur zijn. Voor het overige mogen zij wel dezelfde hartstocht gaande maken, welke in de lijdende de overhand heeft, en om wiens wil men het geheugen wil verslappen; deze zal, niettegenstaande dit, haar werking doen. Een droefgeestige vergeet zichzelf in een treurspel omdat hij zijn ganse oplettendheid op de gespeelde gebeurtenis vestigt, om daarin voor zijn eigen en hem aangename hartstocht enig voedsel te vinden. Hij zal integendeel voor een kluchtspel een afkeer hebben, en bij de vermakelijkste en vrolijkste tonelen tranen storten, omdat hij voorgenomen heeft aan geen vreugde deel te nemen. Om die zelfde reden ziet men dat de bedroefden meer troost scheppen in het ongeluk van anderen mede aan te horen, dan zich geheel vreemde gebeurtenissen en veel minder vermakelijke grappen te laten verhalen. Dit verklaart tevens ook datgene wat ik boven gezegd heb, dat zelfs de op elkander volgende ongelukken het gemoed van een ellendige bevredigen, omdat zij zijn oplettendheid op vele voorwerpen richten en deze van een ander aftrekken, welk voor hem zeer gevaarlijk zou zijn te overdenken.

Met iedere aandoening of verbeelding in het algemeen zijn zekere andere verbeeldingen vergezeld, welke, zo zij in het gemoed opnieuw ontstaan, de eerste gewaarwording of verbeelding tevens weder opwekken. Daarom moet men, ten zesde, vermijden datgene van de overeenkomstige denkbeelden in het gemoed weder opgewekt wordt, dat eertijds met die verbeelding tegelijk voorhanden geweest is, welke men vergeten wil. Daarom is het billijk dat men de ouders de kledingen en de dingen van hun gestorven kinderen uit het gezicht neemt opdat zij, door deze overeenkomstige verbeelding, niet weder op het denkbeeld van het overlijden van hun kinderen gebracht worden. Het is onmogelijk alle die kleine omstandigheden te verhalen, welke enig denkbeeld opnieuw gaande kunnen maken, want zij berusten op de enkele omstandigheden van degene die deze verbeelding of dit denkbeeld op een zekere tijd het eerst gehad heeft. Dus kan, bij voorbeeld, een enkel woord dat op een zekere wijze uitgesproken wordt, in iemand het denkbeeld van zijn verloren vriend weder opwekken, die het misschien, op een bijna dergelijke wijze, gewoon was uit te spreken. Ik kan derhalve hierbij zo veel zeggen dat men, met oogmerk van deze overeenkomstige verbeeldingen welke ieder zelf best kennen moet, dezelfde regelen in acht moet nemen, welke ik tot het vermijden der herhaling van een denkbeeld dat men vergeten moet, en tot verzwakking van de indruk hiervan in 't gemoed, voorgesteld heb. […][1]



[1] Hier volgt een uitweiding over hoe het verstand in te schakelen om te vergeten, maar het omvat grotendeels een herhaling van de voorgaande regels.

Deze zijn de voornaamste regelen voor de vergetenheid. Men ziet uit de hier voorgedragen zaken dat de vergetenheid niet alleen geen onnodige onvolmaaktheid der ziel, maar integendeel, in miljoenen gevallen, een waar hulpmiddel voor bedroefde, treurige, toornige, wraakgierige en boosaardige mensen is, wanneer zij zich slechts van de middelen bedienen willen, om dit bij zich te bevorderen. Er zijn waarlijk gevallen, waar het een misdaad is een al te goed geheugen te hebben, en waarin de vergetenheid voor een der allerverhevenste deugden gehouden moet worden. Hoe edel is niet de ziel welke het onrecht, dat haar overkomt, licht vergeten kan, hoe groot is de weldoener, van wie zijn vriend zeggen kan, hij vergeet niet anders dan zijn goedaardigheden. Deze vergetenheid is bij een weldoener datzelfde wat bij de ellendigen de dankbaarheid of het gedenken der weldaden is, en men kan iemand die veel goeds doet, maar niets daarvan in zijn ganse leeftijd weder vergeten kan, geen beter karakter toeëigenen dan dat van een ondankbare die het te licht vergeet. De vergetenheid behoedt ons eindelijk ook nog voor fanatieke voorzieningen, omdat het geheugen de meeste stof tot profetische gemoedsbewegingen en aandoeningen verschaft. Zij kan ons leven gerust maken, omdat zij het geweten bevredigt; alhoewel ik niet ontkennen wil dat het beter is bij een wakend geweten zelf gerust te kunnen leven. Zij beneemt ons de melancholie of droefgeestigheid, het verdriet, het lijden, ja, de wanhoop zelfs, en geeft aan het gemoed plaats tot edeler en waardiger denkbeelden dan degene welke verdienen vergeten te worden, tot vermakelijke hartstochten die het hart niet met een zoet vergif aansteken, en op het laatst zelfs het verstand verdoven, en eindelijk tot vergenoegdheid, welke de bron van die onschuldige vreugde is, die wij in onze tederste jeugd gewaarworden, wanneer wij het gebruik van het geheugen nog nauwelijks kennen, en het zo weinig te gebruiken weten, dat ons de eerste jaren des levens als dromen voorkomen die voorbijgevlogen zijn, zonder het geringste spoor van zich in onze gemoederen terug gelaten te hebben.

Ode aan de vergetelheid

ODE SUR L'OUBLI (1737)

 

Fatal ennemi des études,

Par qui mon savoir est détruit,

Qui de mes travaux les plus rudes

Dérobes le pénible fruit,

Oubli, rival de ma mémoire,

Ne t'oppose plus à ma gloire,

Respecte mes intentions;

Je veux que la raison m'éclaire,

Que des vertus la loi sévère

Guide toutes mes actions.

 

Mais si tu causes des alarmes,

Tu nous délivres de nos maux,

Car nos chagrins, que tu désarmes,

Cèdent la place au doux repos;

Et c'est cette aimable magie

Qui nous fait ton apologie.

Nous sommes nés pour les malheurs;

Sans toi s'accroîtraient nos misères,

Et les matrones, plus sévères,

N'auraient pas de consolateurs.

 

Koning Frederik II ‘de Grote’ van Pruisen (1712-1786) was niet alleen een succesrijke militaire strateeg maar ook een fervent muziekliefhebber. Verder schreef hij een reeks gedichten in het Frans, waaronder deze ‘Ode sur l’oubli’. Hij stuurde het aan Voltaire ter correctie maar ondanks diens suggesties liet hij het onveranderd en het raakte uiteindelijk zelf in de ‘vergetelheid’… [we nemen hier slechts de eerste en laatste strofe over]. Zie ook: Harald Weinrich, Lethe: The Art and Critique of Forgetting (Cornell University Press, 2004)