Sterven van geluk

In een vertoog over de ‘ware gelukzaligheid’ schrijft de Duitse arts Johann August Unzer: “Cleombrotus, wiens grafschrift ten tijde van Cicero nog bestond, blijft voor ons een voorbeeld dat nimmer te vergeten is. Deze man heeft zich alleen daarom verdronken omdat hem in de wereld nooit een ongeluk overkomen was en hij het bestendige geluk moe was. Er moet in het onafgebroken genot van geluksgoederen zeker iets zeer onverdraaglijks zijn omdat men veel meer gewone, arme en geringe lieden dan rijken en zogenaamd gelukkigen vindt die vergenoegd leven. Ik lees in Bayle dat het voorbeeld van Cleombrotus niet het enige is omdat het zowel op het eiland Zia als in Marseille eertijds in gebruik was dat oude afgeleefde mensen, na de overheid de redenen te hebben aangetoond, zich met vergif om het leven brachten en dit niet alleen deden als zij ongelukkig maar ook als zij zeer gelukkig geweest waren, omdat zij in het laatste geval niet het gevaar wilden lopen weerom ongelukkiger te worden”.[1]

 



[1] Johann August Unzer, De Artz, of geneesheer; in aangenaame spectatoriaale vertoogen, op eene klaare en eenvoudige wyze leerende, wat men moet doen, om gezond, lang, en gelukkig te leeven. Vyfde deel, tweede stuk (Amsterdam: Kornelis van Tongerlo, 1770); citaat in ‘Twee honderste vertoog. De wenschen der stervelingen vergeleeken by de middelen, die ze in ‘t werk stellen, om zig van ziekten te geneezen’ (p 13-14; eigen bewerking).

Cleombrotus van Ambracia

Callimachus

Volgens de Nederlandse Wikipedia is Cleombrotus of Kleombrotos de naam van een aantal belangrijke leden van het Spartaanse koningshuis der Agiaden. Gelukkig vermeldt de Engelse editie “Cleombrotus of Ambracia, a character in Plato’s Phaedo”, want dat is de man die Unzer bedoelt. Na het lezen van Plato’s beroemde dialoog ‘over de onsterfelijkheid van de ziel’ zou deze Cleombrotus zich van een hoge muur in de zee gestort hebben. Althans zo wordt het beschreven door de Griekse dichter Callimachus/Kallimachos in epigram 24:

 

Met de woorden ‘Vaarwel, o zon’

sprong Cleombrotus van Ambracia van een hoge muur in de Styx,

zonder enig kwaad te bemerken waard om te sterven

maar enkel omdat hij Plato’s geschrift over de ziel had gelezen.[1]

 

Opvallend gegeven: in de tekst wordt niet de zee genoemd ook al duikt dat beeld meestal op bij verhalen over Cleombrotus (vermoedelijk omdat Cicero er zo naar verwezen heeft).[2] Callimachus heeft het echter over de Styx, de mythologische rivier die de bovenwereld of aarde scheidt van de onderwereld of Hades. De dichter gebruikt dus een mythologisch beeld om de zelfdoding te omschrijven waardoor we niet echt de wijze en plaats van suïcide kennen. Misschien liet Cleombrotus zich gewoon van een grote hoogte te pletter vallen en kwam er geen water aan te pas.[3]



[1] Callimachus/Kallimachos (ca 305-ca. 240 v.Chr.) Griekse letterkundige, dichter en bibliothecaris van Alexandrië. Bewaard van hem zijn o.a. 64 epigrammen of puntdichten (een kort en bondig gedicht met een woordspeling of pointe).

[2] Cicero, Tusculanae Disputationes, boek 1 sectie 34.

[3] Zie Robert Bland, Collections from the Greek Anthology, and from the Pastoral, Elegiac, and Dramatic Poets of Greece (London: J. Murray, 1813, p 150).

In de Engelse vertaling uit 1793 door de arts Henry William Tytler[1] klinkt het zo:

 

Cleombrotus, high on a rock,

Above Ambracia stood,

Bade Sol adieu, and, as he spoke,

Plung’d headlong in the flood.

 

From no mischance the leap he took,

But sought the realms beneath,

Because he read in Plato’s book,

That souls live after death.



[1]Henry William Tytler (1752-1808), The works of Callimachus, translated into English verse (London: T. Davison, 1793; p 225).

Bilderdijk

De Nederlandse dichter Willem Bilderdijk[1] verwoordde het in 1808 als volgt:

 

“Vaarwel, gy daglicht!” zegt, ter muurtrans’ opgestegen,

De brave Kleombroot, en werpt zich moedig af.

Geen misdrijf, Platoos leer, maakt hem dees wereld tegen;

Hy zoekt de onsterfelijkheid in d’overgang van ’t graf.

 

 

Een jaar na zijn eerste versie van de ‘Kleombroot’ maakte Bilderdijk[2] er het volgende van:

 

Vaarwel, gy daglicht! sprak, ten muurtrans' opgestegen,

De goede Kleombroot, en wierp zich moedig af.

De onnoozle had zoo'n smaak in Platoos leer gekregen,

En zocht de onsterflijkheid met ongeduld in 't graf.

Maar waarom niet gewacht? de zaak had tijd tot morgen.

Of zou de onsterflijkheid hem mooglijk dan ontgaan?

“Ja (roept hy, half verkneusd), ik hou niet van te borgen:

't Wierd naderhand misschien weêr andersom verstaan.

Men schaft in weinig tijds (daar meende ik voor te zorgen),

Zoo menig waarheid af, zoo menig andere aan.”

 

Ja wel, mijn Kleombroot, gy hebt het wel begrepen;

Dat Filozofisch waar verandert als het weêr;

Grijp toe, wanneer 't u dient om over zee te schepen,

De wind die heden waait, is morgen reeds niet meer.

Vandaag is rede 't woord en rechter van de waarheid;

Op morgen is de rede ontbloot van kenniskracht.

Weêrspreek; zoo zijt ge een uil en vijand aller klaarheid;

Nu, zoo ge uw licht mistrouwt! dan, zoo gy 't zeker acht!

 

De omschrijving ‘onnoozle’ met bovendien de vrij ironische commentaar van Bilderdijk – over de wisselvalligheid van filosofische ‘waarheden’ – sluit aan bij heel wat discussies over de zin of onzin van Cleombrotus’ zelfmoord.



[1]Kallimachus lofzangen, vertaald door Willem Bilderdijk (Amsterdam: P.J. Uylenbroek & J.W. IJntema, 1808;  p 120).

[2]Willem Bilderdijk, Najaarsbladen: Tweede deel (Den Haag: Immerzeel, 1809; p 145).

 

Dood van Socrates (Jacques-Louis David)

Een (on)zinnige daad?

Het verhaal van Cleombrotus inspireerde dichters en filosofen. Het duikt op in de Essays van Michel de Montaigne, in de sonnetten over de dood van de Franse poëet Jean-Baptiste Chassignet en in Paradise Lost van de Engelse dichter John Milton.[1] Deze laatste rekent Cleombrotus tot de ijdele idioten op zoek naar geluk. Laten we het motief nog even terzijde want er is nog een belangrijk gegeven in deze geschiedenis. Plato vermeldt dat Cleombrotus afwezig was bij de dood van Socrates, terwijl hij samen met een medeleerling Aristippus op het eiland Aegina nauwelijks 25 km van Athene verbleef. In 399 v.Ch. werd Socrates in Athene ter dood veroordeeld o.a. wegens zijn ‘slechte invloed op de jeugd’. Hij verkoos de gifbeker te drinken in gezelschap van zijn leerlingen en vrienden, die hij nog een tijdje sprak over zijn geloof in de onsterfelijkheid van de ziel. Zijn belangrijkste leerling, Plato, werkte dit idee uit in het genoemde boek Phaedo. Maar waarom woonde Cleombrotus dit dramatisch afscheid van zijn leermeester niet bij? Over de juiste betekenis van zijn afwezigheid, en de reden dat Plato dit zo nadrukkelijk vermeldt, bestaat heel wat discussie.[2] Worstelde Cleombrotus met schuldgevoelens dat hij niet aanwezig was bij het overlijden van zijn geestelijke vader? Of misschien wilde hij zijn trouw aan de leermeester bewijzen door een soortgelijke daad, want uiteindelijk stierf Socrates door zelfdoding, weliswaar op bevel. Maar in  het boek ‘over de onsterfelijkheid van de ziel’ wordt zelfmoord sterk afgekeurd! Plato acht het enkel geoorloofd in geval van aandrang van buitenaf, zoals op bevel van de staat of op bijzondere aanwijzigingen van het lot in de vorm van zeer pijnlijke en onontkoombare tegenspoed of ondraaglijke schande. Het euthanasiedebat is dus eeuwenoud!



[1] Raymond Ortali, Un poète de la mort: Jean-Baptiste Chassignet (Genève: Droz, 1968; p 40).

[2] Zie: Necip Fikri Alican, Rethinking Plato: A Cartesian Quest for the Real Plato (Amsterdam: Rodopi, 2012, p 395-397). Alice Swift Riginos, Platonica: The anecdotes concerning the life and writings of Plato (Leiden: E.J. Brill, 1976; p 180-183). Benjamin Acosta-Hughes & Susan A. Stephens, Callimachus in Context: From Plato to the Augustan Poets (Cambridge University Press, 2012; p 23-30 ‘suicide by the book’).

Keren we even terug naar de begintekst van Unzer waarin hij soortgelijke voorbeelden van zelfdoding vermeldt ‘zowel op het eiland Zia als in Marseille’. Als bron noemt hij Pierre Bayle.[1] In de popularisering van specialistische kennis voor een breder publiek sluit deze Franse historicus en filosoof aan bij wat Unzer later deed met zijn magazine Der Arzt. Bayle bespreekt in zijn Dictionaire Historique et Critique het eiland Zia (het huidige Kos) en gaat gedetailleerd in op het bestaan van een wet om ouderen te doden. In werkelijkheid ging het om een tijdelijke noodmaatregel toen Kos belegerd werd door de Atheners en men vreesde onvoldoende voedselvoorraad te hebben om de belegering te doorstaan. Toen de Atheners dit vernamen zouden ze naar verluidt de strijd hebben opgegeven. Bayle citeert daarbij de Latijnse schrijver Valerius Maximus (1e eeuw) die dit verhaal in verband brengt met de oude republiek Marseille waar ouderen zich in het publiek van het leven mogen benemen door gif te drinken als ze, na uiteenzetting van de redenen voor hun wens tot sterven, hiertoe de toelating krijgen van de senaat. En de angst om ongelukkig te worden na een heel bevredigend leven zou een erkend motief zijn geweest.[2] Hier vond Unzer dus de bron voor zijn melding “dat oude afgeleefde mensen, na de overheid de redenen te hebben aangetoond, zich met vergif om het leven brachten en dit niet alleen deden als zij ongelukkig maar ook als zij zeer gelukkig geweest waren, omdat zij in het laatste geval niet het gevaar wilden lopen weerom ongelukkiger te worden”.



[1] Pierre Bayle (1647-1706), een wegbereider van de ‘Verlichting’, was een Frans theoloog, historicus en wijsgeer die naar Nederland uitweek om aan de Franse censuur te ontsnappen en vooral bekend werd om zijn Dictionnaire Historique et Critique (Rotterdam: Reinier Leers, 1697); ook publiceerde hij het populairwetenschappelijke tijdschrift Nouvelles de la Republique des Lettres (Amsterdam: Desbordes & Mortier, 1684-1687).

[2] Pierre Bayle, Dictionnaire Historique et Critique, 5e edition, 1740 (4), p 553; zie ook Appiano Buonafede, Histoire critique et philosophique du suicide (Paris: Debécourt, 1843; p 51-53).

In zijn boek, uit het begin van de vijfde eeuw, De civitate Dei (‘Over de stad van God’) spreekt kerkvader Augustinus zich nadrukkelijk uit tegen zelfdoding. We moeten de zelfmoordenaar niet bewonderen om zijn dapperheid (zoals de Stoïcijnen doen), zegt Augustinus, want het vergt veel meer moed een ellendig leven te dragen dan het te beëindigen. Maar hij merkt wel op dat de zelfdoding van Cleombrotus toch heel bijzonder was: “Want hem benauwde noch enige ellende, noch enige misdaad, hetzij ware of valse, omwelke hij zich zelf uit dit leven zou weggenomen hebben, maar het is enkel de kloekheid van zijn gemoed geweest, die hem bewogen heeft om de dood in te gaan”. Maar, voegt hij eraan toe, daarmee is dit geenszins geoorloofd te noemen want dat had Cleombrotus reeds bij Plato kunnen leren.[1] Blijft toch de indruk dat ook Augustinus geïmponeerd was door iemand die om een ‘positieve’ reden uit het leven stapt, al is hij erover verontwaardigd dat Cleombrotus anderen aangezet heeft zijn voorbeeld te volgen.[2] 



[1] Boek I, hfst 22: ‘Hoe het gewillig doden van zichzelf geenszins behoort tot de kloekheid van het gemoed’. www.theologienet.nl/.../AUGUSTINUS%20de%20stad%20Gods%20COMPLEET.pdf

[2] Het is onduidelijk waarop Augustinus zich baseert voor deze uitspraak, maar ook in Robert Burton’s The Anatomy of Melancholy vinden we dit terug; hij heeft het zelfs over 400 volgelingen: Stephanie Shirilan, Robert Burton and the Transformative Powers of Melancholy (London: Routledge, 2016; p 50-51).  

Geluksmoeheid of geluksfobie?

In een – na een eeuw nog steeds zeer lezenswaardig – proefschrift over zelfmoord wordt gewezen op “de dwaze gevolgtrekking, die Cleombrotus trok uit de leer der onsterfelijkheid door zich te doden”.[1] Over de betekenis van zijn zelfdoding zouden we nog lang kunnen doorbomen,[2] maar meest in het oog springend is de interpretatie in De Artz van Unzer: “Deze man heeft zich alleen daarom verdronken omdat hem in de wereld nooit een ongeluk overkomen was en hij het bestendige geluk moe was”. Maar onze arts wijst ook op een bijzondere angst van gelukkige mensen. Tot de honderden spreekwoorden die Desiderius Erasmus becommentarieerde hoort ‘het zal niet altijd zomer zijn’.[3] Een voorbeeld van volkswijsheid over geluk dat van korte duur is, zoals in de zegswijzen ‘mooie liedjes duren niet lang’ en ‘duren is een mooie stad’. Het eindige karakter maakt een geluksgevoel soms beklemmend. De dichter Willem Wilmink verwoordt het in Angst voor geluk:

 

Daar komen nare gedachten van:

dat het zo niet altijd maar duren kan,

het is allemaal veel te fijn.

Nu is mijn bedje wel gespreid,

maar deze kinderen, deze meid

zijn te mooi om waar te zijn.



[1]Mattheus Martinus den Hertog, De zedelijke waardeering van den zelfmoord (proefschrift doctor in de godgeleerdheid, RU Utrecht; Den Haag: H.P. de Swart & zoon, 1913; p 55).

[2] G.D. Williams, ‘Cleombrotus of Ambracia: interpretations of a suicide from Callimachus to Agathias’ in The Classical Quarterly, 1995; 45: 154-169. L. Lykouras et al., ‘Suicidal behaviour in the ancient Greek and Roman world’ in Asian Journal of Psychiatry, 2013; 6: 548-551.

[3] Spreekwoorden – Adagia (Athenaeum/Pollak & Van Gennep, 2011).

 

 

 

‘Te mooi om waar te zijn’ of ‘mijn geluk kan precies niet op’: het besef gelukkig te zijn wordt meteen overschaduwd door de gedachte aan het onvermijdelijke einde van dat gevoel. Leo Bormans, auteur van The World Book of Happiness, noemt zich ‘ambassadeur van geluk en levenskwaliteit’ en heeft het op zijn website ook over cherofobie, de angst om gelukkig te zijn.[1] Zo iets zou te testen zijn met de Fear of Happiness Scale.  Als je meestal akkoord gaat met de volgende uitspraken, heb je een meer dan gemiddelde angst voor geluk.

  

 

•   Ik heb het moeilijk om positieve gevoelens te vertrouwen.

•   Mijn positieve gevoelens blijven nooit lang duren.

•   Ik voel me niet gemakkelijk als ik me goed voel.

•   Ik laat me niet snel meeslepen door positieve ervaringen.

•   Ik heb het gevoel dat ik het niet verdien om gelukkig te zijn.

•   Als je gelukkig bent, word je onvoorzichtig.

•   Ik denk dat geluk ongeluk aantrekt.

•   Als je gelukkig bent, loop je kans dat het fout loopt.

•   Ik ben bang om me gelukkig te voelen.

 



[1] Letterlijk echter betekent ‘cherofobie’ de angst voor vreugde en plezier, voor alles wat met vrolijkheid te maken heeft (gelach, feestjes, vrolijke muziek enz.); zie ook: Mohsen Joshanloo & Dan Weijers, ‘Aversion to happiness across cultures: A review of where and why people are averse to happiness’ in Journal of Happiness Studies, 2013, 15:717-735. http://www.leobormans.be/bang-voor-geluk/525

 

 

Maar geen paniek want die angst kan je zelf (leren) sturen. Meer zelfs: Geluk zit in je hoofd volgens neuroloog Dirk Nuytten.[1] Alleen zou die zenuwspecialist moeten weten dat onze hersenen al van bij de geboorte aan slijtage toe zijn. Zelfs al vindt iemand een soort software om onze hersenen te programmeren, de hardware blijft een zwakke schakel. Wat zich in het brein van Cleombrotus afspeelde die dag zullen we nooit weten. Maar dank zij Unzer heb ik een mooie les geleerd: in plaats van mij over te geven aan het lot van de aftakeling zou ik op een dag gewoon willen sterven van geluk.



[1] Dirk Nuytten, Geluk zit in je hoofd: de neurologie van het welbehagen of hoe neurologische mechanismen in het brein je geluk sturen (Antwerpen: Vrijdag Uitgevers, 2012).