Verhandeling van de

ZURE GEZICHTEN[1]

 Wel Meester Ernst die met veel ijver

Uw werk maakt van een zuur gezicht.

Wat zijt gij niet al dank verplicht

Aan deze zuurgezichten-schrijver!

Die 't nut, het zakelijk en 't schoon

Van zulke wezens stelt ten toon.

 

Voorbericht [2]

Ik ben een jong magister, of leraar der vrije kunsten, en doe met de tegenwoordige verhandeling de eerste sprong in de geleerde wereld. Ik moest onze tijden en mijn krachten zeer weinig kennen, zo ik mij zelf in de hoop bedriegen zou dat ik de goedkeuring van het volk terstond voor de eerste maal zal wegdragen. Waarom? Daarom, omdat ik weet dat men tegenwoordig van een schrijver die een algemene roem verwerven wil, niets meer eist dan dat hij geleerd schrijft en zijn stof geheel uitput. Nu kan ik niet anders dan geleerd schrijven, omdat ik een leraar ben; en bovendien heb ik nog de loffelijke gewoonte, dat ik van een zaak niet ophoud te spreken voordat ik er in 't geheel niets meer van weet te zeggen; om welke reden ik dan ook goed en slecht onder elkander meng; het ene zo wel als het andere, op het allerlangdradigste verhandel; alles bijeenschraap wat zich maar enigzins bij de haren er laat bijslepen, en niet weder loslaat voordat er niets meer aan vast is. Dat is, mijns inziens, een stof recht uitputten.



[1] Johann August Unzer, Verzameling van mengelschriften. Tweede deel (Amsterdam: Petrus Conradi, 1767; p 224-246). Met aanpassing van spelling en sommige uitdrukkingen, en enige inkorting […].

[2] [Noot in origineel] Ik zou mij over deze schertserij moeten schamen, zo dit niet meer dan scherts alleen was. Op die tijd als zij geschreven werd kwam er, in verscheidene anderszins zeer goede maandelijkse geschriften, een soort van schrijver te voorschijn, die over geheel nietswaardige stoffen met zulk een vervaarlijke langwijlige uitgestrektheid de ongehoordste en vreemdste dingen bij elkander schraapte, en een groot getal vellen papier, die hem goed betaald werden, bijeenbracht, dat mij zulks bij het opstellen van een dergelijk nieuw maandelijks geschrift, te weten Hannoverische Beyträge zum Nutzen und zum Vergnügen, bewoog om een dergelijke medeschrijver eens en vooral af te schrikken, door bovenstaand opstel in een der eerste stukken in te voegen, nadat reeds ook al vooraf de medeschrijvers aangezegd was, dat men geen verhandelingen, die meer dan twee vellen papier bedroegen, daarbij voegen zou… [Het tijdschrift Hannoverische Beyträge zum Nutzen und zum Vergnügen verscheen van 1759 tot 1762 en was de voorloper van Hannoverisches Magazin]

Ik heb die gewichtige stof van de zure gezichten tot mijn eerste onderwerp genomen, omdat dit nog iets nieuws, of ten minste van niemand nog breedvoerig genoeg verhandeld of uitgeput is. Bovendien heb ik ook de zure gezichten in de wereld reeds zo veel dank te wijten, dat het een soort van erkentelijkheid van mij is, zo ik dit tot het eerste onderwerp van mijn geleerde ondernemingen maak. Misschien zou ik tegenwoordig een gering schoenlapper of een veracht snijder zijn, wanneer ik niet, van jongsaf, een zuur gezicht gehad had, of, om zo te spreken, een zuurmuil geweest was, om welke reden mijn vader mij alleen tot de studiën heeft doen aansporen. Wel tweehonderdmaal, ja wat zeg ik, wel driehonderdmaal weet ik mij te herinneren, dat hij tegen mij gezegd heeft: Jongen! gij maakt gedurig zulk een zuur gezicht, dat ik u wel tot een leraar zal moeten laten studeren! Zo gezegd, zo gedaan! Mijn promotor, of bevorderaar, had het zuurste gezicht dat ooit in de wereld gezien is, en deze brave man heb ik echter mijn geheel geluk te danken. De Prorector van de Academie, die ik uit armoede niet kon betalen, heeft mij, met een zuur gezicht, mijn naam in het Album Academicum[1] laten tekenen. Iedere professor welke mij de wetenschappen, met de grootste moeite van de wereld en om Godswil leerde, heeft mij, met een zuur gezicht, trouwhartig onderwezen. De man die mij mijn kostgeld betaalde, deed zulks altijd met zulk een zuur gezicht alsof hij de pacht van de azijn had; en zo lang als ik leef, zal ik dat zuur gezicht niet vergeten met welk mij de pedel[2] mijn Diploma[3] bracht; hetzij dat hij zelf mee voor een geleerde wilde doorgaan, of omdat ik niet in staat was om hem daarvoor te betalen. Zo veel weldoeners met zure gezichten hebben reeds, om mijnentwil, een onsterfelijke roem verdiend! Wat kan ik nu wel, tot erkentelijkheid, beter doen dan dat ik de eerste proef van mijn geleerdheid in een verhandeling vertoon, die het karakter van hun allen in een keer in het daglicht stelt? Intussen echter zal ik van de zure gezichten zeer onpartijdig handelen. Geen weldaden zijn in staat om een geleerde te verbinden, dat hij tegen zijn gemoed en consciëntie zal schrijven. Waarom heeft men mij tot een geleerde gemaakt?



[1] [Noot in origineel] Een boek zo genaamd, in welke de studenten, wanneer zij op de Academie komen, hun naam tekenen en daarvoor enig geld moeten betalen.

[2] [Noot in origineel] Pedel is een deurwaarder van de Academie, doch hij wordt in verscheiden voorvallen tot de academische dienst gebruikt; bijvoorbeeld bij de plechtigheden van publieke oratiën, of redevoeringen der professoren, bij het aanstellen van doctoren, bij de lijkstatie der hoogleraren, enz.

[3] [Noot in origineel] Diploma of bul is een brief van aanstelling om in deze of gene wetenschap vrij te mogen leraren.

 

§ 1. Verklaring van de zure gezichten

Het zuur is een zout van een enigszins samentrekkende en bijtende eigenschap. Ieder zuur maakt de tanden stomp en trekt de tong in plooien, doch tevens verwekt het enig gevoel, dat van een zeker soort van kramp of samentrekking vergezeld gaat, welk zich voornamelijk in het aangezicht vertoont of uitwijst; en een aangezicht, dat zich in zulke plooien stelt als geschieden zou wanneer men iets zuurs in de mond smaakt, wordt een zuur gezicht genoemd.

Deze verklaring geeft een recht duidelijk denkbeeld van de zaak en toont onwedersprekelijk aan, wat men door een zuur gezicht verstaan moet, en heeft haar eerste oorsprong in de chemie of scheikunde. Ik kon hier derhalve de chemische lessen van de zouten, en in 't bijzonder van de zuren, in een nieuw licht stellen, doch mij is van een oud man, die het ontwerp van deze verhandeling met een zuur gezicht doorlas, de welmenende raad gegeven, dat ik al die geleerde bijgevoegde verhandelingen, welke mijn geschrift ten minste veertien maal groter zouden gemaakt hebben dan het thans is, liever bij wijze van een commentaar of een verklaring bijzonder zou laten drukken, opdat men datgene, wat van de zure gezichten alleen gezegd wordt, gevoeglijker eerst vooraf en de verklaringen naderhand lezen kon. Ik heb eindelijk het verzoek van deze vriend moeten inwilligen en hoop gemelde verklaringen, met de eerste in het bijzonder, in het licht te geven, waarin de leer van de zure zouten volgens de beste chemische schriften, van woord tot woord uit ieder schrijver, terstond van voren af zal kunnen gelezen worden. Ik zal hier slechts nog een woordje melden en de lezer aantonen, waar vandaan, mijns inziens, het Hoogduitse woord Sauer (zuur) zijn oorsprong schijnt te hebben. In mijn commentaar of verklaring zal men 54 verschillende derivatiën of afleidingen van dit woord uit alle talen vinden, waaronder mij echter het volgende het waarschijnlijkste dunkt te zijn. Van het Duitse woord Landbau (landbouw) heeft men het Duitse woord Bauer (boer). Op dezelfde wijze heeft men ook van het Duitse woord Sau (varken, zeug) het bijwoord Sauer (zuur) gemaakt. Daar is geen dier in de natuur, buiten een rechtschapen scholastieker, dat een zuurder gezicht zal maken dan een Sau of varken. Men heeft derhalve de gezichten, die zich in verdrietige plooien gewoon zijn te stellen, eerst Saugesichter, dat is varkensgezichten, doch naderhand met enige verandering Saure Gesichter of zure gezichten genoemd. Het zout dat de mond zodanig samentrekt dat men een zuur gezicht daarbij moet maken, noemden de ouden Sausalz (varkenszout), waarvan men in mijn commentaar 91 voorbeelden uit oude handschriften zal aantreffen, totdat men eindelijk Sauersalz en Saures Salz (zuur zout) daarvan gemaakt heeft.

§ 2. Het onderscheid der zure gezichten

De zure gezichten zijn oneindig van elkander onderscheiden. Een enkel mens kan honderderlei soort van zure gezichten maken, van welke geen één aan het ander volkomen gelijk zal zijn. Hij maakt een ander gezicht, wanneer hij iets overdenkt; een ander, wanneer hem zijn schuldeisers aanmanen; een ander, als hij schulden betaalt; een ander, wanneer hij de armen weldaden bewijst; een ander, wanneer hij bedelt; een ander, wanneer hij honger heeft; een ander, wanneer hem een nieuwsschrijver geroskamd heeft; een ander, wanneer hij zich zelf niet weet te redden; een ander, wanneer hij een onrijpe vrucht kauwt, enz. Al deze verscheidenheden zijn echter niet wezenlijk; want geven altijd te kennen dat men die verrichting, waarbij zulke gezichten gemaakt worden, met enige tegenzin doet, of dat men zurigheid in de mond heeft. Hierop berust de hoofdverdeling der zure gezichten, welke van haar tweevoudige oorzaken afgeleid wordt, welke ik in de volgende paragraaf zal behandelen.

Mijn commentaar of verklaring tot de voorgaande paragraaf behelst 25 kleine verhandelingen van de verscheidene toevallige karakters van elk soort van zure gezichten. Ik heb er, tot een nadere opheldering, 25 fraaie houten platen bijgevoegd, waardoor men in staat gesteld wordt om elk soort zelf van elkander nauwkeurig te onderscheiden. De eerste plaat verbeeldt een zuur gezicht van een boer.die een hand vol zuring[1] eet, en uit dit gezicht kan men alle overige 24 zure gezichten afleiden. Het hoofd van een rijke weduwe die enige bedelaars een stuk brood toereikt, en het gezicht van Sancho-Pancha, wanneer hij met de deken in de lucht gesmeten wordt[2], munt boven alle andere uit. Ik heb er geen schuld aan dat die afbeeldingen niet bij deze verhandeling gevoegd worden. Men heeft ze mij weer teruggezonden, omdat men de onkosten spaart om ze in hout te laten snijden.



[1] Zurkel

[2] Sancho-Pancha is een personage uit het boek De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha van Cervantes. Het verwijst naar de ‘pelele’, een oud Spaans spel waarbij men een pop van stro (pelele) in de lucht gooit door middel van een laken.

§ 3. De oorzaken der zure gezichten

Het enige ware onderscheid der zure gezichten berust op twee wezenlijk van elkander onderscheiden oorzaken, want deze hebben een zedelijke of een natuurlijke oorsprong. De eerste is de tegenzin met welke men sommige dingen verricht; de andere is het zuur in de mond of in de maag. Men kan in het beoordelen van een zuur gezicht nooit missen, wanneer men dit onderscheid daarbij tot een grondslag stelt. De gevolgtrekking is altijd zeker dat een mens die een zuur gezicht heeft, of verdrietig is, of een zure smaak in de mond heeft. Waar het ene niet is, daar moet het andere noodzakelijk plaatsvinden.

Dit onderscheid is daarom merkwaardig, omdat alle mensen hun beoordeling van andere daarop grondvesten, doch tevens zich ook dikwijls vergissen wanneer zij de ene oorzaak met de andere verwisselen. Ik zal slechts een paar voorbeelden daarvan aanhalen, welke in mijn commentaar bij menigen te vinden zijn. Een oude adelijke dame deed, op haar ziekbed, een gelofte dat zij, zo de Hemel haar weer gezondheid mocht verlenen, honderd daalders aan de armen zou schenken. Haar wens geschiedde; zij werd weer gezond, doch wachtte echter één geheel jaar om te zien of ook de ziekte haar niet weer zou aantasten. Dat is ook billijk want (dacht zij) zo men een verbintenis met de hemel maakt, moet men vooraf weten, of de Hemel die van zijn kant denkt te houden, eer dat men van de andere kant hetzelfde nakomt. Intussen ontwarde zich die zaak: de dame bleef gezond en het was eindelijk onmogelijk om die honderd daalders langer terug te houden. Zij deelde ze derhalve aan de armen uit. Doch hierbij openbaarde zich een omstandigheid. Zij telde dat geld met een gezicht van een adelijke dame die in een zure appel bijt en daarom beschuldigt haar iedereen, dat zij deze belofte liever gebroken had. Doch hoe is het mogelijk dat hier dat zuur gezicht een zedekundige oorsprong kan hebben? Zij heeft immers die verbintenis vrijwillig aangegaan; zij heeft aan de vervulling van de ene kant niet te berispen. Zou zij wel wensen liever gestorven te zijn, dan dat zij honderd daalders verliezen moest? Dit is dwaas te geloven! Hier dwaalt derhalve de gewone man, omdat hij vergeet dat er ook een natuurlijke oorsprong van zure gezichten zijn kan. De adelijke dames hebben dikwijls het zuur in de maag; en hun stijgt, als zij bukken om geld te betalen, gedurig enig zuur in de keel op, en van dit zuur ontstaat het zuur gezicht dat zij maken wanneer zij honderd daalders aan de armen moeten betalen. Een ander voorbeeld: een jonge man trouwde een oude vrouw omdat zij schatrijk was. Hij had alles te voren overlegd; het geld behaagde hem; de vrouw kwam hem niet walgelijk voor en het huwelijk werd voltrokken. De  volgende morgen kijkt hij met een zuur gezicht het venster uit. Is hij ook over dit huwelijk misnoegd? Hoe is dat mogelijk? Hij heeft het eerst vrijwillig gesloten. Maar het bruiloftsnagerecht maakt hem een zure oprisping uit de maag. Zo is het ook. Die wel onderscheidt, oordeelt ook wel.

 

§ 4. Het nut van de zure gezichten

Wanneer men het nut en het nadeel van een zaak beschrijven zal, dan heeft men een veld voor zich, dat zich in het oneindige uitstrekt, en het verwondert mij dat ooit een schrijver zulk een rijke stof heeft ten einde kunnen brengen. Hoezeer een aankomeling in het schrijven ik ook ben, zo gewis echter durf ik verzekeren dat ik in staat ben om over het nut en het nadeel der zure gezichten, gedurende mijn ganse leeftijd bij dag en bij nacht, onophoudelijk te schrijven, en dat ik in de tijd van 24 uren slechts één half uur, om te eten, zal verspillen, en echter op mijn doodsbed nog altijd stof genoeg overhouden, om enige folianten daarmede te vullen. Doch omdat men mij niet vergunnen wil om al mijn geleerdheid in deze verhandeling op éénmaal voor te dragen, zo moet ik mij ongemeen bekorten, en wijs mijn lezers verder naar mijn commentaren, of nadere verklaringen, over dit zo gewichtig onderwerp. Intussen echter, opdat men niet zou geloven dat deze verhandeling, wegens deze kortheid, geheel zonder enig nut ware, zo zal ik tot verdediging, of veeleer tot mijn rechtvaardiging, de zure gezichten in deze en in de volgende paragraaf, van de praktische of werkstellige kant beschouwen.

De zure gezichten hebben in een republiek een groot nut, eendeels omdat zij de gemoeds- en lichaamsgesteldheden der mensen ontdekken, anderdeels omdat zij andere algemene voordelen teweegbrengen. Een zuur gezicht is een kenteken van een misnoegd gemoed of van een zurigheid in de smaak. Een mens die onophoudelijk een zuur gezicht maakt, of stuurs ziet, moet of steeds onwillig en misnoegd zijn, of altijd het zuur in de mond of in de maag hebben. Doch waarom is wel een mens bestendig onwillig? Wegens zijn onaangename aandoeningen? O neen! die vergaan schielijk, en als die verdwijnen dan verdwijnt ook het zuur gezicht. Maar onophoudelijk moeilijk werk doen in menigvuldige bezigheden; scherp nadenken over zware stof tot welzijn van de staat en het algemeen nut, enz., deze zijn zaken die ons bestendig verdrietig en zuurziende kunnen maken. Hieruit blijkt derhalve dat de zure gezichten van degenen die niet vriendelijk zijn, de Staat daartoe dienen om zulke mannen aan te tonen, die zich bij deze Staat en de ganse wereld verdienstig maken, en zich uit zedigheid verbergen, om de beloning voor hun vlijt van de hand te wijzen. Wanneer de regering dit groot geheim eerst zal bemerkt hebben, dan twijfel ik niet of zij zullen zodanige lieden met zuur gezichten, als de goudmakers, laten bespieden, opdat zij niet uit het land trekken; hun moeite met rijke bezoldingen belonen; wegens hun verdiensten erezuilen oprichten, en hun uitvindingen tot nut van het vaderland aanwenden. De enige behoedzaamheid welke hierbij nodig mocht zijn, is deze dat men ieder gevonden zuurmuil van tevoren pijnlijk moest ondervragen, of hij ook met het zuur in de maag gekweld was, dan of hij over enig ander zuur in de mond te klagen had? En zo hij daarvan bevrijd is, dan kan men zeker zijn, en er vast staat op maken, dat men aan hem de geleerdste en nuttigste man van de wereld zal hebben, en dat men hem tot nut van het algemeen vooral vasthouden moet. Hieruit nu volgt nog een ander nut, te weten een natie, welke met veel zure gezichten voorzien is, zal zich de roem in gans Europa verwerven, dat zij een diepzinnig, filosofisch, staatkundig en arbeidzaam volk is. Men zal die lieden van dat land op alle buitenlandse hogescholen, aan alle hoven en in alle colleges beroepen; aldaar zullen zij door leren en raadgeven de wereld, doch bijzonder hun vaderland, van groot nut zijn; zij zullen het verdedigen wanneer het aangerand word; zij zullen de oorlog en de verdrukkingen afwenden; hierdoor zal in hetzelfde land door hen de koophandel en wandel steeds bloeien; de vrede zal uit alle plaatsen kunstenaars, geleerden en burgers in het vaderland trekken; het zal daardoor bevolkt worden en meer vertering maken, zodat ook meer toevoer van allerlei waren moeten bezorgen. De landbouw zal daardoor zodanig bevorderd worden dat alle naburen hun noodwendige behoeften uit dit land kunnen trekken. Hierdoor wordt de volkrijke Staat rijker, dus ook machtiger; voor hun naburen noodzakelijker en daardoor aan deze onderdanig en belastbaar. De naburen van deze belastbare volken worden door de overvloed van deze laatste ook aan hun belastbaar; en zo gaat het rondom immer verder totdat eindelijk zulk een Staat op een algemene monarchie de zekerste rekening kan maken. Dit is slechts een klein gedeelte van die voordelen, welke de zure gezichten de Staat toebrengen.

De verdere voordelen, welke ik hier bij wijze van een uittreksel medegedeeld heb, zijn geschrapt opdat de verhandeling niet al te lang zou worden. Doch men kan zulks breedvoeriger in mijn commentaar nazien.

 

§ 5. De schadelijkheid der zure gezichten

Gelijk alle zaken aan een misbruik en een kwade uitleg onderhevig zijn, zo is het ook met de zure gezichten gelegen. Zij kunnen een natie, die stuurs is, in verdenking brengen dat zij uit verdrietige, ongezellige misantropen of mensenhaters bestaat; zij kunnen tot het belasteren der evennaasten aanleiding geven wanneer men hen, wegens hun zuur gezicht, voor Hernhutters[1] of fijne kwezels aanziet; zij kunnen de regering veel te doen maken, zo men hen voor een weerbarstig volk houdt; zij kunnen de bierhandel in verval brengen, wanneer de doortrekkende reizigers en vreemden uit de zure gezichten een besluit willen opmaken dat in die stad zuur bier moet verkocht worden; zij kunnen het geld uit het land voeren, omdat zuurmuilige heren en meesters geen bedienden kunnen bekomen, en men dus de veldvruchten en waren van de vreemden nemen moet; zij kunnen ziekten en zelfs de dood veroorzaken, omdat zij de lieden, die hen zien, droefheid en hartzeer verwekken, dat zij met zulk stuurs volk leven moeten, enz. Men ziet wel dat ik deze zaken in 't geheel niet ver zoek, alhoewel ik bekennen moet dat in mijn commentaar nog vele dingen voorkomen, welke in een enigszins verwijderde samenhang met de zure gezichten staan. Zo heb ik, bij voorbeeld, daarin bewezen dat de zure gezichten somtijds de glasfabrieken in verval brengen, het mesten der akkers verhinderen, en voor het fokken van schapen nadelig kunnen zijn. Doch men doet mij onrecht dat men zulke gewichtige verhandeling geen plaats in deze bladen wil vergunnen. Zes vellen papier had ik slechts van de schadelijkheid der zure gezichten geschreven, want ik maakte het met voorbedachtheid kort, omdat ik in mijn commentaar alles eerst terdege trachtte uit te breiden. Doch men heeft daar de pen doorgehaald en ik zal mij wel hoeden om meer aan deze bladen te werken. Ik beklaag maar het gewone volk, dat hierdoor veel nadeel moet lijden.



[1] Hernhutters zijn leden van de evangelische broedergemeente, een vroomheidsbeweging uit de eerste helft van de 18e eeuw.

§ 6. Van de oorsprong der zure gezichten

Nadat ik het nut en het nadeel van de zure gezichten aangetoond heb, zo is het billijk dat ik ook leer hoe men het beginnen moet, wanneer men burgers van een Staat, daar het van nut zijn kan, algemene zure gezichten wil doen maken, en hen, als het nodig is, die weer afgewennen. Zo men in een Staat vele zure gezichten in de mode wil brengen, dan moet men vooreerst zorg dragen, dat er een groot getal goede schoolmeesters voorhanden zijn, die de jeugd op een meesterachtige wijze braaf aftuigen en deze tot zulke gezichten gewennen, als zij doorgaans zelf maken wanneer zij hun zwaar en gewichtig ambt bedienen. Op de opvoeding der kinderen komt het meest aan. Naderhand moet men de jeugd tot een beroep dwingen, waartoe zij noch lust noch bekwaamheid bezitten. De zekerste weg zal men inslaan, zo men hen allen, zonder onderscheid, laat studeren; bij welke gelegenheid hen dan welhaast de honger en dorst, gebrek aan werk en verdiensten, en de begeerte om geleerd te schijnen tot zure gezichten zal dwingen en doen gewennen. Doch zo al deze aangewende moeite tevergeefs mocht zijn, en dat de gezichten bij al die verdrukkingen vrolijk mochten blijven, dan geeft men aan die roekeloze bengels vrouwen en zuur bier, of slechts één van beide, dan is de zaak klaar.

Dit artikel had ik, zonder mij daar op te beroemen, voortreffelijk uitgevoerd en het was een meesterstuk van deze verhandeling. Ik had het mechanisme of werktuigkundige ontwikkeld op wat wijze ieder der voorgestelde middelen een zuur gezicht veroorzaken kon. Ik had, bij voorbeeld, een zeer vriendelijk gezicht aangenomen. Ik voerde het door alle voorvallen van het leven en toonde hoe het bestendig begon zuurder te worden. Eindelijk voerde ik het tot in de echte staat en liet naderhand de beide gezichten van dezelfde mens, zoals het eerst vriendelijk uitzag en naderhand zoals het zich in de echte staat vertoonde, tegen elkander in een tekening afbeelden. Het eerste gezicht geleek de beminnelijke Venus en het laatste een oude wijfskop van Frans Hals.[1] In mijn commentaar kan de lezer dit alles breedvoeriger nazien.



[1] Mogelijk verwijst schrijver hier naar het bekende schilderij ‘Malle Babbe’ van Frans Hals.

§ 7. Hoe men de zure gezichten zoet maken kan

Een zuurmuilige richter[1] behoeft een zak met geld; een hongerige zuurziende poëet, een lekkere maaltijd; een oude zure juffer, een bruidegom; een bangkijkende Hernhutter, een clisteer of een purgatie[2]; een hongerige en benauwdziende schrijver, een gulle boekverkoper; een zuurmuilige kandidaat of proponent[3], een pastorij; een, die het zuur in de maag heeft, en daarvan bang ziet, een stuk krijt, enz. Deze paragraaf is maar oppervlakkig behandeld, want deze had geheel kunnen wegblijven, zo ze niet, om de mode te volgen, daarbij had moeten behouden worden, omdat het nut der zure gezichten hetzelfde nadeel zo ver overtreft, dat men bijkans nooit reden zal vinden deze regelen te gebruiken. Een Fransman, of een andere loshoofdige schrijver, zou zich buiten twijfel aan die regelen niet gebonden hebben. Die lui zijn gewoon om van een stof slechts datgene te schrijven wat nieuw of bruikbaar is, en al het andere niet eens aan te raken. Doch hierin ben ik een rechtschapen Duitser[4], die zijn stof geheel uitput, zijn hoofdstuk volgens tegenstrijdige denkbeelden verdeelt, geen van al deze onafgehandeld laat en van elk alles zegt, wat volgens de filosofische leertrant daarvan gezegd kan worden; het mag nu nieuw of oud; bruikbaar of schadelijk zijn. Dus denkt men bondig en gegrond, en zo kan men grote boeken schrijven. Eer een Fransman één foliant over enige stof schrijft, wil ik, die maar een slecht meester in die kunst ben, als een uitgeleerde Duitser altijd zo veel schrijven, dat ik de ganse Elzas daarmee bedekken kan.



[1] Richter kan verwijzen naar rechter of schout (bestuurlijke en juridische ambtenaar).

[2] Een lavement of laxeermiddel was destijds een veelgebruikt ‘geneesmiddel’.

[3] Proponent is een protestants kandidaat die tot het predikambt bevoegd verklaard is maar nog geen plaats heeft.

[4] De schrijver van dit stuk, Johann August Unzer (1727-1799), was een Hamburgse arts.

§ 8. Over de schoonheid der zure gezichten

Omdat de schoonheid nergens anders dan in de verbeelding van degene voorhanden is, die ze gevoelt, zo wil en kan ik wel niet beweren dat een zuur gezicht op zichzelf schoon zij, maar het wordt schoon door de verbeelding die het in ons verwekt. Zo ik daaraan denk dat mijn zuur gezicht om zo te spreken als een schild is, welk de voorbijgaande aantoont dat in dit lichaam een gepromoveerd leraar woont, dan bevind ik mij zelf voor de spiegel zo fraai en zo schoon als het volmaakste meisje. Wanneer ik een ander aanzienlijk en geleerd man met een zuur gezicht zie, dan wordt mijn gemoed met liefde en hoogachting vervuld. Grote Man! roep ik bij mij zelf uit, U heeft, of een zuur kool pijn in de buik veroorzaakt, of uw Ziel overweegt een zaak van groot gewicht. In het eerste geval zijt gij slechts een fraai verschijnsel doch altijd schoon, als een schilderij van Raphaël! In het laatste geval zijt gij de grote Apollo zelfs; en de rimpelen van uw voorhoofd verkondigen de wereld een meesterstuk der schepping! Nooit zouden de zure gezichten in de staats- en raadsvergaderingen , in de kerken, in de gezelschappen en op de straten, en in alle standen, ja zelfs bij het schone geslacht zo algemeen zijn. Nimmermeer zou de eigenliefde vergunnen dat men zichzelf afschuwelijk maakt wanneer een zuur gezicht niet, met alle aanlokselen der schoonheid, op de harten der mensen werkte. Zure gezichten geven de eenvoudigen het aanzien van verstandig; zij maken de goochelaars eerwaardig; zij geven de notaris het ambtsgezicht van een magistraat; zij maken de pronker tot een filosoof; de snijder[1] tot een staatsminister; de onkundige tot een leraar van de wereld; de bedrieger tot een heilige; de huichelaar tot een vroom man; de rector tot een majesteit, en de schoolmeester tot een overste. Kortom, met behulp van een zuur gezicht kan men zijn  wat men wil; men zal altijd de wereld tot zich genegen maken, want geen mens kan de pracht van zulk een gezicht weerstaan. Wanneer een kwakzalver op het theater een vriendelijk of vrolijk gezicht vertoonde, dan zou niemand aan hem meer eer bewijzen dan aan zijn aap of hansworst. Aan zijn stuurs en ernstig gezicht alléén ontdekt het op hem starende gepeupel dat hij de heer van het theater en de Esculaap van het canaille is…[2]



[1] Kleermaker

[2] Dat hij de dokter van de schoften is…

Ik ben genoodzaakt om hier op éénmaal mijn ganse verhandeling af te breken. Men heeft in dit artikel zo veel geschrapt en de pen doorgehaald, dat het zichzelf niet meer gelijkt; en desgelijks heeft men ook in het volgende gemaakt. Ik zie wel dat deze bladen het veld niet zijn welk mijn arbeid waardig was; men wil mij binden. Ik moet niet te vrij, ik moet niet te geleerd, ik moet niet al te methodisch en niet te wijdlopig schrijven; ik moet ook vooral niet alles schrijven wat ik van een zaak weet; ik moet slechts het nuttige en de dingen die nog niet algemeen bekend zijn, voordragen; ik moet de zaken niet al te hoog opvijzelen en het nut der dingen niet vermenigvuldigen, of hetzelfde misbruik niet verder uitbreiden dan het betaamt. Dit zijn regelen voor kinderen in een Franse school. Wil men alleen zulke verhandelingen hebben, dan moet men ze zekerlijk in Duitsland niet laten drukken. Wij schrijven over onnuttige dingen even zo breedvoerig, geleerd en systematisch als over nuttige. Ik moet mijn lezers om een weinig geduld verzoeken, dan zullen zij de verhandeling over de zure gezichten, benevens mijn commentaar of de verklaringen over hetzelfde, binnenkort uitvoerig te lezen bekomen.