Over ‘zuiverheid’ van taal en volk…

 

Men verdenke mij niet van het dwaas opzet,[1] van tegen de Taalzuiveraars het gebruik van een laf mengelmoes van vreemde woorden te willen verdedigen, waardoor wijsneuzen van beide seksen voor geestig en welsprekend zoeken door te gaan: 't Is zo glissant, dat had ik Mejuffer niet gesouteneerd, zij zeker zou getombeerd hebben [’t Is zo glad dat, had ik mejuffer niet ondersteund, zij zeker gevallen zou zijn]. Wie kan dergelijke spreekwijzen zonder walging aanhoren? Moet men niet zot wezen om voor Nederlands te verkopen een stijl welke geboren Nederlanders, zonder verscheidene andere talen te verstaan, onmogelijk kunnen bevatten? Men heeft nochtans in boeken en conversaties die verwarring der talen gesmaakt. 't Gemeenste volkje zelfs zoekt er zich van te bedienen, om boven hun gelijken uit te blinken, maar die goede lieden rabraken die vreemde woorden zo onerbarmelijk, dat zij zichzelf niet verstaan en van anderen zeker niet kunnen begrepen worden. Ik zal in 't vervolg de gelegenheid wel vinden om de bespottelijkheid van zo een opgesmukte chaos af te schilderen. Voor tegenwoordig zal ik mij alleenlijk bemoeien met aan te tonen dat de redelijkheid en het gewoon gebruik van alle andere volken ons hier een middenweg aanwijzen en zich verzetten tegen het verwerpen van woorden die, hoewel van een vreemde oorsprong, na lange tijd in het Nederlands zijn ingelijfd en, zodra zij worden voortgebracht, zonder de minste dubbelzinnigheid zich doen verstaan. Ik hoop met de uiterste klaarheid te zullen aantonen dat de onbezonnen ijver om dergelijke uitdrukkingen te verbannen, onnodig en ongerijmd in het opzet zelfs is, en tevens onmogelijk, schadelijk en bespottelijk in de uitvoering. Hoe is het mogelijk dat het opzet van onze taal volstrekt te zuiveren in gezonde hersenen ooit is opgekomen? Wat zuivere taal is er ooit in de wereld gesproken, als alleen die van de eerste mensen, dewelke ook, buiten twijfel, om die reden zelfs zeer arm moet geweest zijn? Die zuiverheid kan ook niet lang stand gehouden hebben, wanneer het mensdom van zijn wortel afscheidend, zich in verscheiden takken heeft verspreid.[…] Iedere landaard is rijk in uitdrukkingen van zaken waarop zij 't meest zich heeft toegelegd en deelt aan anderen van die rijkdom mee, zonder er bij te verliezen. Wij Hollanders zijn, om zo te zeggen, de Feniciërs der laatste tijden geweest en hebben, meer dan ooit enig ander volk, de scheepvaart en koophandel behartigd en wijd en zijd uitgestrekt. Onze taal is ook in benamingen en uitdrukkingen van al hetgeen daartoe behoort, overvloedig en onze naburen hebben in 't minst geen bezwaar gemaakt om verscheidene hiervan in hun spraak over te nemen. […]



[1] Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, vijfde vertoog 17 september 1731; licht aangepast in spelling en uitdrukkingen. In Vertoog 96 (26 september 1732) gaat Van Effen verder te keer tegen de ‘taalzuiveraars’ en ‘meesters woordenmakers’ en in vertoog 202 (21 oktober 1733) drijft hij de spot met het gebruik van vreemde uitdrukkingen.

 

Nieuwe zaken hebben nieuwe namen voor de dag gebracht, die van geheel Europa zijn aangenomen en in alle talen, met enige aanpassing naar de eigen aard, ingelijfd. Wij hebben deze, nevens andere, lange tijd met veel gerustheid gebruikt, en het is maar sedert een korte tijd dat sommige onder ons deze, zonder reden, tegen zogezegd zuiver Nederlands hebben willen verwisselen. 't Is ook natuurlijk te begrijpen dat onze onderwerping aan vreemde vorsten, en voornamelijk aan het Huis van Bourgondië, vreemde en wel meest Franse woorden het Nederlands zal hebben toegevoegd. […] Ieder erkent ze, verstaat ze, bedient er zich van; zij hebben in onze spraak haar burgerrecht verkregen, zij verzachten, versieren en verrijken deze. Wat schijn van reden kan ons aanporren om deze te verwerpen? Hoor eens, Heren Zuiveraars, is het wel billijk dat wij viezer vallen op enige klanken dan op de mensen, die met ons medeleden van dezelfde maatschappij zijn? Wat zouden de Heren zeggen indien eens iemand voorstelde dat het onze landaard tot schande strekt, vermengd te zijn met zo veel lieden van andere volken afkomstig, dat het land van zulke moest gezuiverd worden en door oorspronkelijke Nederlanders alleen bewoond. Wat zou je zeggen, indien men aan 't uitvoeren van zo een fraai voornemen begon? Hier jij, je voorvaders waren Schotten, je hoort hier niet, en jij vriend, je bent van Waalse afkomst, pak op je goedje en ga waar je vandaan gekomen zijt. Jij Fransjes voornamelijk, jullie zijn de nieuwste van allen; wij willen zulk volkje hier niet meer dulden. Zouden de Heren zulks niet van de uiterste onredelijkheid en belachelijkheid vinden, dat men zo veel eerlijke en brave lieden, die zo veel tot het welzijn en tot de gelukkige toestand van ’t Vaderland bijbrachten, om zo een dwaze beweegreden verjoeg en verschopte?

Breng zulks eens over op uw taalzuivering, je zult zien dat er dezelfde dwaasheid en bespottelijkheid volmaakt in steekt. Maar laten wij eens wat verder gaan. Hoe komen de heren toch aan het recht van zich meesters van onze taal te maken en ermee te spelen naar eigen goeddunken? Hebben de Staten hun daar toe in behoorlijke vorm opdracht gegeven? Is hun zulks als door een stilzwijgende overeenstemming van de medeburgers toegestaan? Of heeft de natuur zelf hen zo een ongehoord gezag gegeven? Is 't zo met de zaak gelegen, zo zou ik menen dat ik, en honderdduizend anderen met mij, hetzelfde voorrecht hebben. Komaan dan, lustig, allemaal aan 't zuiveren en aan 't woorden smeden. Je verschopt zo een uitdrukking, omdat dit van Frankrijk of van Rome komt, en je maakt een ander in de plaats. 't is wel, maar ik met het zelfde recht vind het goed die opening met een van mijn maaksels te stoppen. Een derde gebruikt zijn aangeboren macht om met een van de zijnen dit gebrek te vervullen. 't Gaat wonderlijk wel, hier hebben wij een staaltje van Babelse spraakverwarring. Wij genieten ieder de eer van een taal op ons eigen hand te hebben, maar met onze gewone taal is het volstrekt uit. En ik weet geen ander hulpmiddel dan dat door 't gezag van onze wettige overheden een gilde van woordenmakers werd opgericht, met verbod aan alle onderdanen van ergens anders dan in de gepreviligeerde winkel hun voorraad van nieuwe woorden op te doen. Ik wens van harte mijn voorstel gesmaakt te zien en weldra brieven te zien pronken met dit of dergelijk opschrift: de Heer N.N. geoctrooid woordenmaker.