Ode aan de Schrijver

Bij de schrijflezenaar van een auteur[1]

Onder de vele eigenaardige inrichtingen welke ik op mijn studeervertrek gemaakt heb, behoort deze: aan de muur, nabij mijn grotere boekenkast, staat een klein nederig kastje, waarin een dertigtal boekwerken naast elkander, welke ik uitsluitend bezig om mij, na ernstige dringende werkzaamheden, te ontspannen als de geest, wat lang aan een vorm gebonden, eindelijk eens geheel vrij en ongedwongen wil dartelen en spelen, dan grijp ik blindelings toe, sla het boek van het toeval open, en verlustig mij op mijn wijze, die ik vriendelijk verzoek dat niemand zou pogen te veranderen, evenzo als ik ieder van mijn lieve medemensen zijn wijze om zich te verlustigen in vrede overlaat, mits dat hij er zich zelf noch anderen door kwelt zoals bij voorbeeld… maar hierover nader! Het opengeslagen blad midden uit het boek van de verpozing boeit schielijk mijn aandacht, want het kleine kastje behelst werken, zoals men zegt, werken voor vernuft en smaak: een titel zo ruim als het geweten van een grijze staatsman of als het hoofd van een alweter, een Polyhistor.

Onlangs bracht het toeval mij de goede oude Rabener[2] in handen: het opengevallen blad stelde een aardig plaatje voor, alwaar de geestige Duitser, in de persoon van Anton Pansa van Mancha, met een zeer ernstig gelaat en peinzende houding, naast zijn kleermaker staat, terwijl deze, omgeven door een ‘talloos tal’ (men vergeve deze juiste dichterlijke uitdrukking uit de latere tijd!) klederen, de grote reusachtige schaar omhoog heft en met een fijn berekenend oog een uitwendige mens vormt; op de voorgrond zitten een paar leerlingen, met de naald bezig, en bekommeren zich niet om het gesprek van de twee andere personen. Ik zal de vrijheid gebruiken de ophelderende woorden, welke bij het plaatje behoren, hier in te lassen, eerlijk genoeg om dit te bekennen, hoewel niemand het mij ten kwade kan duiden, wanneer ik vreemde woorden voor eigene liet doorgaan: een zonde welke men door de vingers ziet, omdat zovele schrijversvingeren daarmede behept zijn: “Ik aarzel niet, (zo las ik) om te bekennen dat ik weinig lieden met zoveel eerbied beschouw als mijn kleermaker. Ik bezoek dikwijls zijn werkplaats, en nooit zonder een zekere huivering, wanneer ik zie hoe verdiensten, deugd en verstand onder zijn scheppende handen geboren worden, hoe waardige mannen door de steken van zijn naald uit het niets te voorschijn komen, even als het eerste paard moedig aan de oever oprees, toen Neptunus met zijn geweldige drietand in het zand stak.”

 



[1] Bartholomeus Theodorius Lublink Weddik ‘Gedachten en beelden, ontstaan bij de beschouwing van de schrijflezenaar van eenen auteur’ in Pandora: lektuur voor den beschaafden stand, Ie deel (Amsterdam: G.J.A. Beijerinck, 1835 p 252-266).

[2] De Duitse satirische schrijver Gottlieb Wilhelm Rabener (1714-1771) schreef een stuk over ‘de klederen maken de man’, als deel van ‘Antoni Pansa van Mancha's Verhandeling van Spreekwoorden’ in Verzameling van Hekelschriften, uit het Hoogduitsch – Vierde deel (Amsterdam: Pieter Meijer, 1767). <<Klederen>> Hoewel deze Nederlandse vertaling een prent ‘Kleider machen Leute’ uit de Duitse uitgave heeft overgenomen, is dit niet het hier beschreven ‘plaatje’. Vermoedelijk bedoelt de auteur een koperets van Carl Gottlieb Guttenberg (1743-1790) naar een tekening van Samuel Hieronymus Grimm (1733-1794) in Rabener, Satiren. Mit Kupfern. Sechster Theil (Bern: B.L. Walthard, 1766; heruitgave: "Verlegts Beat Ludwig Walthard und zu finden in Amsterdam bey Johannes Schreuder" 1775-1776).

 

Er bestaat ook in mijn geest, gelukkig, een samenschakeling van denkbeelden, (consociatio idearum) waardoor ik van het ene onderwerp op het andere geraak, zonder juist altijd te weten: waarom en waartoe? Want het kwam mij op éénmaal zo duidelijk en zeker voor, dat er een grote gelijksoortigheid moest bestaan tussen de kleermakerswinkel, waarheen mij de liefelijke hekelschrijver verplaatste, en tussen de schrijflezenaar van een auteur. Die gedachten en gewaarwordingen, waardoor ik toen onwillekeurig overstelpt ben geworden, deel ik bescheiden en vrijmoedig mede en onderwerp mij aan uw oordeel, bescheiden lezer! Hoewel dit trouwens vanzelf spreekt en ik mij onderwerpen moet, al voert gij ook in uw hand of in uw wapen de geduchte schaar van de kritiek, evenzo als de man op het plaatje zijn gescherpt werktuig. Laat mij, alzo onderworpen, mijn weg gaan en vergezel mij zo ver gij wilt, niet zo ver gij kunt, dat ware immers te veel gewaagd?

Wie het hart op de rechte plaats heeft en, gelijk ik, tot het geslacht der zwijgende spectators behoort, wie gevoelt niet een heilige huivering (zie hierboven), wanneer het hem is toegestaan de schrijflezenaar van een auteur te naderen, dit ernstige, zinnebeeldige toestel! De brede vierkante tafel, overdekt met opengeslagen boeken; de deftige oudmodische Foliant[1], met zijn lange gestalte, meermalen een Goliath der geleerdheid, waarop latere kritikasters tevergeefs het heldenfeit van de koninklijke herder[2] beproefden, omdat de geduchte slingersteen tegen hun eigen bestoven voorhoofd terugsprong. De meer moderne middeleeuwse Kwartijn, met zijn opeengehoopte moten en aantekeningen, waarbij de eigenlijke tekst wegsmelt in de aanwassende vloed der geleerdheid en bovenaan het blad, als een smalle streek land, even zichtbaar blijft bij de stortvloed, die van onderen opwelt. De gemakkelijke en handelbare Octaaf, die, afnemend in grootte, zo getrouw de afname van degelijke geleerdheid voorstelt; waar de regels, evenals in de onschatbare manuscripten der procureurs en notarissen, reeds wijder en wijder uiteenlopen, opdat men daarbij denke, wat niet gedacht is. De bevallige Duodecimo's hier en daar verstrooid, evenals de vrolijke petit-maîtres[3], verguld en blinkend, en als met een ademtocht weg te blazen; de vergeet-mij-nietjes en boterbloempjes op het veld der geleerdheid, waar de ceder en de eik zijn omvergehakt, als te reusachtig voor de kleine tijd. Eindelijk de insectenwereld van de zogenaamde Diamantuitgaven, de microscopische wonderen van de latere persen, de Lilliputters, welke de ogen bederven en zich bescheiden in het vestzakje verbergen. Ik bid u beschouw dit geslacht in op- en afklimmende grootte en waarde, en dat alles onder en bij elkander, op de oppervlakte van enige voeten! Welke zinnebeelden, welke gedachten, welke gewaarwordingen! En deze honderd of duizend beken en vloeden storten zich met verenigd geweld ginds uit – ginds op de eigenlijke schrijflezenaar, met eenvoudig groen bekleed, deze grote waterkom, waarin al de rivieren van de vroegere en de tegenwoordige wereld zich gieten. Dat ik u nauwkeuriger beschouwe, heilige werkplaats van de menselijke geest!  Waar het aandringend leger van de verschillende gedachten, in schone slagorde gerangschikt, als ‘in parade’ optreedt, en de geëvenredigde regels, met de hoofdletters, met de ronde behaaglijke volzinnen, met de noodzakelijke leestekens, gelijk een geoefende krijgsbende welke door ‘mannelijke houding’ het oog verrukt ! Noemt gij dit kunst? Het is meer! Het is toverkunst.



[1] Achtereenvolgens komen aan de orde (van groot naar klein) de formaten waarin boeken gedrukt worden: folio (foliant), quarto (kwartijn), octavo (octaaf), duodecimo en de lilliputters (minuscuul kleine boekjes).

[2] De kleine David versloeg met zijn slinger de reus Goliath.

[3] Verwijst naar jonge dandies, jongelingen die met elegante klederen te pronk lopen: ‘pronkertjes’.