Lotgevallen van de ‘onsterfelijke auteur’ en andere spotprenten

Christian Bernhard Rode

Het New Yorkse antiquariaat Martayan Lan bood in 2017 voor 2850 dollar een uiterst zeldzaam boekje aan met elf Duitse satirische prenten van de broers Heinrich en Christian Bernhard Rode. Het wordt gedateerd als ‘Nuremberg, 1758’. In de catalogus staan twee figuren afgebeeld: Denckmaal des unsterblichen Autors en Kleider machen Leute. In de bijhorende commentaar van de cataloog wordt gesuggereerd dat de prenten mogelijk verband houden met het werk van een of meer Duitse dichters: Christian Gellert, Johann Rasche of Gottlieb Rabener. Zowel de grappige prenten als de onduidelijke herkomst hebben me geprikkeld tot een zoektocht met verrassende vondsten. Via het internet vind ik een artikel over de eerste prent, ‘standbeeld van de onsterfelijke auteur’. De Duitse kunsthistoricus Werner Busch maakte een grondige studie van deze merkwaardige gravure.[1] Hij dateerde de prent in 1754 als het werk van twee Berlijnse kunstenaars: Johann Heinrich Rode (1727-1759) maakte de ets naar een tekening van zijn oudere broer Christian Bernhard Rode (1725-1797). Maar bij welk letterkundig werk hoorde deze satirische prent als illustratie? Volgens Busch verwijst de prent naar werk van Christlob Mylius (1722-1754), een natuuronderzoeker die ook journalistiek erg bedrijvig was en dit op soms erg provocerende wijze. Zijn Vermischte Schriften werden in 1754 postuum uitgegeven door zijn kozijn, de bekende dichter Gotthold Ephraim Lessing (1729-1781). Met uitvoerige literaire en kunsthistorische argumenten verdedigt Busch de stelling dat de broeders Rode de spot dreven met de figuur van veelschrijver en ‘would-be’ wetenschapper Mylius. Maar de auteur maakt nergens duidelijk voor welk medium, boek of tijdschrift, de prent in kwartoformaat[2] bedoeld was.



[1] Werner Busch, ‘Das "Denkmaal des unsterblichen Autors": ein "étrange monument"’. In Michael Hesse (Hrsg.), Studien zu Renaissance und Barock (Frankfurt: Peter Lang, 1986 p. 221-240 & Abb. 72-80). <<Onsterfelijke auteur>>

[2] 30 x 21 cm. Zie: https://www.museum-digital.de/st/index.php?t=objekt&oges=39175; B. Moeller (Hrsg), Luther in der Neuzeit (Gütersloh: Mohn, 1983 p 194).

De Duitse satyricus Gottlieb Wilhelm Rabener (1714-1771) werkte mee aan het tijdschrift Neue Beyträge zum Vergnügen des Verstandes und Witzes (Bremen: Nathanael Saurmann, 1744-1759) ook bekend als ‘Bremer Beiträge’. Zonder vermelding van de auteurs verschenen verzamelingen hieruit in Sammlung vermischter Schriften: von den Verfassern der Bremischen neuen Beyträge zum Vergnügen des Verstandes und Witzes (Leipzig: Johann Gottfried Dyck, 1748-1750).[1] Officieel op zijn naam komt dan de publicatie Sammlung satyrischer Schriften in vier delen (Leipzig: Johann Gottfried Dyck, 1751-1755); vanaf de tweede editie (1755) wordt de titel veranderd in Satiren. Het vierde deel kwam er op verzoek van de uitgever in 1755. Rabener meldt zelf in zijn voorwoord dat hij na de eerste drie delen lang geaarzeld heeft en zweert dat dit nu het allerlaatste deel is. Uit bezorgdheid rond toenemende politieke censuur wil hij dat zijn overige satirische geschriften slechts na zijn dood gepubliceerd zouden worden. Maar bij de beschieting van Dresden in 1760 gaan al zijn manuscripten op in de brand. Zo kan er postuum (1772) slechts een aanvullend deel brieven gepubliceerd worden.[2]



[1] 2.Band 1. Stück (p 29-63 & 281-318) bevat ‘Antons Panssa von Mancha Abhandlung von Sprüchwörtern’ (zonder prenten).

[2] Bij de zesde uitgave in 1761 wijst Rabener in een voorwoord naar piraatdrukken van zijn werk en een ongewenste uitgave van zijn brieven. Concreet spreekt hij schande uit over de de piraatdruk ‘Frankfurt & Leipzig’ uit 1759, hetgeen vermoedelijk het werk is van de Zwitserse uitgever Heilmann in Biel.

 

De uitgaven van Sammlung satyrischer Schriften  in Leipzig door Johann Gottfried Dyck: deel 1-2 in 1751, deel 3 in 1752 en deel 4 in 1755, 2e ed 1755, 3e ed 1757, 4e ed 1759 & 5e ed 1759: pas vanaf deze laatste verschijnen er prenten in de tekst. Van de Satiren verschenen in de 18e eeuw nog volgende uitgaven (latere heruitgaven door zelfde uitgeverijen niet meegerekend):

  • Frankfurt & Leipzig, 1759 (anonieme piraatdruk)
  • (“neueste Auflage”) Biel: Christoph Heilmann, 1764
  • (“neueste Auflage”) Wien: Johann Thomas Edlen von Trattnern, 1765; 5 gravures in Deel 4
  • (“mit Kupfern”) Bern: Beat Ludwig Walthard, 1765; 39 etsen van Carl Gottlieb Guttenberg (1743-1790) naar tekeningen van Samuel Hieronymus Grimm (1733-1794).
  • (“6. Auflage”) Karlsruhe: Christian Gottlieb Schmieder, 1773
  • (“6. Auflage”) Reittlingen: Johann Georg Fleischhauer, 1777

Digitale versies: 

https://de.wikisource.org/wiki/Gottlieb_Wilhelm_Rabenerhttp://digitale.bibliothek.uni-halle.de/vd18/search/quick?query=rabenerhttps://www.deutsche-digitale-bibliothek.de/entity/118743368

 

Vertalingen:

  • Verzameling van hekelschriften, uit het Hoogduitsch (Amsterdam: Pieter Meijer, 1763-67; in 1774 volgde nog deel 5 met de brieven); met prenten van Keller, waarvan ook een paar in spiegelbeeld gemaakt door Simon Fokke.
  • Een Franse vertaling door Déodat de Boispréaux (= Bénigne Dujardin): Satyres (Paris: P.G. Simon, 1754; deel 1&2 vertaald; ‘traduction libre de l’allemand’; 4 tomes); een selectie uit deel 4 verscheen in Michel Huber, Choix de poésies allemandes - Tome 4 (Paris: Humblot, 1766 p 259 e.v.); zonder prenten.
  • Een Engelse vertaling: Satirical letters (London: Andreas Linde, 1757; selectie uit deel 1 & 2, 2 vols); zonder prenten.

PS Er verscheen nog een ‘vervolg’ soms verkeerd aan Rabener toegeschreven: Johann Christoph Rasche, Anton Pansa von Mancha fortgesetzte Abhandlungen von Sprüchwörtern, wie solche zu verstehen und zugebrauchen sind (Frankfurt am Mayn: Johann Joachim Kessler, 1774)

 

 

Keller1

Keller2

Keller3

Keller4

Keller5

Rode1

Rode2

Rode3

Rode4

Rode5

In de op internet toegankelijke Leipzig-uitgaven van Rabeners Satiren heb ik elf prenten gevonden en dit vanaf de vijfde uitgave in 1759:

-        drie prenten in het eerste deel: ‘Rariteten Kasten’, ‘Grabmaal des Clitons’ & ‘Der in sich selbst verliebte Mahler’;

-        acht prenten in het vierde deel: ‘Antons Panssa von Mancha’, ‘Wenn Gott ein Amt giebt dem giebt er auch den Verstand’, ‘Kleider machen Leute’, ‘Ehrlich währt am längsten’, ‘Alte Liebe rostet nicht’, ‘Der wahrhafte Medusen Kopf’, ‘Die Heyrath, mit Verstand’ & ‘Denckmaal des unsterblichen Autors’.[1]

Op meerdere prenten staat duidelijk ‘Chr.H.C. Keller sculp’ soms ook ‘sculps. Norib. ‘ wat verwijst naar Nürnberg.[2] Nergens staat vermeld wie de ontwerper (tekenaar) was terwijl het duidelijk gaat om kopies van dezelfde reeks van elf prenten van de broeders Rode, hoewel nu in een minder gedetailleerde variant van een kleiner (octavo) formaat. De graveur zou dus een zekere Christoph Heinrich Carl Keller zijn over wie ik weinig gegevens vind.[3] Anderzijds worden de prenten ook toegeschreven aan de in Nürnberg werkzame Johann Christoph Keller (1737-1796), die vooral bekend was voor zijn illustraties van natuurkundige werken.[4] Over welke Keller gaat het? Is hier sprake van een naamsverwarring of hebben we misschien te maken met een pseudoniem (gezien de minder ernstige thematiek en het kopieerwerk)?

Aanvankelijk vond ik de eerste drie prenten van Keller ook in een uitgave van 1751. Dat levert wel een probleem van datering: tot nog toe lijkt de vroegste editie  van Rode’s prenten 1754, maar hoe kan Keller ze dan in 1751 gekopieerd hebben?! Er is echter duidelijk wat mis met de inlassing van Kellers prenten in de editie van 1751. Ik heb dit slechts in één gedigitaliseerd exemplaar vastgesteld en nergens anders. Opvallend gegeven: bovenaan alle prenten (ook deze uit deel 1) staat ‘zum 4. Theil gehörig’. Dit alles lijkt erop te wijzen dat de volledige reeks van elf door Keller gemaakt is voor het vierde deel van de uitgave in 1759. De eerste drie prenten hoorden echter thuis in het eerste deel ondanks het opschrift ‘horend bij het 4e deel’. Vermoedelijk werden de prenten in de uitgave van 1751 bij een latere inbinding mee ingelast, wat wel vaker gebeurt. Dit is trouwens wat slordig gedaan want de illustraties werden eerder lukraak ingevoegd en duidelijk niet ter hoogte van de tekst waar ze thuishoren, waar dit wel het geval is voor de editie van 1759. Conclusie: ik werd door een ‘fout’ exemplaar wat misleid, terwijl alles erop wijst dat de prenten van Keller pas vanaf 1759 gepubliceerd werden.[5]



[1] De prenten zijn in de meeste exemplaren telkens op dezelfde plaats ingelast: ‘Rariteten Kasten’ (frontispice), ‘Grabmaal des Clitons’ (p 30-31), ‘Der in sich selbst verliebte Mahler’ (p 122-123), ‘Antons Panssa von Mancha’ (voor p 6), ‘Wenn Gott ein Amt giebt dem giebt er auch den Verstand’ (p 22-23), ‘Kleider machen Leute’ (p 38-39), ‘Ehrlich währt am längsten’ (p 46-47), ‘Alte Liebe rostet nicht’ (p 72-73), ‘Der wahrhafte Medusen Kopf’ (p 92-93), ‘Die Heyrath, mit Verstand’ (p 164-165) & ‘Denckmaal des unsterblichen Autors’ (p 228-229).

[2] Zes prenten zijn gesigneerd door Keller: 1-3 & 9-11.

[3] Informatie in Thieme-Becker, Allgemeines Lexikon der Bildenden Künstler, vol 20 (1927) p 69/96; niet bij Nagler, Neues allgemeines Künstler-Lexicon, Band 6. British Museum, portret van Christian Friedrich Karl Alexander: 'Christoph Heinr. Carl. Keller. del. sculps et excud. Norib. 1760'; hierover in Georg Schad, Versuch einer Brandenburgischen Pinacothek (Nürnberg-Leipzig: Pech, 1792  p 28 & 178): ‘ein Kupferstecher zu Nürnberg’ & “Gar nicht getroffen und sehr schlecht gemacht”; zie ook: Martin Krieger, Die Ansbacher Hofmaler des 17. und 18. Jahrhunderts (Selbstverlag des Historischen Vereins für Mittelfranken, 1966 p 329). Stadtbibliothek Trier, portret van Bartholomäus Welser: ‘Chr.H.C. Keller sculps’. https://www.graphikportal.org/document/gpo00012795

[4] Zie G.K. Nagler, Neues allgemeines Künstler-Lexicon, 6. Band (München 1838 p 551): Johann Christoph Keller, “Um 1765 gab er 11 Blätter zu Rabener’s Satyren heraus”. Antiquariat H.Th. Wenner bood Rabeners Satiren (Leipzig: Dyck, 1761) aan met de melding: “Titelvign. nach J.W. Meil, 1 Schlußvign. von J. H. Meil, 11 Kupfertafeln von Johann Christoph Keller und 2 Textkupfern. Die erste von Keller illustrierte Ausgabe”.

[5] De ‘foutieve’ versie betreft het gedigitaliseerde exemplaar in de Universitäts- und Landesbibliothek Sachsen-Anhalt (http://digitale.bibliothek.uni-halle.de/vd18/content/pageview/6183221). De prent ‘Denckmaal’ door Keller zou ook te vinden zijn in de editie van 1755 (Band 4, tussen p 228-229) volgens B. Moeller (Hrsg), Luther in der Neuzeit (Gütersloh: Mohn, 1983 p 194). Maar dit is wellicht een vergissing want geen enkele digitale editie op het internet bevestigt dit; wel vind ik de prent voor het eerst terug in de editie van 1759 op dezelfde plek (tussen p 228 en 229). Ik vond ook edities van deel 1 uit 1759 waarin het opschrift van de prenten gecorrigeerd werd tot ‘zum 1. Theil gehörig’ (waarbij men nog kan zien dat de 4 werd omgezet in 1). De prenten staan in de editie 1759 op de juiste plaats: frontispice, p 30-31 & 122-123; bij de ‘foutieve’ editie 1751 is dit: frontispice, p 48-49 & 90-91.

Denckmaal des unsterblichen Autors : links origineel van Rode, rechts kopie van Keller

Bij de opzet van de originele prenten van de broers Rode blijf ik echter met onopgeloste vragen zitten. Op de prent ‘Ehrlich währt am längsten’ staat een aanwijzing rechtsonder: “auf der 92sten Seite des vierten Theils Siehe Anton Panssa von Mancha abhandlung von Sprüchwörtern”. Maar pagina 92 van het vierde deel (in editie 1755 en volgende jaren) betreft een ander spreekwoord (‘Eine Hand wäscht die andere’), terwijl ‘Ehrlich währt am längsten’ op blz 46-73 staat! Ik vond geen enkele editie bij de verschillende heruitgaven die overeenstemt met de paginering in Rode’s aanwijzing. Bovendien zijn alle mij bekende uitgaven (periode 1751-1760) van Rabeners Satiren in octavoformaat uitgegeven, terwijl Rode’s prenten hiervoor te groot zijn en bedoeld lijken voor een kwartoformaat!  Op welke uitgave baseerde de graveur zich om de juiste plaatsing van zijn prenten aan te geven? Dat blijft een groot raadsel. Nergens zijn de prenten in een gedrukte boekeditie te vinden en blijkbaar verschenen ze enkel als een afzonderlijke uitgave in een bundel van elf prenten, hoogst waarschijnlijk in 1757 en vermoedelijk in eigen beheer. Misschien wilde de uitgever Johann Gottfried Dyck voor de tweede editie van de vier delen in 1759 deze prenten wel opnemen maar dan in verkleinde vorm. Dat uiteindelijk Keller deze klus klaarde zou te wijten kunnen zijn aan de slechte gezondheid van Johann Heinrich Rode die datzelfde jaar kwam te overlijden. Bovendien, vergeleken met Rode’s originelen lijken Kellers kopieën inderdaad het resultaat van haastwerk. Toch heeft ook hij de reeks van elf prenten afzonderlijk uitgegeven in 1759, mogelijk in eigen beheer.[1] Deze uitgave lokte evenwel direct een verontwaardigde reactie uit in het magazine Bibliothek der schönen Wissenschaften und der freyen Künste, dat – pittig detail – overigens verscheen bij dezelfde uitgeverij Dyck in Leipzig. Vrij vertaald leest de commentaar als volgt:

“De Heer C. Keller, een kopergraveur in Nuremberg, heeft zich door winstbejag laten verleiden om de satirische bladen van de heren Rode in octavo na te etsen. Ze zijn zeer ellendig uitgevallen en in de meesten is er van de geest van de ontwerpers weinig overgebleven; aldus zullen ze zeker geen kenner  prikkelen. De titel: ‘Elf koperprenten bij de satirische geschriften van Johann Wilhelm Rabener’. Ook hierbij is men zo nalatig geweest, dat men niet nagekeken heeft welke voornamen de heer Rabener heeft. Hij heet Gottlieb Wilhelm. Maar dergelijke overhaasting komt niet zelden voor bij werken die uit ongeoorloofde hebzucht zijn ontstaan”.[2]

 



[1] Karl Heinrich Jördens, Lexikon deutscher Dichter und Prosaisten – Vierter Band N-S (Leipzig: Weidmann, 1809 p 250): “Elf Kupfer zu Herrn Gottlieb Wilhelm Rabeners Satirische Schriften von Bernhard Rode. Berlin 1759, gr. Fol; ein schlechter Nachstich derselben von Keller in Nürnberg erschien zu Anspach 1759, gr. 8”.

[2] Bibliothek der schönen Wissenschaften und der freyen Künste 4.Band/2.Stück (Leipzig: Johann Gottfried Dyck, 1759 p 828).

Voor de Nederlandse versie van Rabeners Hekelschriften maakte Simon Fokke prenten (links = spiegelbeeld van Kellers prent rechts)

Kunnen we nu de prenten van Keller in de editie van Rabeners Satiren duidelijk dateren (vanaf 1759), dan blijft nog de vraag: wanneer werden de prenten van de broers Rode gemaakt? Een eerste aanwijzing vinden we in de reeds geciteerde Bibliothek der schönen Wissenschaften und der freyen Künste: in 1757 wordt gemeld dat Heinrich Rode opnieuw werkt aan illustraties bij Rabeners spreekwoorden, maar men verzoekt hem ‘in naam van de dichtkunst’ ze van betere verzen of liefst geen meer te voorzien; in 1758 wordt aangekondigd dat de prenten verschenen zijn onder de titel ‘Antons Pansa von Mancha Abhandlung von Sprüchwörtern’.[1] Hieruit valt af te leiden dat zeker een deel van de gravures vóór 1757 gemaakt is.[2] Later verscheen trouwens nog een reeks van vijf prenten bedoeld als illustratie bij Rabeners Satiren.[3] Maar ook hier blijft de vraag onbeantwoord: waarom werden deze knappe en grappige prenten van de broers Rode nooit opgenomen in een tekstuitgave van Rabeners werken en verschenen ze slechts in een zeldzame aparte bundel?

 



[1] Bibliothek der schönen Wissenschaften und der freyen Künste - 1. Band  (Leipzig: Johann Gottfried Dyck, 1757 p 406) in de rubriek ‘Vermischte Nachrichten aus Berlin’: “Herr Heinrich Rode […] ist jetzt beschäffiget, wieder einige Sprüchwörter nach Rabeners Veranlassung gleichfalls nach seines Herrn Bruders Zeichnungen ans Licht zu stellen. Wir bitten ihm im Namen der Dichtkunst, darunter entweder bessere Verse, als unter die vorigen zu setzen, oder lieber gar keine”. Bibliothek der schönen Wissenschaften und der freyen Künste - 2. Band/2. Stück (1758 p 419): “Herr Heinrich Rode hat nunmehr die […] von uns angekündigte Sprüchwörter, nach den Zeichnungen seines Hrn. Bruders ans Licht gestellet. Der Titel heist: Antons Pansa von Mancha Abhandlung von Sprüchwörtern, wie solche zu verstehen und zu gebrauchen sind, dem Verfasser zum Besten, un dem Leser zur Erbauung, in Kupfer gebracht”.

[2] Renate Jacobs, Das graphische Werk Bernhard Rodes (1725-1797). (Münster: Lit Verlag, 1990 p 175) dateert de eerste schetsen in 1755 en meldt: “Die von Johann Heinrich geschaffenen Blätter wurden in März 1759 in den ‘Briefen, die neueste Litteratur betreffend’ angezeigt”, maar ik kon dat in de betreffende (overigens ernstige) publicatie niet vinden. De datering 1759 voor publicatie van de prenten vinden we ook bij Jördens (1809).

[3] Geëtst (in octavoformaat) in 1764 door Christian Gottfried Matthes (1738-1805): ‘Hell geblasene Kriegstrompete und Friedensposaune, Die Seele des Geizigen auf dem Geldkasten, Die Göttinn der Gerechtigkeit nach dem neuesten Geschmack, Die Wuth der Betschwester bey ihrer Andacht, Der in seine Werke verliebte Autor’. Ook hier telkens met verwijzingen naar de betreffende bladzijden in Rabeners Satiren. Zie Jacobs (1990) p 175-176.