Schrijfjeukte

 

De onbedwingbare drang tot schrijven staat ook bekend als grafomanie. Ossip Lourié (1868-1955), Russisch-Franse schrijver en hoogleraar aan de Université Nouvelle de Bruxelles, schreef bij mijn weten het eerste en enige boek over de ziekelijke grafomanen.[1] Maar er zijn tegenwoordig veel meer ‘gangbare’ dan pathologische varianten van grafomanie, volgens sommigen beter te omschrijven als graforree, een soort schrijfdiarree… Een bijzondere variant is de bloggomanie of het wereldkundig maken van de meest pietluttige gebeurtenissen of ervaringen via facebook of chatboxen. We krijgen hier te maken met een aparte vorm van exhibitionisme: de drang om de eigen leefwereld naar buiten te brengen op papier of digitaal. Over deze grafomanie, die van ieder een romancier of journalist van zijn eigen leven maakt, filosofeert Milan Kundera op ironische wijze in Het boek van de lach en de vergetelheid. Salomo waarschuwde reeds eeuwen geleden: ‘Er worden zo veel boeken geschreven, er komt geen eind aan; je daar te veel aan wijden, zal je uitputten’.[2] Aan deze onophoudelijke stroom geschriften voegen we hier dus enkele brokken toe: als excuus of teken van zelfkennis?



[1] La graphomanie: essai de psychologie morbide (Paris: F. Alcan, 1920); hij voelde wellicht de ‘behoefte’ dit te schrijven na zijn studie over de onstuitbare woordenvloed of logorree (Le Langage et la verbomanie: essai de psychologie morbide, 1912).

[2] Prediker 12:12.

De Duitse satyricus Gottlieb Wilhelm Rabener (1714-1771) hekelde de ‘onsterfelijke auteur’ maar ook zijn eigen schrijfdrang:[1] “De voornaamste zorg van een schrijver strekt zich uit om de goedkeuring van zijn lezers te verkrijgen. De meesten schrijven hedendaags uit honger; velen zoeken zich roem te verwerven; enige weinigen hebben een oogmerk om te verbeteren; allen bevlijtigen zich echter om hun schriften gewild te maken. Mijn tegenwoordige onderneming heeft geen van deze drie zaken ten oogmerk. Ik schrijf enkel en alleen omdat ik mijn gedachten gedrukt begeer te lezen. Dit is mijn voornaamste beweegreden. Ik heb dit voorheen reeds gezegd; ik wil het nu ook niet loochenen. Is dit een gebrek in mij, dan heb ik het echter maar bij erfenis. Mijn vader is een schrijver geweest; mijn grootvader heeft boeken geschreven; van mijn overgrootvaders bekwaamheid in dit opzicht is mij gisteren nog geen kwalijk uitgevallen proef uit de etenskast in handen gevallen; en een onverwachte brand is oorzaak geweest dat wij ons over de vlijt van mijn betovergrootvader niet kunnen verwonderen. Zal men het om die reden mij dan wel ten kwade duiden, wanneer ik de aangeboren drift tot schrijven niet weerstaan kan?”



[1] G.W. Rabener, Verzameling van hekelschriften, uit het Hoogduitsch. Eerste deel (Amsterdam: Pieter Meijer, 1777) p 61-62; spelling aangepast. Zie ook <<Onsterfelijke auteur>>

‘Cacoëthes scribendi’, een mengeling van Grieks en Latijn voor een onbedwingbare schrijfdrang, werd als ironisch begrip gelanceerd door Juvenalis (Satiren VII, 50-52). Hij doelde op het schrijven dat slechts met eer en niet met geld beloond wordt: ‘Toch dichten wij maar voort; wij trekken voren in pover zand en ploegen zonder loon over een kaal stuk strand’. In het gedicht Cacoethes Scribendi van de Amerikaanse arts en poëet Oliver Wendell Holmes (1809-1894) klinkt het ongeveer als volgt: ‘Zelfs als niets ter wereld nog bewoog en alle met inkt gevulde oceanen zouden zijn leeggeschreven, dan nog staan de krabbelaars met zijn allen aan de rand en roepen om meer pennen, meer papier en inkt'.[1]

If all the trees in all the woods were men;

And each and every blade of grass a pen;

If every leaf on every shrub and tree

Turned to a sheet of foolscap; every sea

Were changed to ink, and all earth's living tribes

Had nothing else to do but act as scribes,

And for ten thousand ages, day and night,

The human race should write, and write, and write,

Till all the pens and paper were used up,

And the huge inkstand was an empty cup,

Still would the scribblers clustered round its brink

Call for more pens, more paper, and more ink.

 



[1] Zie het virtueel filmpje waarin Holmes zijn gedicht voorleest: https://www.youtube.com/watch?v=xZuVYnXJ_ng

 

 

De Haagse arts en historicus Rochus Krol (1833-1920) schreef een artikel over Govard Bidloo (1649-1713) eveneens arts, schrijver van toneelwerk en librettist, en hierin staat de beste ‘medische’ beschrijving van schrijfdrang:[1] “De schrijfjeukte, een van de vele ziekteverschijnselen van de grootheidswaan, woedt sinds mensenheugenis in ons gezegend vaderlandje en breidt zich, als aanstekende ziekte, naar alle kanten uit. Het gehalte van het geschrevene wordt dagelijks wateriger, daar volgens de wet van Descartes de som der krachten in de natuur van eeuwigheid dezelfde blijft. Het jammerlijke gevolg van die zondvloed van geschriften is dat bijna niemand kan lezen, al zegt de statistiek dat het letterwijze publiek jaarlijks vermeerdert. Tegen de domme kracht van cijfers echter valt niet te redeneren; doch kunnen en kennen zijn twee. De lijder aan schrijfjeukte moet de pen opnemen, met onweerstaanbare drang regel aan regel op het papier krabbelen en rusteloos doorschrijven tot de vingers, door kramp bevangen, tot werkstaking dwingen. Dan is hij tijdelijk ongenaakbaar voor vrouw en kroost en kreunt hij als een diep rampzalige... Onuitstaanbaar is de ongelukkige, als hij een onderwerp ontbeert. Honderdmaal wordt de pen gedoopt, om honderdmaal te verdrogen. Het vlot niet. [Maar dan plots een inval.] De bekoring is onweerstaanbaar; hij hapt als een visje in het aas en draaft lustig van stal. Al schrijvende werkt de sukkel zich vast en werpt eindelijk doodmoe de pen neer.”



[1] ‘Govard Bidloo’ in Haagsch Jaarboekje, 1890, 2 p 49; tekst in modernere spelling gezet en licht aangepast.

Otto Christiaan Frederik Hoffham (1744-1799), een in Pruisen geboren maar in Amsterdam opgegroeide schrijver, vergeleek de schrijfjeukte met ‘kinderpokjes’ (water- of windpokken) omdat de lijders eraan niet alleen ‘kinderachtig’ maar ook ‘kinds’ zijn, in de zin van dom en achterlijk.[1] Hierbij aansluitend het volgende ctaat van onze grappige Duitser: “Een zelfde gebrek aan verstand maakt sommige lieden stom en doet anderen onophoudelijk praten; de dwaasheid belet de eerste te spreken en de laatste te zwijgen. Zo doet het gebrek aan verstand sommige schrijvers te lang en anderen te kort van stijl zijn: het grondbeginsel is bij hen volkomen gelijk”.[2]

Dezelfde Hoffham parodieerde vaak bekende teksten. Zo schreef hij ‘To be, or not to be? Shakespeare van verre gevolgd’[3], waarvan ik hier mijn eigen ingekorte versie geef.

 

To print or not to print?

Een jonge schrijver, zijn manuscript in de maag,

Wil van Shakespeare het antwoord horen:

Of niet of wel te drukken? Dat is de vraag!

In twijfel voelt hij zich compleet verloren:

Gedrukt en vermaard te worden is zijn wens,

Maar hem wacht misschien ‘n ander onthaal,

Want de schrijver blijft ‘n kleine bange mens,

Voor recensenten met hun gif en lastertaal.

Het heeft de stoutste hevig doen beven,

Benam zo menig jong talent de moed

Zijn prille manuscript ter pers te geven,

Al jeukt in hem zo fel het schrijversbloed.

Maar kritiek kan zijn verhoopte faam bederven!

Vele schrijvers deinzen terug voor dit gevaar.

Liever geen roem dan schande te verwerven,

Zodat vele geschriften verrotten in de lessenaar!

 



[1] De Kosmopoliet, of waereldburger. Eerste deel (Amsterdam: David Klippink, 1776, p 361 ev). Deze vergelijking was eerst geopperd door The Spectator (1714, 4 p 93-94); zie ook Paul Keen, Literature, Commerce, and the Spectacle of Modernity, 1750-1800 (Cambridge University Press, 2012 p 91 ev). 

[2] De Kosmopoliet  p 78.

[3] Gedichten (Uitgeverij 521, Amsterdam).

Schrijfkoorts

Elders wordt de schrijfjeukte duidelijker als een ziekte beschouwd door haar schrijfkoorts te noemen, ook vanoudsher als ongeneeslijk beschouwd. Zie bijvoorbeeld deze commentaar in De Recensent, ook der recensenten, 1825 (18 p 458):

In Wonderboek, of Avonturen op eene reis in de andere wereld (1825) bekent Henry Fielding dat hij wilde stoppen met dichten maar Juvenalis gelijk moest geven met de volgende verzen:

Zo waarschuwde de veelzijdige Amsterdammer Samuel Iperuszoon Wiselius (1769-1845) de ‘jeugdige dichters’ in zijn Nieuwe dichtbundel (1833).

In Proeven voor het verstand, den smaak en het hart (1790 p 142-143) bekent een anonieme schrijver dat hij niet kan weerstaan aan de verleiding van een wit blad: “Schrijflust is zekerlijk, behoudens de vooronderstelling, dat zij tot de morbi nervorum behore, eene der beminlijkste ziekten, waarmede eenig sterveling op dezen aardbodem kan bezocht worden, lieden van een zwak zenuwgestel, en bij dezen heb ik dezelve meest aangetroffen, vinden daarin eene stille vergoeding dier bedwelmende genoegens, welken zij moeten opofferen aan het gemis der ruime waereld…”

Losse flodders

 

“Weinig auteurs verdienen dat men ze aandacht geeft. De hoogmoed leidt hen. Vol overtuiging, zo fel dat ze die niet verbergen kunnen, offeren ze alles op om zich een naam te verwerven. Ze bedienen zich zelfs van verlegenheid en bescheidenheid. Alle vermommingen staan ten dienste van de ijdelheid: de eerste passie die een auteur wil bevredigen.”[1]

 

De titel van een boek, vertrouw het allerminst

Als hij ’t meest belooft, de drukker loert op winst

Gelijk een makelaar die toch op alle wijzen

De slechte waren zoekt aan te prijzen.[2]

 

De briefwisseling tussen Voltaire en Frederik de Grote staat vol gedichten, of rijmelarijen zoals Frederik zelf suggereert:[3]

 

Ik rijm om te rijmen, maar ben ik een poëet,

Omdat ik zo goed weet waar ‘k komma’s plaatsen moet

En jong reeds aan die kwaal, die dichtersmanie leed,

Om een lied te dichten op voor- en tegenspoed?



[1] André-François Boureau-Deslandes, L'art de ne point s'ennuyer (Liège: Clément Plomteux, 1771 p 98); eigen vrije vertaling.

[2] Justus van Effen, Hollandsche Spectator. Tweede deels tweede stuk (Amsterdam: K. Van Tongerlo & F. Houttuin, 1756, p 534; tekst aangepast).

[3] Voltaire Briefwisseling met Frederik de Grote, 1736-1778. Vertaald en ingeleid door Hannie Vermeer-Pardoen (Amsterdam: Van Gennep, 2007; brief uit 1737, p 61). In een brief uit 1740 (p 345) heeft Frederik het ook over zijn ‘ongeneeslijke metromanie’!

 

 

Jeremias de Decker heeft het in een puntdicht over 'zotte schrijfzucht' waarvan het papier nog vele diensten kan bewijzen:

Op de kladders onzer eeuwe

Van zotte schryfzucht schynt der zotten geest geslagen;

Elk schept in 't geen hy broeit een zonderling behagen:

Dan dus verzorgen wy d'apteek van vuil papier,

't Privaet van goed gerief, den tobakist van vier.

 

Slotexcuus

Acht gij met dit geschrift mijn tijd verkwist te wezen,

Verkwist dan niet uw tijd met dit geschrift te lezen.

Of vindt gij mijn verstand niet goed te zijn besteed,

Laat dan uw verstand werken omdat gij ‘t beter weet.[1]



[1] Vrij naar Jacob Cats in ‘Papieren kind’.