Vrolijke volken

Een lachend volk[1]

Bij deftigheid en ernst kan jok noch spot betamen [2]

Ik heb ergens een wondere bijzonderheid gelezen over een oud volk dat, zo mijn geheugen mij niet bedriegt, de Tyrinthiërs[3] genoemd werd. Deze lieden waren zo geneigd tot een onbezonnen vreugde, dat alles hen tot lachen bracht en dat ze tot de minste ernst onbekwaam waren. Waren ze vergaderd op de stadsmarkt, in plaats van over de belangen van 't vaderland te handelen, brachten ze niets voor de dag als de belachelijkste beuzelingen; en de adviezen van hun officiële raadsheren bestonden in loopjes en grappen, die een kwakzalvers Hansworst[4] nauwelijks zouden betamen. Wanneer het gebeurde dat ze vreemde gezanten ontvingen, konden ze niet nalaten deze te foppen en aan hun aanspraak een bespottelijke draai te geven. In ’t kort, een ernstig en redelijk woord werd in alle omstandigheden bij de Tyrinthiërs aanzien als een verbazend wonderwerk. Hun tomeloze drift tot lachen en spotten, waardoor hun gehele gemeenschap in de uiterste verwarring werd gebracht, begon hen eindelijk te vervelen en tot een last te strekken, en ze vonden het gepast het orakel van de Delphi te raadplegen voor de krachtigste middelen om tot enige bedaardheid te komen. 't Orakel antwoordde dat, in geval zij zich ver genoeg konden vermeesteren om zonder lachen een stier aan Neptunus op te offeren, zij zich voortaan in staat zouden vinden van een behoorlijke ernst te gebruiken. Hoewel in een offerande niets koddigs zich voordoet dat natuurlijker wijze iemand tot lachen kan verwekken, dachten ze het echter raadzaam zich met alle mogelijke omzichtigheid tot het betamelijk uitvoeren van die heilzame plechtigheid voor te bereiden. Zij besloten daarom niet alleen alle jonge luide te weren, maar ook onder de ouden alleen grijzaards toe te laten, die onder de last der jaren zuchten en bezwijken, of overladen van schulden, of aan ziekten kwijnende, of door de dwingelandij van boze vrouwen onderdrukt. Wanneer deze uitgekozen vergadering zich op het strand bevond om 't offerbeest te zien slachten, wantrouwden die luchthartige grijzaards de genomen voorzorg nog dermate, dat ze om elkander niet aan te zien hun ogen op de aarde hechtten, en om niet in een onvoorziene lach te vervallen op hun lippen beten. Per ongeluk werden al deze wijze maatregelen verijdeld door een jong spotboefje, dat aan zijn ouders ontsnapt was en schielijk in de vergadering zich vertoonde, en wanneer men hem wilde verdrijven met een schertsende toon uitriep: ‘Wel waarom word ik toch weggejaagd, zijt gij lieden bang dat ik uw stier op zal slokken?’ Deze onverwachte narrenstreek deed in een ogenblik al de gedwongen deftigheid verdwijnen. Ieder barstte uit in een schaterende lach, de plechtigheid werd gestoord en de Tyrinthiërs bleven in het verderfelijke bezit van hun malle vrolijkheid.

 



[1] Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, N° 53, 28 april 1732; tekst deels in modern Nederlands omgezet en ingekort.

[2] Het vertoog begint met het gezegde Et nunquam posito tractabant seria ludo: ‘En nooit deden zij serieuze dingen, wanneer zij opgehouden waren met spelen’; de herkomst van dit citaat is onbekend. In een latere editie (1756) werd hieraan toegevoegd: ‘By deftigheit en ernst kan jok noch spot betaamen’.

[3] Dit lijkt me een verzinsel van de schrijver.

[4] Hansworst was oorspronkelijke een komische figuur in het (poppen)theater; nu gebruikt als 'scheldnaam' voor een wat sullige of domme figuur.

 

Ik twijfel niet of de meeste van mijn lezers zullen dit verhaal voor een fabeltje aanzien, waarbij het wel wezen kan dat ze geen ongelijk zullen hebben. Ik ben zelfs genoegzaam verzekerd dat velen het zullen behandelen als een sprookje van alle waarschijnlijkheid ontbloot. Doch daarin zal ik niet van hun mening zijn, vermits ik er niets onmogelijks en tegenstrijdigs in vind. Zoals ik kan begrijpen dat een gans volk, gelijk van de Sybariten[1] getuigd wordt, door ledigheid, weelde en overvloed gekoesterd, zijn mannelijke aard uittrekt en aan zo een laffe verwijfdheid zich overgeeft dat het in het zachtste bed een gekreukt rozenblad ondragelijk vindt; zo kan ik ook wel bevatten dat een ganse burgerij door de natuurlijkste oorzaken in een buitensporige en onweerstaanbaare drift tot lachen, spotten en 't onophoudelijk uitslaan van ijdele en ongezoute praat kan vervallen. […]

Zo dit verhaal derhalve een fabel is, zo is het niet alleen geen onwaarschijnlijke fabel, maar ze is ook ten hoogste vruchtbaar in nuttige en heilzame lessen. Wij kunnen leren, bij voorbeeld, uit het gedrag van de uitgekozen oude mannen die, niettegenstaande alle mogelijke voorzorg, echter al hun krachten genoodzaakt waren in te spannen om niet tot lachen te worden vervoerd, dat wanneer eens de menselijke inbeelding door een langdurige gewoonte geschikt is om in alle voorwerpen iets bespottelijks te zoeken, zij nooit missen kan dit te vinden en daardoor voor eeuwig tot ernstige bespiegelingen zich onbekwaam moet bevinden. Hetgeen hen niet belachelijk voorkomt, heeft voor hen geen bestaan en kan hun aandacht nooit trekken.[…]

Hoe het ook zij, niemand zal ontkennen dat de spotachtige Tyrinthiërs een ontelbaar nakomelingschap nagelaten hebben. Men komt nergens waar men geen van die dartele en brooddronkene nazaten van dat dwaze volk vindt. Hele landen zijn van deze bijna overstroomd. […] Hoewel wij Nederlanders door een natuurlijke koelheid tot bezadigdheid en ernst meer dan veel andere volkeren overhellen, zo ontbreekt het ons echter geenzins aan luchthartige Tyrinthiërs, die overtuigd schijnen dat het vermogen van te lachen 't wezenlijke van de mens uitmaakt. Ziet men niet dagelijks dat iemand die zich bezeert, zich stoot of valt, een groter en langduriger geschater verwekt, als de aardigste fratsen en posturen van een Arlequin of Scaramouche.[2]

 


[1] Sybariten of inwoners van Sybaris, een Oud-Griekse stad in Zuid-Italië, werden stereotyp omschreven als belust op plezier en weelde. Een 'sybariet' werd zo synoniem van 'decadente wellusteling'.

[2] Harlekijn en Scaramouche zijn clowneske personages uit het oude Italiaanse volkstoneel; later gezien als prototypes van clowns of narren.

Commentaar

Justus van Effen, de schrijver van de Hollandsche Spectator, heeft zelf wat moeite gehad om een eigen stijl te vinden. Hij probeerde tussendoor ironisch te zijn maar dat lukte niet zo goed of werd niet door zijn lezers gesmaakt.[1] Wel aanvaardde hij enige ‘redelijke koddigheden’ onder het motto ‘Tracht korte zotternij met oordeel te vermengen’.[2] Verder verdedigde hij zijn schrijfwerk tegen de kritiek van saaiheid, de reactie van de gewone man want die ‘houdt meer van lachen dan van leren’.[3] Toch valt op dat Van Effen regelmatig poogde wat ‘luchtiger’ te schrijven, met name in verzen, al dreef hij zelf vaak de spot met de ‘rijmverkopers’. Maar meestal bleef hij toch erg belerend en moraliserend. Over zijn stijl liet hij, via een lezersbrief, het volgende opmerken[4]: ‘Ten aanzien van de schrijvers der vertogen heb ik aangemerkt dat zij […] niet altijd deftig genoeg geweest zijn, terwijl zij soms beuzelingen en belachelijke zaken voorgesteld en soms deftige zaken al te lichtvaardig behandeld hebben. Wanneer de lezers zulks merken, denken ze licht dat de schrijvers zelf weinig indruk van hun voorstellingen hebben en daarom merken zij deze ook aan als zaken die hun opmerking onwaardig zijn. Geenzins is het mijn oogmerk dat men, als de leraren, op een vermanende wijze alles moet voorstellen; integendeel acht ik het best de kinderachtige malligheden waaraan de mensen verslaafd zijn en die hen verhinderen als vernuftige schepselen zich te gedragen, in hun belachelijkheid aan te tonen en deze openlijk ten toon en ten spot van het gewone volk voor te stellen’. De lezers kregen daarbij de volgende raad: ‘Dat zij niet moeten denken dat het oogmerk van de Hollandsche Spectator is, hen tweemaal ter week wat vermakelijks te laten lezen; dat ze zijn vertogen niet moeten aanmerken als een enkel tijdverdrijf, geschikt alleen om hen, onder het drinken van koffie of thee, eens helder te doen lachen; maar dat ze geschreven zijn tot hun nut, om hen te verbeteren’. Maar elders ging de auteur in op de ‘volksaard’ van de Nederlanders en hun behoefte aan vrolijkheid, al dreef hij de spot met de ‘grappenmakers van beroep’ (zie hierna volgende tekst).[5]



[1] Piet J. Buijnsters, Justus van Effen (1684-1735): Leven en werk (Utrecht 1992, p 124).

[2] De Hollandsche Spectator N° 67, 16 juni 1732.

[3] N° 84, 15 augustus 1732. Zie ook De Misantrope (1758) I p 417-418; III p 70-71, 186-187.

[4] N°147, 23 maart 1733; spelling aangepast.

[5] Justus van Effen, De Hollandsche Spectator, N° 169, 8 juni 1733. Tekst deels in modern Nederlands omgezet en ingekort. https://www.dbnl.org/tekst/effe001holl05_01/index.php. Het vertoog begint met het gezegde O lepidum caput, si cerebrum haberet van Phaedrus (Fabulae Aesopiae, I, 7, 2; de originele tekst luidt: ‘O quanta species inquit cerebrum non habet’). In een latere editie (1756) werd hieraan toegevoegd: ‘Welk een mooi hooft, had het maar harssenen’. In De Misantrope (1758, III p 187 ev) komt dit thema ook voor: ‘Goede verstanden scheppen geen groot vermaak in luidkeels te lachen’.

 

 

De Fransen zijn in een zeker opzicht het gelukkigste volk dat op de aardbodem te vinden is en men kan met waarheid staande houden dat de rijkste onder de meeste andere naties met recht jaloers kunnen zijn over de aangename voorrechten die door de armsten zelfs onder dat volk genoten worden. Deze bezitten door een ‘gunst der natuur’ een vrolijke vergenoeging hetgeen het beste is dat door schatten kan verkregen worden en dikwijls voor deze niet te koop is. […] De gesteldheid van de lucht die gemengd met de dikke uitwazemingen van onze moerassen wij Nederlanders gedwongen zijn in te ademen, maakt dat wij in dit opzicht ver bij onze luchtige naburen tekortschieten. Wij zijn juist niet zwaarmoedig gelijk de Engelsen, Italianen en Spanjaarden, doch wij zijn enigszins log. Wij zijn wat de vrolijkheid betreft hard van natuur; fijne aardigheden hebben geen kracht genoeg om ons te bewegen, en het moeten sterke koddigheden zijn en, om zo te spreken, op brandewijn gezet, die ons aan het lachen kunnen helpen. Wij voelen echter hoe aangenaam het is vrolijk te zijn, en hoe meer de vreugde ons humeur schijnt te ontvluchten, hoe groter dank wij weten aan lieden die ons deze weten te doen achterhalen, en die hun werk maken van in ons lichaam de behaaglijke stuip, die men lachen noemt, te verwekken.[1] Gelijk het nu natuurlijk is dat de meeste artsen gevonden worden waar de ziekten meest in zwang zijn, zo is het ook geen wonder dat nergens meer dan in ons vaderland lieden gevonden worden, die hun best doen, om in de algemene behoefte van vreugde hun goede medeburgers de behulpzame hand te bieden. Dat soort van volkje pronkt onder ons met de eernaam van snaken en ze zijn overal doorgaans zo welkom dat men er elkander op te gast nodigt en dat de hoop van zich dood te lachen een onfeilbaar middel is om iemand zelfs uit zijn zakelijke affaires tot een gezelschap te trekken. Ik wil hier niet spreken van lieden die snakerig zijn of die olijke snaken zijn als ze beginnen, en zelfs niet van een nationale koddigheid die eigen is aan velen onder ons, die met een stemmig en zelfs onnozel voorkomen, dat tot lachen niet te bewegen is, zich wezenlijke koddigheden als bij toeval laten ontglippen; wanneer ze een gezelschap daardoor verrast de lever zien schudden van lachen, houden ze zich alsof ze niet konden begrijpen wat er de reden van mag zijn. Deze koele manier van koddig te wezen heeft geen vat tenzij op diegenen die de natuur van de echte aardigheid kennen en dat getal is zo gering, dat men kan zeggen dat dergelijk soort van snakerij tot de algemene vrolijkheid weinig toebrengt, en bijgevolg de moeite nauwelijks waard is dat men er van spreekt. Ik zal mij maar ophouden met de zogezegde snaken der snaken, alias snaken van formaat, die er bij de hele wereld voor te boek staan, die met geen andere hoedanigheid bekend zijn, die er hun professie van maken, en van wie de blote aankondiging van hun naam in een gezelschap de gezichten reeds in een lachende plooi stelt. Deze fraaie geesten kunnen in verscheidene soorten verdeeld worden en ik denk door de uitvoerige beschrijving van enige hoofdkarakters het allernadrukkelijkst een denkbeeld daarvan te kunnen geven.



[1] In vertoog 321 (22 november 1734) wordt de stuip of convulsie van lachen vergeleken met de onbedwingbare neiging tot bewegen of dansen bij het horen van bepaalde muziek.

Ik heb de eer gehad van kennis te maken in mijn jonge jaren met de Heer Drollaard, en ik kan verklaren mij nooit beter in een komedie zelf dan in 's mans gezelschap vermaakt te hebben. 't Is waar hij had de ganse praat alleen, doch ik gunde hem van harte dat voorrecht, vermits al hetgeen ik en anderen zouden hebben kunnen voor de dag brengen mij als verlies voor de hand voorkwam; de loopjes, grapjes en vertelseltjes wachtten de ene na de andere niet. Daarbij was het meeste echt goed in zijn soort en het weinige dat in zichzelf juist niet veel om 't lijf had werd goed gemaakt door de natuurlijkste gebaren, tonen en veranderingen van gelaat, waardoor de meest geoefende Italiaanse acteurs smakeloze boertigheden weten te doen gelden. Ik kon mij niet genoeg verwonderen over zo een vloeiende vruchtbaarheid van geest, die vier à vijf achtereenvolgende uren als een enig ogenblik deden verstuiven. Daarbij moet ik bekennen dat zijn snakerijen gans niet kwaadaardig waren. De een of de ander werd nu en dan wel eens betrokken, gefopt en in de hinderlaag van een dubbelzinnig loopje gelokt, doch altijd zonder iets wezenlijks erbij te lijden, en op een wijze dat hij, wilde hij de naam niet verdienen van geen boerigheid te verstaan, de eerste over zijn nederlaag moest lachen. Ik zag er met ongeduld naar uit om onze snaak hoe eerder hoe liever weer te zien, en gelijk dat slag van mensen gans niet karig met hun gezelschap is, inzonderheid voor diegenen die er 't grootste behagen in schijnen te scheppen, genoot ik wel haast het zelfde geluk en dat zonder de geringste vermindering van vermaak. De derde keer zelfs had ik reden om mij wijs te maken dat zijn vorige koddigheden maar uit de slechtste dozen genomen waren en dat de beste hoe langer hoe meer te voorschijn stonden te komen. Doch in onze vierde bijeenkomst werd ik, hoe ik met de man ook vooringenomen was, duidelijk gewaar dat ik deerlijk bedrogen was. In het begin deed ik mijn best om mij te overreden dat onze snaak zich in geen goede luim bevond. Doch ik merkte wel haast dat het hem niet aan vrolijkheid maar aan nieuwe stof, om zijn goed humeur te oefenen, ontbrak. Alles wat hij te berde bracht, was opgewarmde kool en 't was met hem als een uurwerk dat afgelopen zijnde weer opgewonden moest worden om dezelfde gang te gaan. Zijn ganse voorraad van snakerijen was glad op en ik werd meer en meer overtuigd dat hetgeen ik voor een onuitputbare bron had aangezien niet anders als in een nauw bekrompen regenbakje bestond.

[Van Effen schetst dan sarcastisch het portret van de ‘snaken van professie’, de grappenmakers van beroep, die steeds met hetzelfde soort trukjes en grapjes de spot met iemand drijven.]

Hij maakt zijn meeste snakerijen voor de vuist weg en, al duurde 't gesprek een ganse nacht, zijn mond zou niet een ogenblik stilstaan. Men moet echter bekennen dat hij kwinkslagen voor de dag brengt die 't lachen van een eerlijk man verdienen. Hij moet daarom een onbepaalde levendigheid van geest hebben, zal men zeggen. Niet meer als duizend anderen, doch een zekere stoutmoedigheid die men, zonder hem zeer te verongelijken, onbeschaamdheid zou kunnen noemen, is hem als aangeboren. Zijn vlugheid wordt door geen ontzag niet alleen voor mensen maar zelfs voor eer of deugd wederhouden en gedwarsboomd. Zijn ganse eerzucht verenigt zich in de wens van voor een snaak bij uitstek door te gaan en van zijn mededingers de loef af te steken. Al wat er in zijn onbesuisde hersenen opkomt moet er uit. Hij geeft zich geheel en al over aan zijn verbeeldingskracht, en ik twijfel niet of hij staat soms, zo wel als anderen, verbaasd wegens de invallen die 't blinde geluk nu en dan eruit weet te schudden. [… Daarom] zal ik in 't vervolg eens enige staaltjes bijbrengen van de middelen die 't meest door hen aangewend worden om hun glorie te staven en te vermeerderen. En meteen zal ik pogen aan te tonen hoe men zich tegen hun aanvallen 't best versterken en deze 't veiligst afslaan kan.[1]

 



[1] Dit wordt verder uitgewerkt in vertoog 190, 21 augustus 1733.