Rijmverkopers

Heer Spectator,[1]

Niets heeft mij in al uw vertogen beter aangestaan, nog is mij zo goed in mijn kraam te pas gekomen, als hetgeen gij onlangs met zo veel minzaamheid hebt gelieven te schrijven aangaande de broodpoëten, voor wie gij geen minder achting schijnt te hebben dan voor andere brave winkeliers en hupse ambachtslieden. […]

Weet, Heer Spectator, dat ik van zins ben een kostersambt, dat ik op een dorp dertig jaren met eer bediend heb, te verlaten en in Amsterdam niet een dichtkraam of zelfs dichtwinkel, maar een aanzienlijk rijmmagazijn op te richten, waar ieder voor een redelijke prijs allerlei slag van gedichten, van welke trant of stof hij ze ook begeert, zal kunnen bekomen. Hetgeen geen klein gemak voor mijn toekomstige klanten zal zijn, is dat het onnodig zal zijn het werk enige dagen van te voren te bestellen, omdat ik reeds een ongelooflijke hoeveelheid stukken van allerhande trant en maat in voorraad gemaakt heb, waaruit ieder zijn gading kan kiezen en waaraan niets ontbreekt als de titel en de vereiste namen, zodat ze in minder dan een kwartier  aan de drukker zullen kunnen overgeleverd worden. Gij ziet daardoor, Heer Spectator, dat de verstandigste lieden, wanneer ze over zaken bij hen niet genoegzaam onderzocht redeneren, zo wel als een ander mis kunnen tasten, gelijk het u gebeurd is wanneer gij geopperd hebt dat de liedjesdichters alleen op de koop kunnen werken. Ik weet nochtans bij ondervinding dat het een dichter al zo makkelijk is voor de gaande en komende man allerlei poëtische waar te vergaderen, als het is voor een schoenmaker, die op de kermissen reist, zijn kraam te stofferen. In navolging van een geestrijk opschrift eertijds geplaatst voor dusdanige winkel, zou hij met recht op zijn luifel kunnen zetten:

          Hier verkoopt men verzen, hoog en laag, scherp en plat

          Passen ze David niet, zo passen ze Goliath.



[1] Vertoog 114 (28 november 1732) van Justus van Effen, Hollandsche Spectator. Tweede druk (Amsterdam: K. Van Tongerlo & F. Houttuin, 1756, p 636-637; tekst aangepast en ingekort); vertoog 106 (31 oktober 1732) gaat over de ‘broodschrijvers’ onder het motto ‘Op het uithangbord is geen staat te maken’; zie ook vertoog 97 (29 september 1732) en 114 (28 november 1732) over de ‘broodpoëten’ of ‘rijmverkopers’, te onderscheiden van de ‘echte’ poëten (vertoog 90, 5 september 1732; vertoog 210, 30 oktober 1733). Lees ook 'Hulp voor rijmknutselaars' VARIA

 

Wat moeite steekt er toch in om niet alleen op allerlei ouderdom van beide seksen, maar ook op alle verscheidene staten van de burgerlijke samenleving, verjaar-, bruilofts- en lijkgedichten toe te passen, en hiervan de prijs volgens hun stof en trant behoorlijk te schikken. Dit durf ik mij beroemen toegepast te hebben zodat ik verzekerd ben de vieste en keurigste koper ten volle vergenoegd uit mijn huis te laten vertrekken. Ik bezit reeds bijvoorbeeld een sortering van zo juist genoemde rijmwerken, bestaande in ruim zeshonderd stukjes, opgevuld met Bijbelstof en opgemaakt volgens de eenvoudige stijl van de goede Cats[1], hetgeen mijn eerste rijmwijze op ons dorp is geweest, en waarvan ik weet dat burgers en huislieden wel het grootste behagen in scheppen. En omdat ik weet dat men om klanten te krijgen ieder schoenen naar zijn voeten moet geven, en op de een wat meer als op de ander winnen, ben ik van mening deze voor een prijsje te geven, te weten voor een drie gulden ’t stuk, wat immers dolle koop is. Doch om mijn hoogzwevende verzen zich toe te eigenen zal men vrij wat dieper in de beurs moeten tasten, hoewel ze, tussen u en mij gezegd, mij op verre na zo duur niet komen te staan. Doch de kunst moet betaald worden, te meer omdat die hoogdravende trant meest van lieden gezocht word die het op een gouden dukaat niet aankomt, en men zal dat soort ook voor geen duit minder uit mijn handen krijgen. Gij zult mij daar gelijk in geven wanneer gij zult weten dat aangaande die rijmwijze de verhevenste hedendaagse poëten met mij vergeleken maar langs de grond kruipen en mij, wanneer ik eens aan 't klimmen ben, welhaast uit het gezicht verliezen. Ik heb ook, al zeg ik het zelf, hieromtrent wondere gaven weten te verkrijgen. […]



[1] Jacob Cats (1577-1760) door zijn veelal didactische gedichten bekend als ‘vader Cats’.

 

 

Wat nu betreft de stijl waarin al die wonderen er maar eventjes door heen moeten, daar heb ik een aardig loopje op gevonden dat niemand licht raden zou. Uit de schriften van de Agrippijnse Zwaan[1], uit die van Hooft[2], gelijk mede uit die van hun voornaamste navolgers, heb ik verzameld al de spreekwijzen die ik niet verstond en die bij gevolg, naar mijn oordeel een buitengewone rijkdom en kracht van zin moeten behelzen, omdat ze alles wat de lezer maar wil eveneens betekenen kunnen. Deze weet ik op elkaar te stapelen of, om beter te zeggen, doorheen te smijten, op zo een verbazende manier dat wanneer men hele stukken van mijn werken voor de eerste maal leest, men zweren zou dat men er iets in verstond, en dat men bij iedere herlezing een verdikte duisterheid in deze bespeurt, hetgeen ware kenners verrukken en vervoeren moet. Ik heb onder anderen een onbedenkelijke liefde voor het woord rinkinken, hetgeen, hoewel ik vermoed dat het afkomstig is van het uitslaan van glazen, op de grootste voorwerpen toepas en in al mijn hoogdravenste verzen te voorchijn komt alsof het door een gerechtsbode gedagvaard was. Indien ik bijvoorbeeld wil spreken van de pest, waardoor Constantinopel tegenwoordig besmet is, zou ik mij aldus uitdrukken:

          De wrede pest RINKINKT aan 't Hof van Constantijn.



[1] De dichter Joost van den Vondel (1587-1679) werd de ‘Agrippijnse Zwaan’ genoemd naar zijn geboorteplaats Keulen, in ’t Latijn: Agrippina.

[2] Pieter Corneliszoon Hooft (1581-1647), dichter, toneelschrijver en historicus.

Wat verder betreft de drollige versjes, die wel niet in lijkdichten te pas komen doch wel een zoete bijval hebben in verjaar- en bruiloftszangen, gelijk mede in liefdesbriefjes, beken ik dat ik daar juist niet zeer op gevat ben. Maar ik durf zeggen dat mijn oudste zoon daarin zijn meester niet kent. Niet alleen weet hij van buiten alle uitgelezen plaatsen die in de koddige Focquenbroch[1] en wel voornamenlijk in de holbollige Rusting[2] het meest de lezers de lever doen schudden. Maar hij is daarbij een licht kwantje van een levendige geest en dagelijks verkeert hij in zekere huizen, waar hij zonder ophouden een nieuwe voorraad van grapjes en spreekwoorden opdoet, die ten tijde van onze eerste vinders van drolligheid nog niet in zwang waren en die een ongelooflijke bevalligheid aan zijn stukjes bijzetten. In die rijmtrant is hij zo vaardig dat hij, zonder eens zijn lippen of nagels te bijten, in een paar uurtjes een stukje van enige honderd regels voor de vuist weg voor de dag weet te brengen, en ik twijfel niet of de kantoorknechten zullen hem overvloedig werk verschaffen en zijn goedje rijkelijk willen betalen.



[1] Willem Godschalck van Focquenbroch (1640-1670), dichter en toneelschrijver; zie http://www.focquenbroch.nl.

[2] De arts en dichter Salomon van Rusting (1652-1709); zie Gerrit Komrij, De drekpoëten: uit het werk van Salomon van Rusting, Jan Goeree, Hermanus van den Burg en consorten (2002).

Gij zult mogelijk bekommerd zijn dat door een gedurige aftrek mijn magazijn, hoewel goed voorzien, welhaast zal uitverkocht wezen. Doch zulks moet u en mij niet verontrusten. Ik heb een meesterknecht, die mijn broeder is en door mij zelf in de kunst onderwezen en geoefend, en vier andere knechten die alle mijn zonen zijn, en mettertijd zich in staat zullen vinden van mij tot waardige opvolgers te verstrekken. De jongste maakt reeds straatliedjes alsof hij met de wetenschap geboren was, en gij ziet nu wel dat, als wij maar tesamen met ijver doorwerken, het ons licht zal zijn te beletten dat bij gebrek van waren de nering zou vervallen. Doch omdat er lieden zijn die zich schamen zouden met gekochte verzen, als met eigen maaksel voor de dag te komen, zal ik een huis zoeken dat wat afgelegen is en waar men door een achterdeur in kan komen. En gij kunt wel denken dat ik mijn klandizie te lief zal hebben, om zelf dergelijke geheimen te ontdekken. Om de liefhebbers nog wat verder te voldoen heb ik besloten, zodra ik wat bij kas zal zijn, een eigen drukkerij op te richten en daartoe, om 't hoofdschrift van mijn werken keurig en aanzienlijk te maken, letters van een considerabele grootte en zwier te laten snijden, om deze niet alleen in 't zwart maar ook in 't rood, zilver en goud te doen drukken. Dit zal het gewone volk wonderlijk lokken. Ik verzoek u nogmaals mijn voornemen aan te willen prijzen en beloof u, zo gij zulks op 't krachtigste wilt bewerkstelligen, u wanneer gij verjaart, trouwt of sterft, een vers uit de beste doos te vereren.

Rijmelaars in overvloed

In zijn jarenlange correspondentie met Voltaire maakte Frederik de Grote heel wat verzen 'die een dagdromer in elkaar had geflanst'; zelf noemde hij zijn 'metromanie' (rijmwoede) ongeneeslijk.

 Ik rijm om te rijmen, maar ben ik een poëet,

Omdat ik zo goed weet waar ‘k komma’s plaatsen moet

En jong reeds aan die kwaal, die dichtersmanie leed,

Om een lied te dichten op voor- en tegenspoed?

Voltaire Briefwisseling met Frederik de Grote, 1736-1778. Vertaald en ingeleid door Hannie Vermeer-Pardoen (Amsterdam Van Gennep, 2007)

In Furetieriana of klemredenen (Amsterdam, Nicolaas ten Hoorn, 1711 p 111-120) vindt men een lang ‘Schimpdicht tegen de rijmende brabbelaars’, uiteraard zelf in rijm gezet…

“Jan Rymelzoet is een mislyk poëet. Van de kreupelste vaerzen maakt hy ’t meeste werk.” Citaat uit ‘Verhaal van zekere ontmoeting des schryvers met Jan Rijmelzoet’ in Verzaameling van ernstige en boertige mengelstoffen, in dicht en ondicht. Zesde en laatste deel (Amsterdam, Pieter Visser, 1734 p 224-232). In het tweede deel van deze reeks (Amsterdam, Bathazar Lakeman 1726 p 181-198) staat een ‘Reçept om een Heldendicht te maaken’. Zie ook de ‘dichtkundige recepten’ van Jacobus  van Oosterwijk Bruyn in Luimige dichtstukjes: tweede verzameling (Amsterdam, Westerman, 1830), ‘Rijmepistel’ van P.T. Helvetius van den Bergh in Proza en poezij (Deventer, A. ter Gunne, 1853), ‘Recept’ in Cornelis Loots, Nieuwe gedichten (Amsterdam, Johannes van der Hey, 1821) en ‘Aan de watersnood-poëten’ van P.A. de Genestet, Dichtwerken (Amsterdam, Kraay, 1869)

In zijn Oorlogszang en poëzyzang (1706) hekelt Matthias Bode de ‘waanwijze rijmer’ die ‘al moet zyn vaars op krukken gaan, zwelt noch om ’t hoofd van yd’len waan’.

Jacobus Bellamy (1757-1786) schreef een gedicht over 'een stoet van kreuple rijmers': hij was een tegenstander van de rijmpraktijken van de dichtgenootschappen ('rijmcollegies') en experimenteerde met rijmloze dichtvormen.

Zie ook 'Aan de prulrymers deezer eeuw' van Harmanus Asschenbergh in Poëzy (Amsterdam, Pieter Johannes Uylenbroek, 1793 p 257-261):

Des boekverkoopers post word met hun werk verëerd,

Met geestloos rym versierd, dat 's maakers domheid leert.

 

Rijmelaar Jan wil weten waarom men hem geen dichter noemt:

‘k Zal op uw vraag kort antwoord geven;

Dat gy in eeuwigheyt niet zult

Voor Digter worden in gehuld,

Staat vast, en voor uw hooft geschreven.

Jan gy hebt geen Poëten lot,

Die zyn meest kaal, gy ryk en zot.

Apollo's marsdrager, veylende allerhande scherpzinnige en vermakelyke snel, punt, schimp, en mengel-digten. Tweede deel. De 37. Druk. Op Parnas by Valerius Martialis en D. Junius Juvenalis, in compagnie, 1721 p 159-160

Aan Rimarus

Gy hebt my, netjes ingebonden, 

Uw verzen ten geschenk gezonden:

't Zyn meesterstukken, zo 'k vertrouw;

Maar 'k wil ze opzettelyk niet lezen,

Dewyl ik reden heb te vrezen,

Dat ik dan anders denken zou.

Aan Versifex

Omdat ge uw verzen vloeijend schryft,

Begeert gy dat we u dichter heten.

Maar kan men, met een goed geweten,

Een' jongen, die de verven wryft,

Wel schilder heten?

P.G. Witsen Geysbeek, Puntdichten (Amsterdam, C.L. Schleijer, 1834)

 

Dirks dichten

Dirk heeft zijn werk aan een gelijmd,

met lamme, tamme, klamme woorden.

't Is het zotste boek dat ik ooit hoorde,

en evenwel niet ongerijmd.

(Constantijn Huygens)

 

Dewijl ik niet te doen heb, a's maar wat te slapen,

Of dutten in een hoek, of by de straat te gapen

Zoo is 't dat my de tijd, van ledigheyd verveeld,

Waar door het my by na, heel niet of weynig scheeld,

Of 'k stel mijn Breyn-pot, voor de ledigheyd aan 't rijmen

Dog 'k weet niet, wat voor Veersen ik aan een zal lijmen,

Nogtans zoo is mijn kooker wel met inkt belaan,

Om mijn dorstige pen, heel zwanger te doen gaan,

Tot Letter-baringe, dies moet ik wat verzinnen

Van 't oude nieuws! Ey stil: daar schiet my wat te binnen...

(Uit Pans Fluytje, 1706 p 149; zie Pans Fluytje)

Zes uur heeft reeds de klok geslagen,
'k Laat kaarsen in myn kamer draagen:
Nu zit ik voor myn tafel neêr,
Juist of ik verzen wilde maaken,
Die spoedig moeten klaar geraaken; 
Want morgen zit 't genootschap weér: 
Ja, morgen! kom, fluks op de proppen !
'k Zal echter nog myn pyp eens stoppen;
Nu nyp ik eens myne oogen toe,
Om onderwerpen uit te denken;
't Is of het donker die moet schenken:
Kom aan maar! .. 'k ben van 't denken moé.
Stil .... wacht.... ja, ja, 'k heb 't al gevonden,
Daar komen de eerste regels aan:..

(Paul François Roos, Myne vaersen-maakery, 1789)

 

Onlangs zat ik, op een' morgen,

 In mijn nachtjapon, te peinzen

Op een onvoorbeeldig lofdicht:

Maar, helaas! 't was alles vrugtloos;

 Want mijn dichtaêr wou niet vloeijen.

 Jan Willem van Sonsbeeck in Jeugdige gedichten van Gerrit van Lennep (Leiden, 1794)

 

Op Willem de puntdichtmaaker

‘t Is vies, zey Kô, dat Willem, als hy een Puntdicht maakt,

 Dat elk steekt in de hand, om 't als wat fraays te leezen;

 't Is zomtyds duyvels stomp, en 't wil een Puntdicht weezen

 Dat is onnozel, Kô, zey Jan, dat gy dat wraakt,

 Dat 's zyn gewoonte zo, en reeds een oude trant,

 Hy steekt zyn Meyd zelfs wel een Puntdicht in haar hand.

 Jan Goeree, Mengel-poëzy (Amsterdam, J. Pauli & De Janssoons van Waesberge, 1734)

 

In zijn ‘boertige mengeldichten’ drijft Abraham de Haen (1751) de spot met de broodrijmelaars (‘Elk tracht naar voordeel’). Heel geestig is ook zijn discussie met een vriend over het maken van een bruiloftsdicht, waaruit volgende passage:

Weg! weg! 't is malligheid: de Hollanders wennen zich thans zotte modes aan:

Trouwt 'er een Paar, terstond moeten al de Poëten en Rymers in slagorden staan;

Men rymt by Folianten vol, hoe dikker hoe fraaijer; net of het jonggetrouwde Paar

Geen' zegen kon hebben, of niet wist wat hen te doen stond zo ‘er per ongeluk niet gerymeld waar

 

Frans van Steenwyk schreef een ‘Hekeldicht tegen de bruiloftsvaerzen’ blijkbaar gericht tegen zijn eigen ‘Huwelijkszangen’ die 50 bladzijden beslaan van zijn Gedichten en andere geschriften (1789)!

 

Poëetjes met duisenden, Redenrijkers met honderden, en Broodrijmers by dikte, uitwijsende selfs, en bysonder tot Amsterdam, die borretjes, van hier RYMTMEN OM GELT, daar den overaardigen W.G. Fockenburg, geen kleintje in sijn tijd over geklaagt heeft, hebbende niet lang geleden hier mede in den Haag, voor een Boekdrukkers deur, diergelijke borretje gehangen, onder welk getal ik mijn leven niet ben geweest: Maar wil wel bekennen, dat dikmaals, om eerlijk aan de slemp te raaken, tegens mijn dank een Versje uit den hals heb moeten wringen, ende of nu de Rijmtjes, die delicaatheid, die daar in een goet Veers vereyscht werd, hebben, geloove ick niet, en of sy al even wel, sonder die vereischte qualiteiten het drukken waardig zijn of niet, scheelt my niet veel, also, gelijk als gezeit is, deselve tot vermaak en enkel tijdverdrijf hebbe gemaakt, en tot mijn eigen gemak laten drukken… Pieter de Neyn, in zijn voorwoord ‘Aan de hedendaagsche voorname poëten’ (in Vrolyke uuren, bestaande uit verscheide soorten van mengel-digten; Amsterdam, Jan Bouman, 1681 p 9-10), besefte dat ‘poëet’ in zijn tijd ook een scheldwoord kon zijn!

Hermanus van den Burg liep zelf niet hoog op met zijn Mengel-poëzy (1718) en besefte de drijfveer van zijn werk:

Gereedschap voor eenen dichter

Zo noodig als het zwaard is in eens Krygsmans hand,

Zo noodig is het geld een Dichter in dit land.

Verder vroeg hij zich af:

...wat 't wezen mag daar zig myn hart meê kwelt?

Rechtschapen Gek, die my niet anders doet als plaagen,

Antwoord my slechts een vraag, die b'antwoord al uw' vraagen.

Hoofd zonder Harsenen! waarom heb ik geen gelt?

Gottlieb Wilhelm Rabener publiceerde een lijst van gedichten (met prijsopgave) die men bij hem kan bestellen waaronder: ‘Twee douzyn Klinkdichten van verscheiden inhoud, in welken het laatste vaers altoos het schoonste is, dewyl de genegen Leezer daar ophouden kan’! (Verzameling van hekelschriften – Tweede deel (Amsterdam, Pieter Meyer, 1765)

 

De sotheydt van de vochtighe dichters

Keulsche drancken, Spaensche druyven,

Doen aen kant de sorghe schuyven,;

laeghen alle smert en wee,

In het midden van de Zee.

Gheest, verstandt sy gansch verlichten,

En nut maecken tot het dichten;

Vol van Veersen is den kop,

Als hy vol is van dit sop.

Wilt ghy dan een Rymer wesen,

Van een-ieghelyck ghepresen?

Hy houdt veel van een teughsken wyn,

Laet het water, water zyn.

 

Joannes De Leenheer (Tooneel der sotten, 1669)

Rijmziekte

Simon van Beaumont heeft het in zijn Rym-spreucken (1630) over de rijmziekte die gelijkt op de 'Spaanse pokken' (syfilis):

Je moet het publiek niet belasten met je rijmkoorts meent Pieter Huisinga Bakker in zijn Poëzy (1773): “Een dichter kan erkennen, dat hy met eene aenhoudende rymkoortse gekweld zy, zonder dat hy voorhebbe het gemeen met zijne kwaele lastig te vallen.”

 

Ach! de ergste ziekte, kwaal of wond,

de beet zelfs van een dolle hond

zijn nog, zoals men dikmaals ziet,

geneesbaar, maar de rijmzucht niet.

 Zij voert hen langzaam naar het graf,

 maar zet hen eerst aan ’t dolhuis af.

 Daar vallen zij in razernij,

en razend, rijm’lend, sterven zij!

P.T. Helvetius van den Bergh, ‘Rijmepistel’ in Proza en poezij (Deventer, A. ter Gunne, 1853).

 

<Zie ook Schrijfjeukte

 

Gedichten van Roelof Arends den jongen (1757)

Rijmdrift

Gewis, bij al het heir der rampen, die ons plagen

Is krankheid in het brein het moeijelijkst te dragen,

Maar in die krankheid zelv nogtans is trap en maat;

De rijmzucht is wel 't ergste en ongeneeslijkst kwaad.

De heelkunst heeft nog niets, in deez' verlichte stonden,

Tot stuiting van dees pest, die rondom raast, gevonden:

De inenting is gewaagd, het kwaad mogt verder gaan;

Ook biedt elke eeuw daartoe de juiste stof niet aan;

Bedreiging is dan 't best', straf moet het kwade keeren

Men doeme elk’ rijmelaar, die ’t prulschrift help vermeêren,

Dat hij zijn lompe vrucht, op driedik perkament

Gedrukt, door 't keelgat zwelg en zoo țen lijve zend:

Is hongersnood zijn Muze en stemt zij zijne zangen,

Zoo zwaar een brokje paait het krijtendste verlangen;

Of bruischt zijn geest slechts op, door eerzucht overkropt,

Dan wordt door zulk een dam die welling 't eerst gestopt.

 

Aan het slot bekent de rijmelaar deemoedig:

 

Dan, hoe! 'k hervind mij hier, geperst mij zelv te wraken:

Wat trotschheid! ... past het mij, dus andren streng te laken?

Mij! die ook meê den sleep van 't zangrig volk vergroot,

En op mijn beurt een bui van rijmen nedergoot?

Neen, schaamte sluit mijn' mond, 'k word' door mij zelv' verwezen

Te heelen eigen kwaal, eer 'k andren wil genezen

Een wel te stoppen, die 'k in 't stroomen elders stuit

En zelf ontspringen doe, met een herboren spruit;

Ja, hier, terwijl ik vlugt voor de ongestuime vlagen,

Die op mijn kruin een vloed van lettren nederjagen,

O dwaasheid! heeft mijn hand een gieter zelf gevat,

Waaruit ze in al den stroom nog mee wat dropplen spat.

Cornelis Loots, ‘De rijmdrift’ in Gedichten - derde deel (Amsterdam, Johannes van der Hey, 1817) p 130-142.

Vier dagen voor zijn dood, in het laatste nummer van zijn Amsterdamsche Merkurius (1722), een geheel berijmd nieuwsblad, beklaagt de ‘broodpoëet’ Jan van Gijsen zich erover dat hij met besteld dichtwerk blijft zitten en nog wacht op zijn geld:

Drie Digten heb ik nu in eene week gemaakt,

Van welke alle drie het haalen is gestaakt.

't Is eenmaal lang genoeg: ik zal te kenne geeven

Waar op zy zyn gemaakt, en uyt wiens last geschreeven.

Daar zit ik dagen lank, en schryf voor weer en wind,

Met myn oud zieke lyf, myn zelven stom en blind.

Gy die 't vermogen hebt komt uw Gedigten haalen,

Of ik zal u met schaa en schanden doen betaalen.

Verwagt uw Naamen eerst op 't wit papiere veld,

En in het eynd zal dog de boodschap weezen geld

In de Samenspraak gehouden in de and’re Waereld, tusschen Jan van Gyzen, en eenige and’re versturve Poeëten (1722) wordt Van Gijsen postuum belachelijk gemaakt.

Rijmzwangerschap

De veelschrijver Gerrit Paape bekende in zijn biografisch boek Mijne vrolijke wijsgeerte in mijne ballingschap (1792) dat hij regelmatig zwanger was van poëzie: “Vermits ik waarlijk verlegen werd bij mij zelve, om de waereld met zulk een zundvloed van gedigten, die allen, (wat dan voor 't overige ook hunne waardij mag wezen!) zo zeer na elkander zweemden, te overstroomen, en ik evenwel, gelijk een hoogzwangere Vrouw, genoodperst werd, om te baaren, stootede ik nog dat zelfde jaar een ander rijmwerkje, zonder mijn naam, in de waereld…”

Misverstand

Dit wordt een droef gedicht. Ik weet niet goed

waarom ik dit geheim ophoest, maar sinds een maand

of drie geloof ik meer en meer dat poëzie

geen vorm van naastenliefde is. Eerder een ziekte

die je met een handvol hopeloze idioten deelt,

een uitgekookte klacht die anderen vooral verveelt

en 's nachts - een heelkunst is het niet.

De kamer blijft een kamer, het bed een bed.

Mijn leven is door poëzie verpest en ook

al wist ik vroeger beter, ik verbeeld me niets

wanneer ik met dit hoopje drukwerk vierenzestig

lezers kwel of, erger nog, twee bomen vel.

Menno Wigman in Zwart als kaviaar (Amsterdam, Bert Bakker, 2001); geciteerd in Kees Fens, Het lichte gedicht (Amsterdam Podium, 2002 p 60).