Achab en Izebel

Achab regeerde rond 900 v.Chr als koning van het toenmalige tienstammenrijk ten noorden van het koninkrijk Juda. Zijn geschiedenis wordt beschreven in het Oude Testament. Hij huwde met Izebel, de dochter van de koning van Tyrus, die bewerkte dat de aanbidding van de ‘afgodische’ Baäl bevorderd werd. Volgens het Bijbelverslag maakte Jehu als koning van Israël een einde aan het bewind van Achab. Izebel werd daarop koningin-moeder en ondervond sterke tegenkanting van de priesters uit het koninkrijk Juda. In het Bijbelboek Koningen wordt ze geschetst als een gemene heerszuchtige vrouw, die 'ondanks de goddelijke wetten en ten koste van alles haar zin doorzet'. Na de dood van Elia, de profeet en religieuze rivaal van Achab en Izebel, organiseerde zijn opvolger-leerling Elisa een militaire coup door koning Jehu die ervoor zorgde dat Izebel gruwelijk vermoord werd. De bijbelse boodschap in dit verhaal: ‘Jehovah ziet alles, en als mensen slechte dingen doen zal hij ze uiteindelijk straffen’.

Op deze geschiedenis baseerde Dietz zijn bijbels treurspel in verzen ‘Achab en Izebel’ dat in 1919 gepubliceerd werd in het tijdschrift Onze Eeuw.[1] Het werd echter nooit opgevoerd en zou tot na zijn dood opduiken in polemieken. Een eerste teken van leven kwam er pas acht jaar na de publicatie. Op een bijeenkomst van de Bond van Nederlandse Toneelschrijvers, 8 februari 1927 in de Haagse kunstzaal Esther Surrey, droeg de voordrachtkunstenaar Willem D. Niestadt het treurspel van Dietz voor.[2] Daags na de voordracht verscheen, onder de kop ‘Achab en Izebel – een ongelukkig toeval’, een vernietigende kritiek van Luc Willink in Het Vaderland:[3]

’Achab en Izebel’, het drama van dr. P.A. Dietz, werd voorgelezen – werd zéér goed en met een fijne litteraire gevoeligheid – voorgelezen door den heer W.D. Niestadt, die het daarmee eigenlijk meer eer bewees, dan het verdiende. Immers: dit stuk, dat zijn dramatisch gegeven: de dienaar, die zijn meester doodt, in het geheel niet gebruikt, maar alleen in woorden, woorden en nogmaals woorden (boekentaal) nutteloos laat afvloeien – is geen tooneel. Het is bedacht, bestudeerd, uitgewerkt, maar het is niet meesleepend, het is zelfs niet litterair. Het is een ijverig werkstuk, vol goede zorg, vol ernst en toewijding, maar het is – en dàt is het ergste! – vervelend. Er was geen enkele regel in, het citeeren waard, er was geen scène in, die ’t op ’t tooneel zou ‘doen’ en de gebeurtenissen (die de schrijver ontleende aan 1 Koningen XX-XXII en 2 Kon. IX en 2 Kronieken XVII) zijn op die plaatsen in veel en veel schooner taal en veel en veel grooter beeldende kracht te vinden



[1] Onze Eeuw – Maandschrift voor staatkunde, letteren, wetenschap en kunst 1919 (19/3) p 200-225 & 249-301; https://www.dbnl.org/tekst/_onz001191901_01/_onz001191901_01_0050.php#53

[2] Haagsche Courant 3 feb 1927; Algemeen Handelsblad 4 feb 1927.

[3] Het Vaderland, staat- en letterkundig nieuwsblad 9 feb 1927. Luc Willink (1887-1976) was vaste recensent van Het Vaderland, met name van toneel en film.

Een maand later uitte August Heyting, de secretaris van de Bond van Nederlandsche Tooneelschrijvers, zijn ongenoegen over de miskenning van zijn vereniging in een boze brief met daarin volgende opmerking:[1]

Dr. Paul Dietz, eveneens lid van den Bond, zond den heer Walch zijn treurspel ‘Achab en Izebel’ en kreeg ten antwoord: ‘Ik heb uw stuk met genoegen en vaak met bewondering gelezen, en zond gelijk met dezen brief een brief aan de directie van Het Schouwtooneel om ’t haar warm aan te bevelen. Uw werk is vol van mooie gezegden, belangrijke gedachten, er is waarlijk een tragisch gevoel in’. Het stuk werd niet aangenomen.

Dezelfde Heyting spuwde later nog eens zijn gal in zijn boek Het Nederlandse toneel in de branding (1941):[2]

Het gaat bij den kunstenaars op ander gebied evenzo, en nog het ergst den toneelschrijvers. Want onze pers en de toneeldirekteuren zijn zo vriendelijk mede te delen, dat wij niet bestaan. […] Nog kwaadaardiger werd gehandeld met het beslist geniale drama Achab en Izebel van Dr. Paul Dietz. Een voordracht van dit werk door wijlen Willem Niestadt werd door Luc. Willink in Het Vaderland schimpvol afgemaakt, gepaard aan de scherpste verwijten aan de Bond. […] Aldus werd door achterbakse manieren een stuk reeds van te voren om hals gebracht, dat tot de voortreffelikste dicht- en toneelwerken onzer letteren behoort en de waarde van vele opgeschroefde poëziebundels te boven gaat. Na zovele jaren is Dietz’ echtgenote overleden en heeft de vreugde niet mogen beleven, het werk van haar man, dat haar trots was, te zien opvoeren. Ba! Is dat een bende in ons land! Dietz heeft sinds lang, naar ik vernam, het ontwerp liggen van een voornaam werk, maar hij heeft dit nooit meer aangevat.



[1] Het Vaderland 7 maart 1927. Het betreft een polemiek met Jan Walch, destijds privaat-docent in  Leiden en dramaturg van Het Schouwtoneel in Amsterdam. Heyting zelf was een controversiële figuur die zich vaak miskend voelde: https://www.nederlandsepoezie.org/dichters/h/heyting.html

[2] August Heyting, Het Nederlandse toneel in de branding (Den Haag, Trifos, 1941, p 18).

 

Van de filosoof en classicus Karel H.E. de Jong (die in 1939 Dietz zou opvolgen als privaatdocent parapsychologie in Leiden) verscheen in Het Vaderland van 14 oktober 1937 volgende brief:

Terecht is er in uw Avondblad van Woensdag l.l., naar aanleiding van het 25-jarig doktersjubileum van onzen stadsgenoot dr. P.A. Dietz, gewezen op zijn groote verdiensten als parapsycholoog en wij hopen van ganscher harte, dat hij ook verder in die richting met succes moge werkzaam zijn. Er is echter meer. Dr. P.A. Dietz munt ook uit door literaire begaafdheid. In zijn treurspel ‘Achab en Izebel’ […] heeft hij, zooals ondergeteekende in het gedenkboek ‘Na tien jaar’ (1934)[1] p. 316 opmerkte, ‘op geniale wijze poëtischen gloed met philosophisch inzicht weten te vereenigen’. Maar evenzeer is het, zooals in hetzelfde boek p. 326 te lezen staat, zeer spijtig ‘dat het n.l. in onze dagen veel minder moeite kost, drie drama’s te schrijven, die al het voorafgaande in de schaduw stellen, dan één er van opgevoerd te krijgen’. Ook Dietz’ voortreffelijk treurspel wacht nog steeds op opvoering.

Dat het nooit tot een echte opvoering van dit bijbels drama kwam lijkt me niet zo verwonderlijk.[2] Al was de kritiek van Luc Willink in Het Vaderland van 1927 ongemeen scherp, toch geef ik hem gelijk op enkele fundamentele punten. Het werk is vrij langdradig en statisch, meer een woordenspel dan een toneelstuk, in een gekunstelde en gezwollen taal die zeker vandaag niet meer te smaken is.

 



[1] Na tien jaar. Bond van Nederlandsche Tooneelschrijvers 1923-1933 (Delft, G. Niessen, 1934).

[2] In Wetenschap van gene zijde. Geschiedenis van de Nederlandse parapsychologie in de twintigste eeuw (Proefschrift Universiteit Utrecht, 2016 p 160) meldt Ingrid Els Kloosterman van Dietz “een aantal toneelstukken die ook werden opgevoerd, waaronder een uitvoering van het Bijbelverhaal ‘Achab en Izebel’ die in cultuurkringen nog enige discussie opleverde”. Maar buiten de hierboven besproken informatie kon ik geen aanwijzingen vinden voor andere op- of uitvoeringen.