Sterrenzaaisel van Brahma

In maart 1941 stond in Het Vaderland en De Telegraaf geadverteerd:

Verschenen bij Albani te ’s-Gravenhage Sterrenzaaisel van Brahma door den bekenden zenuwarts Dr. Paul Dietz. Ook in den boekhandel verkrijgbaar. Prijs gebonden f 3,50.

Albani drukkers (in 1809 opgericht door de broers Giunta d'Albani) was de op één na oudste drukkerij in de binnenstad van Den Haag en gedurende enkele decennia functioneerde het bedrijf ook als uitgeverij. Dit boek was echter een buitenbeentje want ze gaven vooral technische of juridische publicaties en studieboeken uit. Hoe kwam Dietz bij deze drukker-uitgever terecht? Hij had immers voorheen een reeks parapsychologische boeken laten verschijnen bij bekende uitgevers zoals Meulenhoff, Servire en Leopold. Misschien wilde hij bewust zijn literair werk scheiden van zijn professionele publicaties, had hij een persoonlijke band met iemand van Albani, of was zijn ‘bekendheid’ een voldoende argument voor de uitgever? Deze laatste heeft het zich niet beklaagd, vermoed ik, want in 1946 kwam er een ‘tweede vermeerderde druk’.[1]



[1] Hoofdstukken: Het offer van Shiwa, De berg van den heiligen dood, Parysatis, Het andere portret van Isobela Barberini, Aniota, De diamanten fetisch, De millionnair, Aladdin en zijn wonderlamp, De zucht van het oerwoud, De dood van Keizer Krisjaan, Wederdoopers in Nederland, De legende van den hoogen Rabbi Löw, De verzoeking van Pater Martinus, Het bloedwonder. De laatste twee werden in de tweede druk (1946) toegevoegd.

De boektitel verwijst naar het eerste verhaal, Het offer van Shiwa, waarin Brahma de Schepper sterren op aarde wierp in een glanzend zaaisel: “Vonken des hemels, vonken mijner ziel zal ik planten in de aarde, die mij lief is. Opdat zij zullen wassen en opbloeien uit haar stof, tot goden van verre tijden”. [1] Brahma is in de hindoefilosofie de God van creatie die samen met Vishnoe, God van onderhoud en bescherming, en Shiwa, God van vernietiging, de goddelijke Hindoe-drieëenheid vormt. Het stadje Sravanabelagola in de Indiase deelstaat Karnataka is vooral bekend als heiligdom van de jaïnistische religie die o.a. geweldloosheid predikt en verlossing door ascese. Dit laatste is het hoofdthema in het verhaal De berg van den heiligen dood.[2] Het was meer dan honderd jaar geleden dat de vrijwillige hongerdood van de keizerlijke asceet Chandra Goepta nog navolgers had gekend.[3] Toen werd bekend dat een jonge vrouw, Saroedjini, door zelfuithongering en wedergeboorte de liefde van haar man hoopte te herwinnen. Deze ‘barbaarse bijgelovige’ werd daarop opgenomen in het christelijk hospitaal waar ze op doktersbevel kunstmatig gevoed werd. Op een nacht droeg het ‘inlands personeel’ haar stiekem weg naar de heilige berg. “En zoo trad Saroedjini, naar haar wensch, de schaduw van den grooten God binnen op het heilige altaar van Shiwa.”[4]

Beide verhalen zijn typerend voor wat ik de exotische verzameling in dit boek zou noemen. Dat soort verhalen speelt zich af in Azië of Afrika. In Aniota draait het verhaal van moord en wraak rond tovenarij, bijgeloof en het optreden van de zogenaamde ‘luipaardmensen’ uit Kongo. Ergens in Afrika, mogelijk in hetzelfde Kongo, speelt zich De diamanten fetisch af. De (Belgische?) kolonist Frans Latour merkt dat zijn zwarte huisjongen een poppetje met schitterende diamant bij zich draagt maar niet af wil geven omdat die fetisch hem beschermt. Frans worstelt met de wens dat de jongen dood zou gaan en op een dag valt deze in een ravijn… Op Sumatra meent Alex Martin, De millionnair, plots rijk te zijn wanneer hij een olifantenkerkhof ontdekt (“de kostbare slagtanden, bij honderden lagen ze er voor het grijpen”). Bedreigd door ‘de moedergeest der olifanten’ ontwaakt hij dan uit zijn nachtmerrie! De zucht van het oerwoud is nog zo’n exotisch verhaal, waarin bosgeesten hun nood klagen over de ‘witte mensen’ die het woud vernietigen om er theeplantages van te maken. Deze ‘exotische’ verhalen zijn duidelijk geïnspireerd door zijn eigen ervaringen tijdens zijn verblijf als bioloog in Sumatra (1914-1915). “Het leven tussen de daar aanwezige Nederlanders beviel hem echter uitermate slecht. Hij hield een serie lezingen over de figuur en het werk van Dante, maar bij de sociëteitsleden viel dat al even slecht in de smaak als zijn beschouwingen over Indische mystiek en occulte verschijnselen. Hij trok zich geheel terug en verdiepte zich in de literatuur van de archipel. Verschillende van zijn later geschreven novellen getuigen daarvan”.[5]



[1] Sterrenzaaisel van Brahma p 6.

[2] Voorheen gepubliceerd in het maandblad Het nieuwe leven 1934 (19) p 87-94.

[3] Dietz had al gepubliceerd over wonderbaarlijke gevallen van zelfuithongering: ‘Eenige gevallen van asitie in de Nederlanden’ in Tijdschrift voor Parapsychologie 1930-31 (3), 193-202.  

[4] Sterrenzaaisel van Brahma p 20.

[5] Rico Bulthuis, ‘Dr. P.A. Dietz’ in Wereldzicht der parapsychologie (Den Haag, H.P. Leopold, 1954) p 179.

 

Een tweede soort verhalen in dit boek zou men historisch van aard kunnen noemen.[1] Door te huwen met haar halfbroer Darius werd Parysatis koningin van het Perzische rijk. Ze was betrokken in allerlei paleisintriges. Een hiervan vormt de basis van het verhaal Parysatis: na de dood van Darius trachtte ze de jongste zoon Cyrus op de troon te krijgen in het nadeel van de oudere Artaxerxes.[2] In Het andere portret van Isobela Barberini leidt de schilder Tibaldo een dubbel leven. In het palazzo Barberini schildert hij het portret van de beeldschone Isobela op wie hij verliefd wordt. In zijn eigen werkkamer verschijnt ze als een levensechte schim die hij opnieuw portretteert. Isobela sterft echter aan een geheimzinnige ziekte en Tibaldo trekt zich terug in een klooster. Jaren later staan de kunsthistorici voor het raadsel van de twee bijna identieke portretten… Dietz situeert dit verhaal in Padua, ergens in de renaissance (14-16de eeuw), en lijkt daarvoor wat fictieve namen bijeengesprokkeld te hebben zonder daadwerkelijke historische samenhang.[3] Misschien zit er een stille wensdroom verscholen in het slot van dat verhaal wanneer Dietz vermeldt dat het bijzondere portret het voorwerp van een dissertatie werd van een ‘veelbelovend jong kunsthistoricus’ wiens werk niet alleen getuigt van ‘buitengewone vlijt en scherpzinnigheid’ maar ook van ‘echt wetenschappelijke zin’! In een voetnoot bij De dood van keizer Krisjaan merkt Dietz op: ‘Onhistorisch. Gemodelleerd naar de figuur van Henri I, keizer van Haïti, die echter bij een opstand het leven liet’. Omdat het verhaal vooral om de invloed van voodoo gaat, zou men het ook bij de ‘exotische’ kunnen rekenen.

Duidelijk historisch geïnspireerd is het driedelige Wederdoopers in Nederland. Hier blijft Dietz dichter bij de bekende geschiedenis van de ‘naaktlopers’, een radicale vleugel uit de beginperiode van de Reformatie, die de kinderdoop verwierp en alleen waarde hechtte aan de doop van volwassenen. In 1535 liepen aanhangers in Amsterdam naakt de straat op om hun medeburgers tot boetedoening op te roepen. Vele figuren die Dietz evoceert maakten daadwerkelijk deel uit van de geschiedenis van de anabaptisten: Dirk de Snijder, de ‘profeet’, was een van de leiders van de wederdopers,  Johan Beukelszoon (Jan van Leiden) een rondtrekkende prediker van de sekte, en Jan van Geelen een aanhanger die voor een gewapende opstand in Amsterdam zorgde.[4] Jan van Leiden had zich ook uitgeroepen tot koning van het kortstondige wederdoperse koninkrijk in Münster. De katholieken werden er verbannen en bij deze geschiedenis hoort het verhaal De verzoeking van pater Martinus. Een laatste historische inspiratie vinden we in het slotverhaal, Het bloedwonder, over de jodenvervolging in de 14de eeuw in Passau. Dietz doelt hier vermoedelijk op gruwelijke feiten in het naburige Beierse plaatsje Deggendorf waar in 1337 Joden levend verbrand werden vanwege het zogenaamd ontheiligen van de heilige hostie. Het beeld van een ‘waanzinnige’ jood die het gelaat van de gekruisigde Christus aanneemt en zelf begint te bloeden, doet denken aan een artikel dat Dietz schreef over stigmata.[5]



[1] Volgens zijn schoonzoon Rico Bulthuis had Dietz eigenlijk historicus willen worden: Rob Nanninga, ‘Een nuchtere romanticus – De occulte avonturen van Rico Bulthuis’ in Skepter 1994 (7.4).

[2] Aan het slot van dit verhaal geeft Dietz zelf een ‘historische toelichting’.

[3] Klooster van St. Dominicus: in Padua bestond er lange tijd een dominicaans klooster van Sant'Agostino. Schilder Tibaldo: Pellegrino Tibaldi was een Italiaans kunstschilder en architect uit de 16de eeuw. Isobela Barberini: de Barberini’s hadden een lange geschiedenis en groeiden in de 17de eeuw uit tot een invloedrijke adelijke familie met een bekend palazzo in Rome. Graaf Colleoni: Bartolomeo Colleoni was in de 15de eeuw een bekende ‘condottiero’ die kapitein-generaal werd van de Republiek van Venetië.

[4] Bij bepaalde passages lijkt Dietz vooral inspiratie geput te hebben uit Jan Wagenaar, Vaderlandsche historie – Deel 5 (Amsterdam, Isaak Tirion, 1751).

[5] ‘Over gestigmatiseerden en stigmata ‘ in Vragen van den dag, maandschrift voor Nederland en koloniën, 1932 (47) p 685-708; zie ook ‘Stigmatisatie bij Paul Diebel’ in Tijdschrift voor Parapsychologie, 1931 (3) p 145 ev.

Aladdin en zijn wonderlamp is een buitenbeentje in deze bundel, zowel qua inhoud als stijl. Aladdin, ‘in rechte lijn de dertiende afstammeling van de beroemde schoenmakerszoon uit de Duizend-en-een-Nacht’, stelt vast dat na vijfhonderd jaar trouwe dienst de geest uit zijn wonderlamp niet langer wil gehoorzamen. De revolutiekreet – ‘Proletariërs van alle werelden verenig u!’ – wordt nu ook opgevolgd in sprookjesland. De geest weigert niet alleen verdere dienst maar gooit de lamp aan diggelen en verdwijnt voor altijd; ‘en Aladdin hoorde hem nog even luidkeels de internationale aanheffen’. Dit grappige verhaal vol ironie – spot met communisten, freudianen en zelfs parapsychologen! – komt voor als een late echo van dat andere buitenbeentje in de boekenproductie van Dietz: De nieuwe lof der zotheid (1935).

Buiten Aladdins wonderlamp zijn alle verhalen van Sterrenzaaisel van Brahma in een wat archaïsch aandoende stijl geschreven, met lange volzinnen, plechtige uitweidingen en barokke sfeerschetsen, zodat ze nu toch grote inspanning vergen om het lezen vol te houden. Zowel in de ‘exotische’ als ‘historische’ verhalen klinkt een nostalgie door naar verdwenen tijden en ongerepte (niet-westerse) culturen of een verontwaardiging over het miskennen van de krachten van (bij)geloof. De meeste novellen zijn ook zwaar op de hand en handelen vaak over schuld, straf en vooral de dood. Mogelijk overschaduwde het overlijden van zijn vrouw in 1939 nog de algemene gemoedsstemming van de schrijver. Uiteraard herkennen we ook in de verhalen het geloof van Dietz in de authenticiteit van ‘paranormale’ verschijnselen. ‘Momenten en manifestaties van magie en mystiek’, zo betitelde Nico Oosterbeek zijn uitgebreide boekbespreking in Het Vaderland van 13 juli 1941.[1] Het is ook de enige recensie die ik kon vinden. Over de hele lijn is de recensent erg lovend en eindigt als volgt (een beetje in de schrijfstijl van Dietz):

Uit de lichtende draden die tusschen de reële en de onzienlijke wereld der menschen gesponnen zijn heeft dr. Dietz zijn rijk genuanceerde verhalen geweven tot een subtiel gewaad, dat de gestalten aan den ontledenden blik van het nuchter verstand onttrekt, maar ze des te stralender en inniger aan het innerlijk gezichtsvermogen der ziel openbaart. ‘Sterrenzaaisel van Brahma’, een ook naar het uiterlijk met toewijding verzorgd boek, zal zeker voor velen, die ontvankelijk zijn voor het groote mysterie des levens, een waardevol werk blijken, waaruit troost en kracht, geloof en zekerheid te putten zijn.



[1] Nico Oosterbeek (1887-1974) dichter en criticus.