De uitgestelde dood

In 1948 publiceerde Dietz het boekje De uitgestelde dood, in het Haarlem’s Dagblad omschreven als “drie spookverhalen waarmee de schrijver, de bekende Haagse parapsycholoog Dr. Paul Dietz, bewijst ook een onderhoudend verteller te zijn”.[1] De verhalenbundel verscheen in de reeks ‘Mixed Pickles’[2] die onder redactie stond van zijn schoonzoon Rico Bulthuis. Deze laatste was ook actief als poppenspeler. Mogelijk verklaart dit het volgende: in De Leidse Courant van 14 januari 1950 werd aangekondigd dat Cia van Boort met haar poppenkast zal optreden “met de premiere van ‘De uitgestelde dood’, naar het gelijknamige boek van dr. Dietz”, maar het zou nog duren tot 1957 eer dit poppenspel klaar was.[3] 



[1] Haarlem’s Dagblad 9 december 1949 p 3.

[2] Nederlandsche Uitgevers Mij, Leiden.

[3] De Leidse Courant 14 oktober 1957 p 10; in de nalatenschap van Dietz bevonden zich ook kinderverhalen en scenario’s voor poppenspelen (informatie van kleindochter Anne Marie Boorsma).

De bundel ontleent zijn titel aan het eerste verhaal, ‘De uitgestelde dood van Dr. Braunius’, dat twee derde van het boek omvat. Dr. Alfred Braunius is de “in de geleerde wereld hooggeschatte kenner van de oud-Semitische talen, lector aan de universiteit X”. Hij staat op het punt het slothoofdstuk te schrijven van zijn driedelig magnum opus over de ontwikkeling van de Semitische taalstam in verhouding tot de overige linguistische groepen… Maar dan komt Petrus Henricus De Dood hem bezoeken met de boodschap dat het ‘zijn tijd’ is en toont hem als bewijs zijn horoscoop. Maar Dr. Braunius had zich “op de hoogte gesteld van de moderne astrologie, al kon hij zich nu niet bepaald een expert in dit vak noemen”. Toch vindt hij een tekortkoming in de berekening van de horoscoop zodat zijn dood uitgesteld moet worden! Er wordt geen concrete datum vastgelegd maar overeengekomen dat hij eerst het laatste hoofdstuk van zijn belangwekkend boek mag schrijven. Maar de volgende weken komt Braunius er niet toe ook maar iets op papier te zetten. Hij probeert van het leven te genieten maar wordt geplaagd door schuldgevoelens dat hij eigenlijk geen recht heeft op dit ‘schijnleven’. Die kwelling groeit met de dag tot hij leest dat een collega een theorie over de samenhang van oude talen heeft ontwikkeld. Deze is echter zo simplistisch dat Braunius geprikkeld wordt om eindelijk zijn eigen boek af te werken. Tot zijn groeiende voldoening en opluchting schrijft hij het slothoofdstuk en sterft…

Dit eerste verhaal reflecteert enkele persoonlijke aspecten van Dietz zelf. Er is allereerst het thema van de dood. “Tijdens zijn jeugd kwam hij veelvuldig in aanraking met de dood. Op 5-jarige leeftijd verloor hij zijn beide ouders, en vervolgens overleden in korte tijd zijn oom, zijn neef en zijn nichten aan tuberculose.”[1] “Deze confrontatie met ziekte en dood, zo verzekerde hij zelf, is bepalend geweest voor zijn levensloop”.[2] Na het overlijden van zijn echtgenote in 1939 raakte hij wat vereenzaamd, viel zijn parapsychologisch werk stil, kreeg hij meer interesse in wijsgerige vragen en literair werk. Rico Bulthuis omschreef zijn schoonvader als volgt: “Dietz was een heel nuchtere man die op zijn studeerkamer wel dingen onderzocht maar daar nauwelijks over sprak. Hij was beslist geen goedgelovige en twijfelde op zijn terrein aan vrijwel alles. Ik heb nooit meegemaakt dat hij zei: nu heb ik een belangrijke ontdekking gedaan. Hij zei altijd: ‘De parapsycholoog eet het brood der teleurstelling.’ […] En hoewel hij een grote naam had, vond hij zelf dat hij niets had bereikt. Hij had eigenlijk historicus willen worden en zei: ‘Als ik alles had geweten, was ik hier nooit aan begonnen.’”[3]

Dietz schildert Dr. Braunius wat ironisch als de ‘hooggeschatte’ geleerde op zoek naar ultieme erkenning. Hij was “iemand van sterk secundaire functie, gewoon alles en iedereen nauwkeurig te observeren”.[4] Ook had hij “nooit geleden aan de intellectuele vernauwing van de geleerde specialist, en zijn studie op brede basis opgebouwd.”[5] Zoals tegenover spiritisme en mediums laat Dietz zich in dit verhaal kritisch uit over de astrologie.[6] En hoogst opvallend: in de horoscoop van Braunius verweeft hij zijn eigen geboortedag: 19 oktober! In de ervaringen en gedachtengang van Braunius vindt men zijsprongetjes uit de pen van de zenuwarts Dietz: een vermelding van Freud, de interpretatie van dromen, een verwijzing naar hersenfuncties. Als Braunius het plezier verliest in zijn ‘ongeoorloofd’ verder leven: “Ik kan wat lezen, maar vakliteratuur smaakt me niet meer, amusementsboeken vervelen me en wijsgerige werken lijken mij altijd er naast”.[7] En dan is er de competitie van Braunius met zijn taalkundige rivaal: “De nieuwe hypothese van Westerheim zal wel opgang maken; ze komt in ’t gevlei van de huidige wetenschap, die al het geestelijke omlaag wil halen, het menselijk scheppend vermogen ontkrachten”. Onwillekeurig moet ik hier denken aan de jaren aanslepende conflicten tussen Paul Dietz en Willem Tenhaeff die Bulthuis plastisch beschreven heeft: ““Aanvankelijk was Tenhaeff een pupil van Dietz, die hem van een kantoor had gehaald.[…] Op het eerste gezicht leek hij een charmante vent, maar hij was een gespleten mens die vreselijk eerzuchtig was. Tenhaeff wilde de baas spelen en zijn eerzucht dreef hem tot kwalijke praktijken. Hij wilde met alle geweld zijn ideeën bevestigd zien en kreeg daardoor herrie met Dietz. Die leed daar erg onder. Hij was niet in staat om de hysterische en vaak oneerlijke handelswijze van Tenhaeff met enige humor de baas te worden. De strijd heeft jaren geduurd.”[8]

 



[1] Ingrid Els Kloosterman, Wetenschap van gene zijde. Geschiedenis van de Nederlandse parapsychologie in de twintigste eeuw. Proefschrift Universiteit Utrecht 2016 p 132.

[2] Rico Bulthuis, ‘Dr. P.A. Dietz’ in Wereldzicht der parapsychologie (Den Haag, H.P. Leopold, 1954) p 175.

[3] Rob Nanninga, ‘Een nuchtere romanticus – De occulte avonturen van Rico Bulthuis’ in Skepter 1994 (7.4); https://skepsis.nl/bulthuis/ . Mooi hierbij aansluitend is zijn citaat: “Wij hebben meer aan een grein zekerheid dan aan een kilo twijfelachtigheden” in Verschijningen en verschijnselen: een studie van het physische mediumschap (Leiden, Nederlandsche Uitgeversmaatschappij, 1948 p 11).

[4] De uitgestelde dood p 7.

[5] Ibidem p 13.

[6] Rico Bulthuis heeft zelf heel wat over astrologie geschreven en er later schamper over gedaan: “Als je je echt verdiept in de astrologie en je bent goed kritisch, dan zeg je: ach, schei toch uit. Het is een luchtkasteel. Er klopt geen bliksem van” (interview met Nanninga in Skepter 1994).

[7] De uitgestelde dood p 51.

[8] Interview met Nanninga in Skepter 1994.

 

Het tweede verhaal in de bundel De uitgestelde dood is duidelijk psychiatrisch gekleurd: ‘Geval P. 285’. We lezen het dagboek van Hendrik Jan Klaassens die zich de laatste tsaar van Rusland waant en correspondeert met Joseph Stalin. Hij wil aan zijn achtervolgers ontsnappen door zich te verbergen “achter een spotbeeld, door het masker voor te doen van een schijntsaar, een arme krankzinnige, bezeten door de waanidee dat hij tsaar aller Russen is! Mijn natuurlijke majesteit zal voor een dwaze comedie, mijn waarheid voor kranke verbeelding worden gehouden!”[1] Het levert bijwijlen hilarische passages op om ontnuchterend te eindigen met een excerpt uit het rapport van Dr. L. van de kliniek X: bij een luchtaanval van Duitse vliegtuigen loopt de ‘geredde tsaar’ juichend zijn ‘bevrijders’ tegemoet en wordt “door een stroom kogels uit een machinegeweer letterlijk doorzeefd”.[2] Deze indirecte spot  van Dietz over het communisme (‘het bolsjewistisch gevaar’) was ook terug te vinden in De nieuwe lof der zotheid.[3]

 


[1] De uitgestelde dood p 72.

[2] Ibidem p 82.

[3] Hoofdstuk 3 ‘Het groot vermakelijk Lunapark’. Ook in ‘Aladdin en zijn wonderlamp’ (Sterrenzaaisel van Brahma, 1941/1946) mengt Dietz wat spot met de communisten.

Het slotverhaal, ‘Het ontbeerde leven’, is het poëtische relaas van een droom in een tropische nacht op een bank bij een oude tempel. In zijn slaap wordt de dromer een jonge officier uit het begin van de 17de eeuw die als afgezant van Frederik Hendrik, stadhouder van de ‘machtige republiek der Zeven Provinciën’, de gunst moet zien te verkrijgen van een Balinese landvorst. Deze heet hem welkom met een verblindend feest in ‘een of ander oosters paradijs’ waar hij gefascineerd wordt door een prachtige dolk en betoverd raakt door een dansende prinses. Als hij wil slapen gaan ligt in zijn bed de bloedschone prinses met de dolk in haar hart! Dan ontwaakt hij bevend en verward. Wanneer hij bij zijn Indische bediende informeert naar de geschiedenis van de tempel hoort hij het verhaal van de ‘spookprinses’ die bij volle maannachten danst op het tempelterras omdat zij ‘het leven ontbeerd heeft’... Uiteraard sluit dit verhaal aan bij de bijzondere interesse van de auteur in dromen.[1] Maar er zitten ook autobiografische elementen in deze novelle. Na zijn doctoraat biologie was Dietz van 1914 tot 1916 assistent voor entomologie (insectenleer) aan het Deli-proefstation te Medan op Sumatra, destijds ‘Nederlands Indië’.[2] Hij kreeg er een leerstoel aangeboden maar nam het niet aan omdat het weer ongezond bleek voor zijn vrouw en daar geboren dochtertje.[3] In het droomverhaal zegt de officier: “Ik ben jong, van goede familie, en heb gestudeerd in Leiden en in Italië”.[4] Dietz zelf was de enige zoon van een leraar in de staathuishoudkunde en studeerde in Leiden eerst plant- en dierkunde, en later geneeskunde.  Een deel van zijn biologische dissertatie over de anatomie van platvissen schreef hij in 1911 in het zoölogisch proefstation in Napels, waar toen ook de Nederlandse fysioloog en latere bekende psycholoog Frederik Buytendijk vertoefde.[5]

Deze verhalenbundel kreeg nauwelijks aandacht in de Nederlandse pers, zoals trouwens de hele reeks die al na twee jaar ophield.[6] Het boekje van Dietz leest nog steeds erg prettig en toont een grote variatie in literaire stijlen en constructies. Telkens komt de auteur met een originele plot. In het titelverhaal weet je dat de dood niet echt uitgesteld kan worden en wacht je op de ontknoping, met tussendoor zacht ironische beschouwingen over de wens iets in het leven betekend te hebben. Het paranoiaverhaal ‘Geval P. 285’ construeert een grappige dubbele ontkenning: in zijn waan laat de ‘laatste tsaar’ zich gek verklaren om niet ontdekt te worden! Het slotverhaal, ‘Het ontbeerde leven’, is geschreven als een Oosters sprookje over hoe bedrieglijk ‘echt’ dromen kunnen zijn. De dromer blijft verweesd achter alsof “ook ik nooit tenvolle zou kunnen leven”.[7] Ligt in deze slotzin ook een gedachte van Dietz zelf?



[1] Mensch en droom: een studie over het droomleven (1935).

[2] L.B. Holthuis, 1820-1958 Rijksmuseum van natuurlijke historie (Nationaal Natuurhistorisch Museum, 1995 p 116); Kloosterman 2016 p 132.

[3] Rico Bulthuis, ‘Dr. P.A. Dietz’ in Wereldzicht der parapsychologie (Den Haag, H.P. Leopold, 1954) p 179.

[4] De uitgestelde dood p 87.

[5] Kloosterman 2016 p 132.

[6] De reeks ‘Mixed Pickles’ van de Nederlandsche Uitgeversmaatschappij in Leiden stond onder redactie van Rico Bulthuis, Clare Lennert en Ab Visser. In 1948 verschenen, naast De uitgestelde dood van Dietz: De terugkeer van Ben Eysselstein en Rouska van Clare Lennert. In 1949 volgden nog: Nocturne der zeven spinnen van Rico Bulthuis, Trizonia van Bas van den Tempel en Nachtelijk paardengetrappel van Ferdinand Borderwijk.

[7] De uitgestelde dood p 94.