Prulschriften

Al was Justus van Effen (1684-1735) zelf een veelschrijver, in zijn Hollandsche Spectator ging hij vaak tekeer tegen boekverkopers en broodschrijvers die alleen uit waren op verkoopcijfers. De ene keer klonk zijn betoog puur verontwaardigd maar op andere momenten gelukkig vol scherpe spot. Zo nam hij de ‘rijmverkopers’ op de korrel[1] en de ‘letterdieven’.[2] Voorheen had hij al soortgelijke periodieken in het Frans uitgegeven, zoals Le Misantrope (1711-1712) waarvan postuum een Nederlandse versie verscheen.[3] Reeds in het eerste vertoog jammert hij: “Zal ik my, by voorbeeld, quellen over dat vervaarlyk getal van slechte schryvers die den Parnassus met eenen vloed van prulschriften overstroomen?”. En ja hij kwelt zich:

Eene geleerdheid verkreegen door het leezen van honderd Romans, en geen ander vernuft dan eene zotte drift om zich in druk te zien; eene periode by den tast te beginnen, en te eindigen zoo als het geluk wil; meer heeft men niet nodig om uit honderd gestolene avontuuren een misselyken Roman te zamen te flanssen: maar

            Die werken vinden toch, hoe zot ze ook moogen weezen,

            Een boekwurm, die ze drukt, en gekken die ze leezen.[4]

Een boek uit te geeven en een uitmuntend schryver te weezen, is het zelfde by die ellendige papierbedervers, en dit is genoeg om te doen zien hoe onmogelyk het is dien stortvloed van prulschriften te stuiten. Noch eens, de waereld een boek op te dringen en een voortreffelyk schryver te weezen is hun evenveel; dat is by hen de hoogste eer en met eenen het hoogste geluk.[5]

Elders parafraseert hij Martialis:[6]

            Een weinig goed, en vry veel quaad,

            En noch meer van de middelmaat;

            Weet dat het zoo met boeken gaat.

Vooral in het derde deel van De misantrope neemt Van Effen de ‘prulschriften’ scherp op de korrel. Maar zijn kritiek slaat onrechtstreeks ook op de ‘ernstige’ schriften. Zo was het lange tijd de gewoonte een boek met een brede lofzang op te dragen aan een belangrijke persoon of instelling, niet zelden om hiermee bepaalde voordelen (steun, geld, aanbeveling), te verkrijgen. Na dergelijke ‘opdracht’ kwam meestal een ‘voorrede’ van de schrijver (uitgever, vertaler) om het boek te situeren, aan te prijzen of te verdedigen tegen verwachte kritiek. Ten slotte volgde vaak een reeks ‘lofdichten’ van vrienden of collega’s die de auteur en zijn werk de hemel in prezen. In het volgende vertoog richt Van Effen zijn ironische pijlen op de vaak pompeuze ‘opdrachten’.

 


[1] Vertoog 114 (28 november 1732). Zie Rijmverkopers.

[2] De Hollandsche Spectator N° 69, 23 juni 1732. Zie Letterdieverij

[3] J. van Effen, De misantrope, of de gestrenge zedenmeester (Amsterdam, Hermanus Uytwerf, 1742-43; Arent van Huyssteen, 1745). We hanteren de tweede druk (Amsterdam, Fredrik de Kruyff & Hermanus van Werven, 1758).

[4] De misantrope (1758) deel 1 p 7. Zie ook Slechte poëten 

[5] Ibidem p 9.

[6] Ibidem p 131.

Brief aan de Misantroop[1].

Gij weet, Mijnheer, dat er van de schepping af tot heden toe geen eeuw zo vruchtbaar van schrijvers geweest is als die wij nu beleven. Gij weet ook dat al die schrijvers op verre na geen bekwame lieden zijn, hoewel dat verscheidene van hun menen dat het woord schrijver ongeveer zo veel betekent als een bekwaam man. De nederigste onder hen, die hun  zwakheid voelen, laten de ernstige en deftige stoffen over aan anderen van hun medebroeders, die op een al zo schrale kennis een veel grooter moed dragen. Wat hen belangt: zij beperken zich rustig tot sprookjes, vertellingen, kleine histories die maar bestaan in enige voorvallen misselijk aaneen geregen en beschreven zoals het valt. Zij hebben geen denkbeeld ter wereld van stijl, en evenwel zullen zij u zeggen dat hun stijl los is en dat zij schrijven zoals zij spreken: hetgeen heel dikwijls waar is. Het is echter mijn voorneemen niet hun gedrag te bedillen. Elk mag zijn tijd besteden of verdrijven zoals het hem goeddunkt; en men kan ten anderen niet zeggen, dat zulk soort van schriften minst gelezen worden. In tegendeel Gongam[2] zal voor de vierde maal herdrukt  worden; en men heeft mij verzekerd dat de drukker op de titel zal doen zetten: Vierde druk tot schande van het menselijk geslacht.

Alles wat ik te zeggen vind op de werken van schrijvers die van geen keur van woorden, spreekwijzen en perioden[3] weten, is dat men voor hun werken gewoonlijk een opdracht vindt, die doorgaans veel slechter is dan het boek zelf. Dat is natuurlijk; want het is niet ieders werk een goede smaak te geven aan de vleierij, die van zelf laf is; dat kan een schrander vernuft wel eens verlegen maken. Evenwel is de opdracht doorgaans het gewichtige deel van een boek, en ik durf staande houden dat er meer boeken gemaakt worden om de opdrachten dan opdrachten om de boeken.

Mij schiet te binnen dat zeker schrijver, wetend dat ik, zonder roem gesproken, heel wel in die soort van schriften geluk, mij een van zijn stukken kwam tonen om er mijn mening over te hooren. lk mocht het hardop lezen, was zijn verzoek. Ik schrok van dat verzoek. Ik deed het evenwel tot groot nadeel van mijn long; want ik meende dat ze voor altijd bedorven was. Vergeefs zocht ik een plaats om eens adem te scheppen; ik kon niet omdat ik in zes bladzijden, heel dicht geschreven, veel komma’s vond, maar geen één punt. Vermits ik de toegeeflijkste man van de wereld ben en liever mijn oprechtheid enigszins tekort doe dan iemand, wie ‘t ook zij, beledigen wil, gaf ik hem zijn opdracht weer, hem met vriendelijke toon zeggend dat zij volmaakt goed aaneen geschakeld was.

Ik ben verheugd, antwoordde de schrijver, dat gij het bemerkt hebt en gij zoudt niet geloven hoeveel moeite het mij gekost heeft om mijn ganse opdracht in één zin te brengen. Ik vond in hetzelfde stuk een nog veel groter dwaling: door gebrek van kennis van de eigenschap en de kracht van woorden maakte de goede man zijn Mecenas lelijk uit, in plaats van hem de sterkste wierook toe te zwaaien, gelijk zijn voornemen was.



[1] De misantrope (1758) deel 3 p 153-159. Spelling en woordenschat deels ‘moderner’ gemaakt.

[2] Gongam, ou l'homme prodigieux van Laurent Bordelon (1711).

[3] Zinsdelen via leestekens of interpunctie.

Om dergelijke vergissingen te voorkomen heb ik geoordeeld het volk een grote dienst te doen met de fabriek van opdragten die ik opgericht heb. En om de baatzucht van andere schrijvers te voorkomen, meen ik eerstdaags een verzoekschrift bij de regering in te leveren, om het monopole van dit soort van schriften voor mij alleen, met uitsluiting van alle anderen, te verkrijgen. Ik kan, zonder mij veel te beroemen, zeggen dat ik bekwamer ben dan iemand anders om dergelijk opzet wel uit te voeren. Van mijn kindsheid af tot de ouderdom van zeventig jaren heb ik weinig anders gegeten dan zoete koek, melk, honing en suiker; mede en kanarische sec[1] is mijn gewoonlijke drank geweest. Vermits het voedsel een grote invloed op het temperament heeft, heeft mijn inborst een wonderlijke zoetigheid door die zoete spijzen en  drank gekregen. En ik durf hetzelfde van mij zeggen dat gij van de vermaarde Jezuïet Bouhours[2] gezegd hebt, te weten dat ik geheel geest en suiker ben. Van zo lang als mij heugt, heb ik nooit iets misprezen en, gelijk eertijds Titus[3], laat ik elkeen die mij komt spreken altijd even vergenoegd over zich zelf en mij weer vertrekken.

Ik zal mijn waar voor een redelijke prijs geven. Ik moet de schrijvers die mij de penning zullen willen gunnen, echter bekend maken dat ik mijn manufacturen niet bij de el[4], om zo te spreeken, zal verkopen maar alleen naar gelang van de stof die er ingaat en van haar fijnheid.

Ik zal, bij voorbeeld, één rijksdaalder nemen voor een lofrede waar maar van wijsheid, goed gedrag en godsvrucht in komt. Als ik geleerdheid, beschaafde letteren, Grieks en dichtkunst gebruik moet ik een ducaat hebben. AIs ik bevalligheden, geest, schoonheid, liefdestriomf en dergelijke stoffen moet verwerken, dunkt mij dat vier dukaten niet te veel is. Ik moet tweemaal zo veel hebben voor dapperheid, onversaagdheid, grootmoedigheid en andere heldendeugden, gelardeerd met belegeringen, veldslagen en overwinningen; en als ik al die ingrediënten in één zelfde opdracht moet gebruiken, die juist bekwaam zal zijn voor een gekroond hoofd of een veldmaarschalk, zal niemand klagen dat ik te duur ben als ik maar een zakje dubbeltjes eis.

Men moet wel opmerken dat ik tot nog toe alleen van ernstige en regelrechte loftuigingen gesproken heb. Voor degene die vrolijk en luchtig zijn moet  ik een vijfde meer hebben. En wat de lof belangt die van terzijde komt en naar geen pIuimstrijkerij gelijkt maar behendig in ‘t hart sluipt van mensen die voorgeven alle lof te haten, die moet men mij dubbel betalen omdat ik in gemoed kan verzekeren dat hij viermaal zoveel moeite kost.

Enige schrijvers zouden bezwaar kunnen maken zich van mijn arbeid te bedienen uit vrees dat ik hun Mecenas aan het volk zou onthullen voor dat hun werken kunnen verschijnen, hetgeen hun opdrachten van de bevalligheid en waarde van nieuwigheid zou beroven. Maar zij kunnen daar volkomen gerust in zijn; want ik behoef de naam noch de persoonlijke hoedanigheden van degenen die men mij te prijzen geeft, niet te weten. Zij behoeven mij maar te zeggen van welke geslacht zij zijn, welke ouderdom en van welk beroep, of zij getrouwd zijn en of zij kinderen hebben, enz. Ik weet terstond welke flikflooijerijen de beurs van een wisselagent, van een raadsheer, van een burgemeester, zelfs van godsgeleerden, die men weet dat bij uitstekendheid gierig zijn, gelijk ook welk de tas van een oude matrone kunnen openen. En zij zouden drommels taai en schrikkelijk zuinig moeten wezen om een schrijver niet een fraai stuivertje te laten winnen op de waar die ik hen lever.

Ik heb alreeds een hele kast met van allerhande slag van opdrachten voor mannen van de Scepter in gereedheid: dergelijke sorteringen voor de vrouwen zijn tegenwoordig op het getouw en ik meen ze in 't kort voltooid te hebben. Ik moet niet vergeten te zeggen dat ik tot gerief van de liefhebbers een lade vol stekelige opdrachten houd. Ik beken dat deze wat hoog van prijs zijn; ik kan ze geen haar van mijn hoofd voor minder dan twintig dukaten geven; maar daarvoor sta ik ook af van mijn deel van de winst die men doorgaans van dat slag van schriften trekt.

Ik ben met veel achting voor uw schriften en vernuft; uw persoon heb ik de eer niet van te kennen,

Mijnheer,

Uw gehoorzame dienaar,

SACHAREUS MEL[5]



[1] Canarie-sec is een zoete witte wijn uit de Canarische eilanden.

[2] Dominique Bouhours (1628-1702) een Franse jezuïet, grammaticus en schrijver.

[3] Titus was de geliefdste keizer van Rome.

[4] Lengtemaat

[5] Te vertalen als ‘suikerzoete honig’

 

Hierbij aansluitend gaat Van Effen de spot drijven met de vorm en betekenis van de voorwoorden (‘voorredes’) van geschriften.[1]

 

De Heer Sacharias Mel, die in een van mijn voorgaande vertogen het volk een ontwerp van een fabriek van opdrachten voorgesteld heeft, zou niet verkeerd doen dat hij zijn vernuft ook oefende op de voorredes. De zoete inborst die hij van de natuur en de gewoonte gekregen heeft zou hem in die nieuwe onderneming zeer wel van pas komen. Het is jammerlijk te zien in hoevele kluchtige bochten het verstand van de heren schrijvers zich in die voorwerkjes wringt. Al hun kunstjes zijn oud en versleten; zij weten lang niet hoe zij 't maken zullen. Niet dat zij aan de deugd van hun werken twijfelen; zij weten wel dat zij uitmuntend zijn maar zij duchten dat het volk niet van hun mening zal wezen, dat het niet schrander genoeg zal wezen om hun bedoeling te bevroeden, niet fijn genoeg van oordeel om alle fraaiheid van hun gedachten te bemerken en om al de kunstige omslag van hun groots ontwerp na te gaan.

Daarom menen zij alles te moeten doen wat zij kunnen om het verstand van de lezer tot de verwondering te bereiden. Zij doen hun uiterste best om de lezer in hun ontwerp te doen treden, hem de aangelegenheid van de stof en de moeilijkheid van die wel te behandelen te doen begrijpen, en hem te onderrichten van de tijd en vlijt aangewend om een zo gewichtig onderwerp in zijn volle licht te stellen. Maar het vreemdste is dat zij meteen bekennen dat zij geen overvliegende vernuften zijn, dat hun beroep hun niet toelaat zich aan een gestadige betrachting van die verheven zaken over te geven, dat zij er hun snipperuurtjes maar toe besteed hebben en dat zij overtuigd zijn dat anderen die meer tijd hebben het beter gemaakt zouden hebben. Bespottelijke zedigheid of kluchtige tegenzeggelijkheid! Indien gij geen tijd genoeg hebt om u in moeilijke stoffen diep in te laten, indien de bekwaamheid om vrucht van uw vlijt te trekken u ontbreekt, wie heeft u genoodzaakt voor geleerd te spelen en onderwerpen te behandelen die buiten het bereik van uw verstand zijn.

Al bidt hij knielende, in een nederig voorbericht,

Een kiese lezer om verschoning voor zijn dicht,

Hij zal, zo ’t hem verdriet, het ongenadig doemen,

En u een prulpoëet, een gek, een kladder noemen.

Sedert deze ergerlijke verzen van Boileau[2] durven wij geringe schrijvers ons niet eens nederig tonen voor het volk. Wij smeren de gunstige lezer wel wat honig om de mond, wij noemen hem bescheiden en verstandig; maar ons flemen gaat met een rustig gelaat gepaard, hetwelk te kennen geeft dat wij niet minder goede gedachten van onszelf dan van het volk hebben. Wij vrezen dat, indien wij ons al te laag vernederden, anderen ons op ons woord geloven, zich vrijpostig boven ons verheffen en menen zouden dat wij verplicht zijn ons volstrekt aan het oordeel van het volk te onderwerpen, zonder ons verder te durven beroepen, zelfs niet voor de nazaat, de laatste toevlucht van ongelukkige poëten.

Maar van vernedering gesproken, ik heb nooit groter bescheidenheid in enige voorrede gezien dan die van een Nederlands dichter die zijn werken onlangs uitgegeven heeft. Hij zegt met een zweem van oprechtheid waarin de minste schaduw van spotternij niet te vinden is, dat hij zijn werk niet uitgegeven zou hebben, tenzij zijn boekverkoper hem verzekerd had dat de Nederlandse verzen goed aan de man willen al zijn ze nog zo slecht, en dat men met waarheid op de Hollandse poëten toepassen kan hetgeen Despréaux van de Franse zegt.

Hun verzen vinden toch, hoe slecht zij mogen wezen,

Een boekworm die ze drukt en gekken die ze lezen.[3]



[1] Vertoog 25 in De misantrope (1758) deel 3 p 232-239.

[2] Franse satiricus Nicolas Boileau-Despréaux; vrij vertaald fragment uit zijn Satire IX (1664): “Un auteur à genoux, dans une humble préface, Au lecteur qu'il ennuie a beau demander grâce”.

[3] Uit Satire II van Boileau-Despréaux (1664); zie ook Slechte poëten

 

Men moet bekennen dat die dichter braaf doet en dat hij zich niet te veel laat voorstaan; en ofschoon zijn verzen niet veel deugen, is hij echter te prijzen om zijn openhartige oprechtheid.

De andere poëten zijn een geheel andere aard; zij schijnen de eigenwaan van Jupiter in erfpacht te hebben. Laat ons, om dat te doen blijken, nog enige kunstjes bijbrengen waarvan zij zich bedienen om zich van ons te doen prijzen. Men vindt er die ons in hun voorredenen verzekeren dat zij hun boek niet uitgegeven hebben tenzij op de raad en het aanhouden van verscheidene vernuften van de eerste rang, die hun werk met alle vereiste aandacht nagezien en met hun verbeteringen vereerd hebben. Hoe durft een lezer zich nu aanmatigen een dichtstuk te berispen dat van zovele doorluchtige verstanden goedgekeurd en beschaafd is? Dat gelukkige werk wordt het volk ook niet medegedeeld om erover te oordelen, maar om er zich over te verwonderen.

Anderen hebben weer een ander kunstje: zij schrijven beleefde brieven aan de voornaamste poëten, die zij elk een pluimpje op de hoed geven, een gebonden exemplaar beloven en een lofdicht ontfutselen; dat wordt niet geweigerd en daarmee komt het werk te voorschijn met een dozijn lofdichten op het heerlijkst uitgestreken. In 't ene is de dichter een Homerus, in 't ander wordt hij gelijk gesteld met Virgilius, in het derde bij Horatius vergeleken, in het vierde kan hij de grote Vondel evenaren, enz. Waar is nu de man die stout genoeg is om zich te vergrijpen aan een werk dat door zovele dichtkundige schilden gedekt is? Zulks doen zou zoveel wezen alsof men zijn handen in een nest horzels stak.

Daar zijn schrijvers die een heel andere draai aan hun voorredenen weten te geven, die mij altijd wonderlijk vermaakt. Het is inderdaad genoeglijk een schrijver zijn lezer moedig te zien trotseren, de verdorvenheid van de smaak van de eeuw te begrommen en zichzeIf uit te geven voor een man van uitstekende gaven. Allen die voor hem hetzelfde onderwerp behandeld hebben zijn maar leerjongens, lieden van een losse kennis die geen doordringendheid, geen schranderheid genoeg hebben om tot in de kern van de zaken in te dringen. Hij veroordeelt vooraf al degenen die zijn gelukkige ontdekkingen niet zullen prijzen. Zulk een schrijver krijgt dikwijls ingang bij het volk dat niet kan vermoeden dat een man zo groot een ophef van zichzelf zal maken zonder een vernuft van de eerste rang te wezen. Ziet men inderdaad alle dagen geen mensen die voor grote verstanden doorgaan alleen omdat zij zelf zeggen dat zij het zijn.

Daar zijn andere schrijvers die men onder dezelfde klasse moet brengen, ofschoon zij zo openlijk niet roemen op hun bekwaamheid. Zij weten hun verwaandheid een fijnere draai te geven; zij geven onderdanig te kennen dat zij zich niet gelijk willen stellen met doorsnee schrijvers die zij allen met dezelfde kwast van verachting bestrijken. De een, gelijk de geestigste van alle Engelse schrijvers[1] aanmerkt, begint dus:

Dat iemand zich opwerpt tot schrijver in deze tijden, nu de drukpersen zweten van ongezoute prulschriften, enz.

Een ander:

De belasting op het papier doet het getal van de papierbekladders niet verminderen, die dagelijks de wereld hun laffe schriften opdringen, enz.

Een ander:

Als men ziet van welke prullen de drukpersen heden zijn overladen, enz.

Een ander:

Mijnheer,

Het is alleen om U te gehoorzamen dat ik durf wagen in het openbaar te verschijnen; want wie zou, zonder een bevel van gewicht, zich durven vertonen onder zulk een Jan Hagel[2] van drekpoëetjes die de Parnassus overstromen en onteren, enz.

Dezelfde geestige schrijver meent dat die voorredenen onbillijk zijn omdat hij bemerkt dat zij komen van schrijvers die het volk met de dikste boeken beschenken. En om de zotte waan van deze schrijvers te berispen, die zoveel te zeggen hebben op de zotte waan van hun medebroeders in Apollo, bedient hij zich van het volgende vertelseltje:

Een kwakzalver had een grote vergadering rondom zijn kraampje gelokt. Onder anderen een zwaarlijvige dikkerd die al blazende en hijgende riep:  Goede God! Wat vervaarlijk gedrang is hier! Schikt wat: vanwaar drommel komt al dit Jan-Hagel? Hoe benauwd is het hier! Hoe wordt men hier geperst! Vriend trek je elboog wat in! Die lomperd trapt mij op de voet! Die onbesuisde vent stoot mij tegen de borst! Eindelijk durfde een wever, die naast hem stond, zlch niet langer bedwingen. Jij mestvarken, dat je de drommel vervoert, zei hij; wie denk je is hier oorzaak van het gedrang als jij zelf, dikpens? Zie je niet dat je meer plaats beslaat dan wij met ons vijven? Breng je eigen ingewanden in een fatsoenlijke omtrek en dan wed ik dat er plaats genoeg voor ons allen zal wezen.



[1] Ik kon niet achterhalen over wie het gaat. De vertaler heeft hier wat eigen stukken ingevoegd. In de originele Franse versie (La Bagatelle 10 november 1718) heeft Van Effen de tekst van het hierop volgende verhaaltje van de kwakzalver in Franse verzen gezet zonder een bron te noemen.

[2] Uitdrukking voor tuig, slecht volk, gepeupel, krapuul, schorem.

 

 

Ten slotte komt de Spectator sarcastisch uit de hoek over het produceren van ‘slechte’ boeken tot (financieel) genoegen van de uitgevers (boekverkopers). Belangrijk is hierbij te bedenken dat Justus van Effen zelf overhoop lag met een van zijn uitgevers die hem slecht betaalde![1] Geen wonder dat hij opmerkt: ‘hij had geen ziel, het was immers een boekverkoper’.[2]



[1] Piet J. Buijnsters, Justus Van Effen (1684-1735), leven en werk (Utrecht, HES 1992) p 130.

[2] De Misantrope III p 3: ‘non habebat animum, erat enim Bibliopola’.

Brief van een schryver aan de verstandige lezer, die tot voorrede zal dienen van een werk dat eerlang het licht zal zien.[1]

Geraakt van de menigvuldige klachten van het volk over de prulschriften die ik tot mijn leedwezen de wereld opgedrongen heb, heb ik eindelijk besloten dit tegenwoordige werk op te stellen om te tonen dat de nodige bekwaamheden om iets goeds te schryven mij niet ontbreken. Ik weet zeer wel dat ik tot nog niets goeds in het licht gegeven heb, maar daar heb ik redenen toe gehad en die redenen zijn zo voldoende dat de verstandige lezer die mijn verdediging met een bedaard en onpartijdig gemoed hooren wil, mij ten volle zal verschonen.

Wat zoudt gij, bid ik u, zeggen van het gedrag van zulk een man als ik u zal afbeelden. Een schilder verstaat de tekenkunst in de grond. Hij voert een stout penseel  en zijn koloriet is sterk en natuurlijk. Niemand is hem meester in het schikken van zijn onderwerp en het schilderen ervan, en in vindingrijkheid kan niemand tegen hem op. Maar die man bevindt zich per ongeluk in een land waar men elke wand vol schilderijen wil hebben en waar niemand kennis van de schilderkunst heeft, en bij gevolg geen mens goede stukken betalen wil. Die voortreffelijke kunstenaar heeft broodgebrek. Wat zal hij doen? Zal hij van een edele eerzucht gedreven voor de nazaat schiIderen, terwijl hij inderdaad honger lijdt? Zal hij zich trachten te voeden met het vleiende denkbeeld van de hoge prijs die zijn stukken na zijn dood zullen gelden? Zoudt gij, indien hij zich zo gedroeg, niet zeggen dat hij met al zijn bekwaamheid een echte zot was? Zoudt gij hem niet aanraden kost en klederen te stellen boven een ijdele roem? Zoudt gij zelf hem niet aanraden alle muren van het land met dozijnwerk te stofferen en zijn voordeel te doen met de vaardigheid van zijn penseel en de onkunde van zijn klanten?

Op de grote bekwaamheid na, is het geval van die schilder het mijne. Zodra mijn ongelukkig lot mij genoodzaakt had mij onder de ellendige bende der schrijvers te begeven, zette een zotte eerzucht mij aan om boven mijn medebroeders uit te munten. Ik ondernam een boek voor vier gulden per blad en meende dat het, als ik ’t fraai uitvoerde, gretig verkocht zou worden en mij noodzakelijk maken zou bij de boekverkopers, onze heren en meesters, en dat ik, het zover gebracht hebbende, zoveel geld zou winnen als ik wilde. Ik schikte en herschikte mijn woorden om mijn stijl vloeiend en los te maken; al wat mij niet echt goed of te laag scheen wiste ik uit. Ik behandelde de zaken met niet minder nauwkeurigheid: ik sloeg er twintig schrijvers op na om mij van de ene of de andere omstandigheid terdege te onderrichten. Eindelijk na acht dagen geblokt te hebben als een rasphuisboef[2], bracht ik mijn blad voor mijn rechter, vaststellend dat hij mijn arbeid hemelhoog prijzen zou. Maar ik rekende zonder de waead: ik zag hem tot mijn grote verwondering mijn bladzijden met een streng gelaat doorlopen, nu en dan zijn voorhoofd fronsend of een smadelijke grimas makend. En de plaatsen die mij de meeste moeite gekost en het meest behaagd hadden veroordeelde hij. Ik bemerkte daarenboven dat ik volgens hem te lang bezig geweest was over dat blad, en dat hij mij voor een sukkelaar begon aan te zien. Daarom moest ik, om niet uit zijn gunst te geraken, hem wijs maken dat ik maar twee dagen over dat blad gewerkt had en de overige tijd van de week besteed had om mijn gereedschap klaar te maken.

 


[1] Vertoog 51 p 353-359; tekst in ‘moderner’ Nederlands gezet. Vertoog 41 en 45 gaat over het belang van ‘goed’ (ernstig) schrijfwerk: ‘Proeve om alle Schriften tot hunne rechte waarde te brengen’ (p 278-284 & 305-314); vertoog 67 over ‘wat een Schrijver van wege den nyd en den laster uit heeft te staan’ (p 492-504).

[2] Dwangarbeid in een gevangenis.

Dat norse onthaal, die schampere bejegening van mijn boekverkoper opende mij de ogen en deed mij zien wat mij in 't vervolg te doen stond. Ik begaf mij dan tot een spoediger schrijftrant en veranderde mijn schildpadtred in een postpaardgalop. Mijn schriften vielen als hagel in de winkel van mijn boekverkoper, en onlangs had ik een boek van verscheidene delen af. De glimmende titel die ik het gaf en de gelukkige omstandigheden waarin het uitkwam deden het gretig vertieren: in zes weken was het uitverkocht. Nu ben ik de lieveling van mijn meester en als zoveel handen had als Briareus[1] zou ik ze werk kunnen geven. Sedert die tijd heb ik mij niet Ianger aangemerkt als schrijver maar als een klerk van de Procureur die alle dagen zoveel bladen kopieert en zoveel van 't blad heeft. Zodat men mijn werken niet moet berispen, want wie weet beter dat het maar vodden zijn dan ik zelf. De boekverkopers die mijn pen gebruiken en willen dat ik goedkoop arbeid, en bij gevolg snel voortga, moeten mijn fouten verantwoorden. Ik weet wel dat zij niet zullen bekennen dat er fouten in zijn, zij houden staande dat mijn werken goed zijn en elk weet wat het woordje goed bij hen betekent.

Wat mij belangt, ik ben door hun goede raad en mijn ijver thans zover gekomen dat ik onze ganse bende durf uitdagen om tegen mij te schrijven: ik kan met een ongelooflijke spoed een slecht boek maken over een opgegeven stof, het is mij om het even welke. Als ik een titel heb, reken ik het werk als half gedaan. Ik heb, om zo te spreken, recepten voor allerlei soorten van schriften die wel aan de man willen. En ik ken de juiste dosis van de ingrediënten die in een historie, een roman, een levensbeschrijving, enz. gaan. Indien de Groot-Mogol[2] vandaag kwam te sterven, zou ik in staat zijn om binnen drie maanden zijn levensbeschrijving in folio uit te geven. Maar, zal misschien iemand vragen, waar zult gij aantekeningen en gedenkschriften vinden? Die heb ik niet nodig. Tien dagen tijd is mij meer dan genoeg om na te zien wat de reizigers zeggen van de aard van die Vorst, van zijn daden, van de Groten van zijn Hof, van zijn vrouwen en kinderen, enz. Met die hulp alleen zou ik gans Indië in ’t harnas jagen, miljoenen krijgsknechten op de been brengen, veldslagen leveren die de oevers van de Ganges doen daveren en die rivier noodzaken zich met bebloede wateren zeewaarts te spoeden. Ik zou afgrijselijke slachtingen aanrichten, drie- tot vierhonderd regimenten in de pan hakken en duizenden olifanten doen omkomen. lndien ik bij die wonderbare gevechten de listen van de Sultans en de Gesnedenen[3] om zich over en weer de voet te lichten, de geheime handel van het ganse Serail[4], en de kuiperijen van de hovelingen; indien ik al die dingen, zeg ik, bij mijn levensbeschryving voeg, meent gij dat zij in de winkel onder het stof zouden blijven?  Zij zou zeker van het nieuwsgierige volk met vermaak gelezen en zo gretig verteerd worden dat zij vier maal herdrukt zou wezen vooraleer een schrijver, die onervaren is in de kunst van om den brode te schrijven en eer in zijn werk wil leggen, zijn snaren gestemd heeft.

 


[1] De honderdarmige en vijftigkoppige reus uit de Griekse mythologie.

[2] Heerser over het Mogolrijk in Zuid-Azië.

[3] Eunuchen, bewakers van de vrouwen in de harem.

[4] Harem of Oosters paleis.

Nu ik door mijn ijverige arbeid een fraaie stuiver gewonnen heb en mijn lot veranderd is, denk ik ook van gedrag te veranderen. Daarvan geef ik door dit tegenwoordig werk blijk van. Ik meen daarenboven aan de fraaie vernuften van ons land, die het minst door de armoede gedrukt worden, een defensief verbond tegen onze dwingelanden voor te stellen. Ik noem het niet offensief, omdat hetzelfde doel zou zijn ons zelf goed te doen zonder hen enigszins te verongelijken. Wij behoeven maar een vast besluit te nemen van ons rijkelijk te doen betalen om op ons gemak te kunnen arbeiden; en nooit enig werk aan te nemen dat iemand van onze bondgenooten geweigerd heeft voor zekere prijs te schrijven. Indien wij ons daar vast aan hielden en dat er geen valse broeders of kladders onder liepen, zouden degenen die ons als hun slaven aangemerkt hebben, ons als hun voedsterheren beginnen te eren en te ontzien. En wy zouden tegelijk onze honger kunnen stillen en de edelmoedige zucht naar een grote naam voldoen. De boekverkopers zouden er ook geen schade bij lijden: ten minste zouden zij aan de kant van de zedekunde winnen hetgeen zij aan de kant van hun overgrote winsten verloren. Zij zouden fatsoenlijker en beleefder worden en enige achting krijgen voor brave lieden wier arbeid hun brood geeft. Ons verbond zal, zo het getroffen kan worden, vooral nut voor het volk zijn, dat dan niet langer door opgepronkte en glimmende titels bedot zal worden en geen gevaar lopen van onder twintig boeken achttien prullen te vinden.

epiloog

 

Nu maar hopen ...

dat mijn lezers dit soort ‘prul-websites’...

toch ergens smaken kunnen….

 

PS zie ook Slechte lectuur

Op een werck halfgevult met Lof-dichten.

 

Men toonde my een Boeck, maer och! de Man die't stichten,

Had daer sijn lof voor aen, in twintigh mancke dichten,

Ick dacht doen: wat wil dit? maer ick bedenck het nouw;

't Was lof op voor-raet, of ‘et niemant prysen wouw.

(Adriaen Steyn, De puntige poëet, 1669)