Puntdichten

De Amsterdamse boekhandelaar en letterkundige Pieter Gerardus Witsen Geysbeek (1774-1833) schreef een geleerde Verhandeling over het puntdicht (1810) en zorgde zelf voor een reeks Puntdichten (1809). Hij typeerde deze dichtvorm (ook bekend als ‘epigram’) met een eigen vers[1] en enkele citaten:

 

Het puntdicht

Als de inval van een oogenblik,

Is 't puntdicht kort en scherp: het geeft, om zo te spreken,

Der menschen dwaasheên en gebreken

Geen dolksteek, maar een speldeprik.

 

Epigramma est brevis satyra

An Epigram should be – if right,

Short, simple, pointed, keen, and bright,

A lively little thing!

Like wasp with taper body – bound

By lines – not many, neat and round,

All ending in a sting.

(Museum of Wit, 1800, p 37)

 

Or écoutez, Messieurs & Dames,

Par la présente on vous fait à savoir,

Que, si quelqu'un lisant ces Epigrammes,

S’y reconnoît comme dans un Miroir,

Loin de detester la Satyre,

Ou de chercher à s'en venger,

Il doit commencer par en rire,

Et finir par se corriger.

          (P.N. Destouches, Mercure de France, 1740)

 

Kann dich ein Epigramm, o Leser, nicht vergnügen

So mag die Schuld am Dichter liegen;

Doch kränkt es dich, dann wirst du mir verzeihn,

Dann schwör’ ich, Freund, die Schuld ist dein.

(F.C. Weisser, Acht Romanzen, 1804)



[1] Overgenomen uit P.G. Witsen Geysbeek, Puntdichten (Amsterdam, C.L. Schleijer, 1834).

 

 

Uit de grote verzameling puntdichten van Witsen Geysbeek volgt hier, in de originele spelling, een kleine humoristische selectie die thematisch wat geordend is.

Myn grootste gebrek

Ik heb, als ieder, myn gebreken,

En tracht me er niet van vry te spreken;

Maar 't grootst van allen, die 'k ontdek

En 't meest gevoel, is 't geldgebrek.

 

Grafschrift voor een luiaart

Hieronder rust Sebastiaan,

Die nooit iets anders heeft gedaan.

 

Op het overlyden van een luiaart

De dood heeft luijen Kiliaan

Een onbetaalbren dienst gedaan,

Met van de moeite hem te ontslaan

Van alle morgen op te staan.

 

De stervende luiaart

Myn lieve vrouw! wees niet zoo treurig en verslagen,

Sprak, op zyn sterfbed, luije Piet:

Ik word door de englen straks den hemel ingedragen.

Dat hoop ik, zei de vrouw, want anders komt ge 'er niet.

 

Klagt van den kranken doctor

Help! help! wat zal my overkomen!

Wie had me ooit dezen ramp voorzeid!

'k Heb daar in myne ylhoofdigheid

Zes myner pillen ingenomen!

 

Grafschrift voor Simplicius

Hier ligt Simplicius; men kan all' zyn bedryven,

En 't lot dat hy in 't eind verwierf,

Gemaklyk met vier woorden schryven:

Hy sliep, hy at, hy dronk en stierf.

 

Ekonomische zelfmoord

Gys heeft een zwaar bankroet verkregen

Van dertien stuivers min een’ duit:

Hy wilde in 't eerst zich wel verhangen,

Maar hy verandert van besluit:  

'k Win, zegt hy, zo 'k my ga verdrinken,

De kosten van den strop nog uit.

Exegese

Heleen! gy hebt het zelf gehoord,

De predikant leerde uit Gods woord

Dat elk zyn naasten moet beminnen,

En dit te doen valt ons niet zwaar ,

Heleen! wy wonen naast elkaèr:

My dunkt wy moesten maar beginnen.

 

Troost

Toen Alberts vrouw zich laatst in barensnood bevond,

En de arme hals van angst schier bloed te zweten stond,

Gaf zy hem dezen raad, opdat hy mogt bedaren:

“Myn lieve man! laat vry uw' angst en droefheid varen:

Het geen ik lyd verwekke u geen bekommernis:

Ik weet maar al te wel dat zulks uw schuld niet is.”

 

Grafschrift voor eene zagtmoedige vrouw

Hier ligt een braave vrouw, die nimmer schold of keef,

Door tegenspraak haar man nooit kwelde,

Die nooit een meid beknorde als zy somtyds misdreef,

't Haar toevertrouwde nooit de buuren weêr vertelde;

En, wandelaar! slaat gy hieraan niet ligt geloof,

Weet, zy was stom en doof.

 

Bekommering

Hier blykt bekommerde echteliefde

Op 't klaarst by 't ziekbed van Dorval:

De man is bang dat hy zal sterven,

De vrouw, dat hy herstellen zal.

 

Betuiging eens weduwnaars

Ik kan niet treurig zyn, en moet toch treurig schynen,

Omdat myn weêrhelft stierf.

Helaas! ik arme man!

Voorwaar, ik zou van spyt wel wenen

Dat ik niet wenen kan.

 

Betuiging eener weduwe

Helaas ! ik ben myn Albert kwyt:

Het spyt my dat het my niet spyt.

 

Fragment van een huislyk gesprek

Ik zag het met myne eigen oogen:

De duivel haal' me, als ik het lieg! riep Griet.

Ach! zuchtte stil haar weêrhelft Piet,

Ik wenschte dat zy had gelogen!

Raadselachtige ouderdom

Den waaren ouderdom van Coosje is indedaad

Niet zeer gemakkelyk te ervaren:

Gekleed is ze even twintig jaaren,

En vyftig in haar nachtgewaad.

 

Op eene lelyke schoone die slecht zong

Ik heb geen vrees dat Carolien

Ooit ligt de mannen zal bekoren:

Men heeft haar slechts by licht te zien,

En haar in ’t donker slechts te horen.

 

Profil eener vijtigjarige schoone

Wanneer in d'ouderdom vrouw Spin

Haar tanden kwyt mogt raken,

Dan kan zy met haar neus en kin

Gewis nog nooten kraken.

 

Philosophische ontdekking

't Perpetuum mobile wil ik niet langer zoeken.

Ik neem het als gevonden aan,

Sints ik Biberius van de ochtend tot den avond

Het wynhuis in en uit zie gaan.

 

De watervrees

Zes flessen wyn drinkt alle dagen

Myn buurman Kees:

Behoeft men sterker blyk te vragen

Van watervrees?

 

Inval onderweg

Ja, wacht... ik moest dit niet vergeten...

Ik ben vandaag by Van der Schraal

Genodigd op het middagmaal:

Ik ga dus eerst naar huis om te eten.

Aan zekeren schryver

Geloof toch niet, mynheer De Bezers!

Dat ik u wat te vleijen zoek:

Neen, niets ontbreekt er aan uw boek

Dan slechts gezond verstand en lezers.

 

Aan Polygraphus

'k Verzeker u, in weinig jaaren

Wordt all' wat gy thans schryft gewis vergeefs gezocht:

Uw werken worden niet by enkele exemplaaren,

Maar zelfs by ponden uitverkocht.

 

De gelegenheid

Gy kunt nooit beter' tyd beleven,

Dan thans, geleerde Van der Beck!

Om uwe werken uit te geven:

Er is aan scheurpapier gebrek.

 

Autokritiek

Bart wordt, omdat geen maandscribent

Zyn aangematigd schryftalent

Volkomen naar zyn’ zin erkent,

Uit spyt zyn eigen recensent.

 

Troost voor slechte schryvers

Hoe zot uw werken mogen wezen,

Zy zyn nog zotter die ze lezen.

 

Klagt en bewys

Thys klaagt in 't voorbericht van zyne Mengelwerken

Dat thans de smaak verbasterd is;

En waarlyk, hy heeft zulks niet mis:

Men kan het aan zyn schryfstyl merken.

 

Ronde verklaring

De verzenmaker Stroef las me een tooneel of wat

Uit zeker treurspel voor, dat hy vervaardigd had,

En vroeg wat my daarvan wel 't meeste zou behagen.

lk antwoordde: al het geen gy over hebt geslagen.

 

Compliment aan een redenaar

Uw redevoering was voortreflyk, Florival!

De woorden “'k Heb gezegd” vond ik het schoonst van all.

Tot slot enkele eigen versjes in variatie op tekst van Witsen Geysbeek:

 

Help, vroeg de dichter, ik breng mijn nachten slapeloos door.

Dan weet ik een remedie: ik lees uw eigen gedichten voor.

 

Veel geleerd geschrijf

Heeft niet veel om ’t lijf.

 

Hopelijk wordt van dit boek geen bespreking geschreven

Want het beste zou zijn als het ongelezen was gebleven.

 

Uw boek is zo verhelderend, Martijn,

Als een kaarslicht in zonneschijn.

 

Uw lezing was gelukkig zo gevat

Dat ze ook snel een einde had.

 

Volgens Socrates weet ge niets,

Maar daarmee weet ge toch iets.

 

Gij weet niets en het doet me leed

Want gij weet niet dat gij niets weet.

 

Jan heeft vannacht de geest gegeven,

Dat is meer dan hij ooit heeft gegeven.

 

Dat de dokter verhuist is goed nieuws voorwaar,

Want nu zijn alle zieken hier buiten levensgevaar.

 

Elke grafdelver kent gewoon het einde van deze zin:

Wie een put graaft voor een ander, valt er ooit zelf ...

 

Verveelt ge u zo vaak alleen, beklaag u niet te zeer,

Want in gezelschap verveelt ge anderen veel meer!

 

De directie wil niemands werklust ontnemen

En besloot daarom geen besluit te nemen.

 

Ik heb me eindelijk voorgenomen

Nooit meer bij mijn lief te komen.

Een hard besluit, ik blijf er bij,

Want nu komt mijn lief bij mij.

 

Juridisch geldt bij overspel, zowel in je blootje als met een pruik,

Geen eigendomsrecht maar de regel van ‘t naakte vruchtgebruik.

 

Omdat ze veel luider dan mannen kunnen kraaien

En sneller met elke modewind mee gaan draaien,

Vervangen we op elke toren de haan,

Want er moet alleen een hen op staan.

 

 

Puntige toemaatjes

Een 'stout' puntdicht uit de Galante dichtluimen (1780) van Hendrik Riemsnijder:

 

Aan eene Dame, die in een gezelschap een Vaarsje voor de vuist verlangde.

 
Is 't mogelijk! gebied een' Schoone mij te dichten?
 
En zoude ik een bevel, zoo streelend, niet verrigten?
 
En wel terstond? - ô ja, ik zal;
 
Mijn Dichtlust staat voor schoonen altoos pal:
 
Maar ik beken, om 't sneedig wit te raaken,
 
Zou 'k liefst apart een Puntdicht maaken.
 
[Voor wie het niet direct snapt: hoe kan men een mooie vrouw 'dichten'?]