Sommige boeken moeten worden geproefd, andere moeten worden opgeslokt, en slechts enkele moeten worden gekauwd en verteerd.

Francis Bacon, Essays (1597)
 
Pas op dat gij niet door boeken wordt verslonden.
 
John Wesley, Letters (1768)
 
Ik had uw tekst op papier ook wel willen opeten, als ik hem niet honderdmaal liever had herlezen.
 
Voltaire aan Frederik de Grote (1771)

Uit 'Apocalypse' van Albrecht Dürer

Letters eten of boeken vreten

Grasduinend in The Literary Life and Other Curiosities lees ik onder het kopje ‘speed reading’: “The ancient Tatars ate books to acquire the knowledge therein”.[1] Na wat opzoekwerk kom ik erachter dat het verhaal over de boekenetende Tataren ‘van horen zeggen’ door de Turken overgeleverd was. Een Bruggeling heeft me hierbij wegwijs gemaakt: de advocaat, bibliothecaris, historicus en bibliofiel Octave-Joseph Delepierre (1802-1879) schreef tijdens zijn werk op de Belgische ambassade in Londen een bijdrage over ‘bibliophagie’ onder het pseudoniem Onésyme Durocher.[2] Bibliofagie staat encyclopedisch omschreven als “straf waarbij de auteur van een religieus of politiek verderfelijk geacht boek gedwongen wordt zijn eigen publicatie op te eten, hetgeen vaak de dood tot gevolg heeft”.[3]  Delepierre geeft hiervan enkele voorbeelden maar in deze betekenis blijft het een zeldzaam verschijnsel. Inmiddels kennen we via moderne boeken en films het spannend fenomeen van het papiereten om belangrijke documenten te laten verdwijnen. Jorge van Burgos, de bibliothecaris in Umberto Eco’s De naam van de roos, is hiervan een bekend voorbeeld. In de meeste gevallen heeft bibliofagie echter een positieve betekenis. Het verwijst naar leeshonger die uitmondt in het verslinden van boeken. ‘Devorare libros’ was een uitdrukking die Cicero gebruikte volgens een 18de eeuwse lexicon: “De boeken opeten, dat is, naarstiglijk, met iever, of groote graagheyd lezen”.[4] De Nederlandsche Spectator in de tweede helft van de 19de eeuw publiceerde boekbesprekingen onder de titel ‘bibliofagie’. Een eeuw later schreef Remco Campert een aantal bijdragen in Het Parool onder de hoofding ‘Letters eten’.



[1] Robert Hendrickson, The Literary Life and Other Curiosities (New York, Viking, 1981) p 237.

[2] Onésyme Durocher, ‘De la bibliophagie’in Miscellanies of the Philobiblon Society, Volume 10 (London, Whittingham & Wilkins, 1866); het auteurschap is een grappig woordspel: de zeldzame voornaam suggereert een pseudoniem en verder is de achternaam van steen naar rots vertaald. Van Delepierre meldt zijn schoonzoon Nicolas Trübner in zijn 'In memoriam' (1879 p 11): "His appetite for books was insatiable"! Hij was dus zelf een bibliofaag: zie Ed Schilders, Vergeten boeken (Amsterdam, W&L boeken, 1986 p103).

[3] Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek (2002).

[4] Samuel Pitiscus, Lexicon Latino-Belgicum Novum (Rotterdam 1724) p 413.

 

‘Wie veel wil weten, moet letters eten’

Het (veel) letters eten wordt vaak gebruikt als volkse uitdrukking voor slim of geleerd zijn, al kan het ook meer ironisch doelen op vooral boekenwijsheid opdoen. De oudste verwijzing vond ik in een Gentse almanak van 1686:

De Studenten zoeken de Fortune tusschen de blaederen van hunne Boeken maer zy moeten eerst vele Pennen lekken, zomtyds het hoofd krauwen, met duyzende letters eten, en latyn spauwen, zoo abondant als klokspys’, eer zy de zelve vinden.[1]

‘Wie is een waar student?’, vroeg een Groningse almanak medio 19de eeuw:

Die, eeuwig op zijn kast gezeten,

De wereld om zich kan vergeten,

Niets doet dan letters, letters eten.[2]

Dit kan ook ontaarden zoals de Nederlandse schrijfster Anneke Brassinga getuigt, die ten prooi raakte “aan een zeldzame, lamentabele verslaving: letters eten.”[3]

Daarmee ging gepaard een niet minder funeste aandoening: pennenlikken. Om het maar in klare taal te zeggen: ik vrat boeken en rukte Jan en Alleman de vulpen uit de borstzak om eraan te sabbelen. […] Binnen mijn vier muren nam het letterzwelgen echter dermate zorgwekkende vormen aan (mijn uiterlijke verschijning werd langzamerhand die van een bijzonder kapitale O), dat de reclassering besloot mij onder behandeling te stellen van een gastro-verboloog, een klein maar eminent specialisme binnen het verslavingsveld. Als eerste therapeutische maatregel werd mij verboden letters in huis te hebben. […] Maar wat dacht u, het vlees is zwak, bij gebrek aan letters begon ik cijfers te verorberen, ze zijn wat minder sappig en de variatie blijft ver achter bij die van het alfabet. Daar staat tegenover dat de frequentie een egalere spreiding vertoont: al die e's, ze hingen me soms de keel uit, eerlijk gezegd, telt u maar na, in die twee woorden alleen al dertig procent, en meestal meer. […] Ik wil me volgaarne, mede met het oog op de vliegende tering – ik ben ten slotte nog jong en onbedaarlijk – in een alpien kuuroord vestigen met een strikt vegetarisch-analfabetisch regime, waar ik u in alle opzichten beterschap zal kunnen beloven; onder streng maar welwillend toezicht van medici en met een verse, viriele verboloog voor dag en nacht moet het lukken, moet er hoog boven de boomgrens voor mij een lang en gelukkig, letterloos en welverzorgd leven zijn weggelegd.



[1] Almanach ofte oprechten Nederlantschen hemel-meter (Gent) 1686.

[2] Groninger studenten almanak voor het jaar 1852 p 239.

[3] Anneke Brassinga, ‘Brief aan de staatsloterij’ in De Gids 2000, 163 p 950-954; ook in haar bundel Het zere been (De Bezige Bij, 2015).

 

‘Boeken vreten en niet kauwen is ongezond’, las ik ergens. De gastro-verboloog van Brassinga zal het beamen. Ook de Dordse advocaat Schull liet zich in zijn betoog over het lezen inspireren door zijn spijsvertering:

Het is eene overbekende, maar des echter altijd juiste leenspreuk, welke het lezen – letters eten – heet: uit welke leenspreuk wij, even overdragtelijk, de belangrijke wenken zullen ontleenen, die, namelijk, dat wij met smaak, met graagte moeten lezen; maar ook zorg dragen, dat wij verteren kunnen, het geen wij gebruikt hebben. Wij moeten zorgen, dat matigheid onze leidsvrouw zij; dat wij ons voor schadelijke geregten wachten; dat wij bijzonder op de gesteldheid onzer werktuigen, op den toestand onzer gezondheid letten; en, dat alles moet uitloopen tot instandhouding en tot verbetering van onzen toestand: zoo dat lezen voor den geest is, het geen spijs en drank voor het ligchaam zijn.[1]

Vrij associërend kom ik weer in Brugge uit waar restaurant Book & Brunch lichaam en geest van de hongerigen verzorgt. De mix van boekhandel en bistro of tearoom komt wel meer voor. Maar serveren ze ook eetbare boeken?  Sinds 1999 viert men op 1 april – géén grap – de ‘Dag van het Eetbare Boek’ of International Edible Book Festival. Sinds zijn er allerlei varianten van eetbare boeken gecreëerd. Het idee is trouwens oud. In middeleeuwse kloosterscholen leerde men schrijven met losse letters van brooddeeg en als beloning mochten de leerlingen de broodletters opeten, want dat hielp om ze te onthouden. Mogelijk zit dezelfde gedachte achter het gebruik van chocolade- en koekjesletters bij het Sinterklaasfeest. En wellicht geldt dit ook voor de cijfers en letters van vermicelli in de soep. Opgelet kinderen, lees eerst De ongelooflijk bijzondere boekeneter van Oliver Jeffers: hoe meer boeken Harry eet, hoe meer hij weet, maar hij wordt misselijk wanneer hij te veel boeken heeft gegeten!



[1] Peter Steven Schull, ‘Bijdrage over het lezen’ in Maandblad voor de afdeeling Zierikzee der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, 1826 p 117-138, citaat p 119.

 

Boekenworm

Een bibliofiel hoort niet graag zichzelf omschreven als een boekenworm, want hij ziet zulke diertjes liefst zo ver mogelijk uit het huis. Dat geldt ook voor de knaagdiertjes die zich in kelders of zolders te goed doen aan het papier. Christophorus van Mytilene, een Byzantijns-Grieks dichter uit de eerste helft van de 11de eeuw, schreef een gedicht over de muizen die aan zijn boeken vreten. Zijn deze boekenverslinders misschien toch lees/leergierig? Zeker in de wereld van La Fontaine, hier volgens Jan Jakob Lodewijk ten Kate (1819-1889), een Nederlands dichter en dominee die een slimme rat ten tonele voert:

Hij wist vrij wat meer van buiten

Dan de ratten, zijn kornuiten,

Die wel soms gedrukte blaân

Knabbelend naar binnen slaan,

Maar hoezeer zij letters eten,

Niets toch van den inhoud weten.[1]

 

In het zwierige Frans van de fabeldichter:

D'un certain magister le Rat tenait ces choses,

Et les disait à travers champs;

N'étant pas de ces Rats qui les livres rongeants

Se font savants jusques aux dents.

Dit soort ‘bibliofage’ rat trad ook op in een fabel van Alexandre Coupé de Saint-Donat (1818)[2] en recent vooral in het veel vertaalde boek Firmin van Sam Savage, omschreven als de “levensgeschiedenis van een literaire rat, geboren en getogen in een tweedehandsboekwinkel in een oud kunstenaarswijkje in de jaren zestig van de 20e eeuw”. Hij verschilt van zijn soortgenoten omdat hij zichzelf de literaire wereld eigen wil maken door boeken te verslinden...[3] Misschien een idee voor een animatiefilm zoals Ratatouille van Walt Disney? Toch leuk zo’n literaire rat. Ach, waar is de tijd dat de dieren nog spraken!

 


[1] ‘De rat en de oester’ in De Fabelen von La Fontaine nagevolgd door J. J. L. ten Kate (Amsterdam 1870) p 498.

[2] ‘Les deux rats’ in Fables, poésies diverses et quelques chansons (Paris, 1818 p 101-102).

[3] Firmin: belevenissen van een grootsteedse onderkruiper door Sam Savage (Signatuur, 2009).

Ecologische epiloog

"Boeken vreten bomen, dat is bekend. Schrijven is een milieuonvriendelijke, zoniet milieuvijandige daad. Elk boek maakt de wereld weer een beetje zuurstofarmer. Schrijvers zouden voor straf elke jaar een boompje moeten planten."[1]

Die straf moet dus ook gelden voor elke leeshongerige bibliofiel, want boeken (bomen) verslinden is een grove aanslag op het milieu!

zie ook Bibliomaan

 



[1] Ton Regtien, ‘Bijbel en Koran mogen de kringloop weer in’ in De Helling (tijdschrift voor linkse politiek) 1989, 2 nr 2.