Tour à la Mode

 

Als het regent in Parijs dan druppelt het in Brussel. De Franse invloed op onze gewesten, vooral wat de mode betreft, werd in de 17de eeuw sterk gehekeld zowel in satires als moraliserende geschriften.[1]  Zo ook de Brusselse Augustijn Joannes de Leenheer die in zijn Toneel der Sotten (1669) op moraliserende wijze de spot drijft met de ‘Sotheydt van de Neder-landers, aengaende hunne kleederen’. Uiteraard hekelt hij ook de excessen van de damesmode in het hierna volgende gedicht.[2]

De Sotheydt van de wulpsche Jouffrouwen.

Buyten schoon en weerdigh lof,

Binnen vuyligheydt en stof.

            Waerom uw' twee roode kaecken,

            Die beschaemt de roosen maecken,

Den Robyn, het purpur bloet,

Soo ghepresen Jouffrouw' soet?

            Waerom uw' albaste tanden,

            Soo verheven uwe handen,

Die veel witter zyn als kryt,

Oft de sneeuw in haren tydt?

            Waerom moet g'hooveerdigh wesen,

            Op uw' lipkens uyt-ghelesen,

Op uw' wanghskens als corael,

Op uw' liefelycke tael?

            Ey! en wilt dat soo niet prysen,

            'k Sal u Jouffrouw' terstondt wysen,

Dat al uwe schoonigheydt,

Is maer stof en vuyligheydt.

            Dat uw' kaecxkens die schoon blosen,

            Gloyen als twee versche rosen,

Dat uw' ooghskens suycker-soet,

Maer bedrieghen ons ghemoet.

            Hebt ghy noyt ghehadt in handen,

            Appels van seer verre landen,

Van Gomorrha droeve stadt,

die het vier heeft aen-ghevat?

            Het zyn vruchten, het zyn fruyten,

            Wonder schoon en soet van buyten;

Binnen is den ronden bol

Maer van stof en asschen vol.

            Vele die hun hier verblyden

            Met den Gecken Tour te ryden,

Vele Jouffers van dit Ryck,

Zyn dees' Appels wel ghelyck.

            Aerdigh, schoon zyn sy van buyten,

            Met hun fray ghekrolde tuyten,

Met hunn' kleertiens kuysch en net,

Met hunn' wanghskens gheblancket.

            Maer dees' gheestighe Pauwinnen,

            Zyn maer vuyligheydt van binnen:

Buyten schoon, en binnen stof,

Zyn de Jouffers van het Hof.



[1] Ilja van Damme, ‘Zotte verwaandheid. Over Franse verleiding en Zuid-Nederlands onbehagen, 1650-1750’ in Raf De Bont & Tom Verschaffel (red.), Het verderf van Parijs (Leuven University Press, 2004) p 187-203.

[2] Johan de Leenheer, Theatrum stultorum joco-serium, sive Mundus fatuus Emblematicè expressus. Toneel der sotten, Af-beeldende door kluchtighe, maer ghestichtighe Sinne-spreucken, de Sotheydt van de Weirelt (Brussel, M. van Bossuyt, 1669) p 98-99.

 

De passage ‘Vele die hun hier verblyden met den Gecken Tour te ryden’ brengt me bij een bijzondere ‘tour à la mode’ of mode-route in het Brussel van de 17de eeuw.[1]  De Brusselse advocaat en dichter Willem Vander Borght heeft het in 1643 als eerste over “eenen draey genaemt den Tour à la mode, daer al wat den naem van Jufferen voeren dert schier ghenoodtsaeckt is te verschijnen”.[2] Het was met andere woorden bon ton om op bepaalde plekken in Brussel te flaneren en die tour omvatte toen “de Nieuw-straet en de Kaey”. Die kade verwijst naar de Groendreef (Allée Verte) aan de oostzijde van het Zeekanaal in Brussel. De Nieuwstraat zag er toen echter heel anders uit. Begin 17de eeuw werd in de Brusselse ‘Broekwijk’ een kasseiweg aangelegd, de ‘Nieuwe-Onze-Lieve-Vrouwstraat’, kortweg de ‘Nieuwstraat’ genoemd. Aanvankelijk  vestigden er zich notabelen en gegoede burgers zodat de straat vooral statige herenhuizen telde. In de tweede helft van de 19de eeuw verkreeg de Nieuwstraat een meer volks karakter en pas in de 20ste eeuw werd het geleidelijk een winkelstraat. Ook de Brusselse boekverkoper en toneelschrijver Jan de Grieck bespot in zijn Sotte Wereldt (1682) de modetour “die aen-vanght in de laeghte van ons stadt, ten Nieuw-straet in”.[3]

Daer helpt geen praten van de mans,

Het wijf wilt aen den sotten-dans.

En wanneer sy dus tot de noen of langer ghepalleert, gheplaestert, en gheblancket hebben; begintmen te watertanden naer den Tour à la Mode; die haer soo behaghelyck is, dat sy nauwelycks eens en touren of keeren tot den ghenen die uyt liefde voor haer is ghestorven de bittere doodt.



[1] Ik kwam op dit spoor via N.C.H.M. Vermeulen, Jan de Leenheer. Moralisator en humanist (Proefschrift Nijmegen, 1964) p 130-134.

[2] Willem Vander Borght, Spiegel der eygen-kennisse (Brussel, Lambert de Grieck, 1643) p 73.

[3] Jan De Grieck, De sotte wereldt ofte den waeren afdruck der wereldtsche sottigheden (Brussel, 1682) p 18-19.

 

Rond dezelfde tijd hekelde de jezuiet Adriaan Poirters deze ‘tour à la mode’ en de ‘tourristen’ die hij op een prent laat zien.[1]

Den Tour van à la Mode, die hier te Lande is ingevoert, heeft dien oock niet wel so veel tijtverlies, ydelheyt, en lichtveerdigheyt, dat wy ook wel eenen Sot, ja wel een wijs man op de Vaertbrug van Brussel mochten stellen, om die Lanterfanters altemael eenen weg uyt te doen rijden, ende hunnen tijt, eer en ziel in acht te nemen?

De letterkundige en journalist August Snieders beschrijft plastisch de Brusselse ‘tour à la mode’:

De stad had in den zomer frischgroene wallen, op welker binnenkant prachtige dreven van lommerrijke linden en iepen. Hier, onder die hooge en breedgetakte boomen, kwam in den zomer het puik der bevolking en vooral het puik der straatjongens, zich verlustigen […], hier aan de wallen en langs de vaart, onder die prachtige hooge boomen, waar het hoofsche Brussel den tour à la mode volgt –nogmaals iets wat de goede Brusselaars te Parijs hebben afgekeken. […]

Onder de boomen beweegt zich eene prachtig getooide menigte; deze zijn te voet, gene te paard, andere in koetsen. De rijtuigen gaan langs deze dreef op en keeren langs de tweede terug, zoodat men de vrouwen – hoeveel verfijning reeds in de behaagzucht! – altijd in het aangezicht zien kan, ten minste als die coquetten het kleine masker niet voordoen, waarachter, nog meer dan achter den waaier, zooveel intriges gespeeld werden.

In de koetsen met rood zijden gordijntjes en welke laatsten met gouden koorden zijn opgetrost, zitten de vrouwen als godinnen ten troon, als welke zij ook worden vereerd, want wij bevinden ons in eenen tijd, waarin de galanterie tot de grootste zinnelijkheid en verwijfdheid overslaat. [2]

Ja, al een paar eeuwen geleden druppelde in Brussel de regen uit Parijs!



[1] Adrianus Poirters, Het masker vande wereld afgetrocken (Antwerpen, 1688) p 25-26.

[2] August Snieders, Anne-Dieu-le-Veut. Een verhaal uit de XVIIIe eeuw (Henri Bogaerts, 1846) p 5-6. Snieders vermeldt ook “de Magdalene-Steenweg, toen reeds de groote straat der à la mode-winkels”. Eind 18de en vooral in de 19de eeuw stond de Magdalenasteenweg in het centrum van Brussel bekend als de chicste straat met verschillende luxewinkels.