Een rommeltje voor liefhebbers

 

De eigenaardige titel van dit boek vraagt om enige toelichting. Rompslomp in de betekenis van lastige drukte is van recentere datum dan het oorspronkelijk gebruik in de 16de en 17de eeuw. Toen betekende het ‘iets in het wilde weg’, ook met verwijzing naar slordig of rommelig. Volgens Seeman, een zeemanswoordenboek van Wigardus van Winschooten uit 1681, is matschudding “dat gruis, en die vuiligheid (het sij van kooren of rijst ens.) die als de vaartuigen gelost sijn, bij een geveegd, en op een mat te verlugten geleid werden”. Het werd daarna  gebruikt voor ‘iets waaraan een luchtje zit’ en (in het Bargoens) voor ‘herrie, lawaai, ruzie’. Samengevat is het boek dus een ‘rommeltje vuiligheid uitgestort voor de liefhebbers die niet al te vies vallen’, een spektakel dat (volgens het vermelde citaat uit de Satiren van Horatius) niemand zou willen missen!

Heel opvallend wordt het anonieme boek opgedragen aan Bartholomeus Abba ‘rechtsgeleerde’. Op diens (inmiddels verloren) portret als vaandrig van de Amsterdamse burgerij in 1673 staat een kort gedicht van Vondel: “Op Bartholomeus Abba, Poëet en Rechtsgeleerde”.[1] Merkwaardig genoeg verschijnt  in hetzelfde jaar Romp-slomp, maar Abba wordt daarin geen poëet genoemd! Toeval of opzet? Ik vermoed het laatste want welke rechtsgeleerde wil nu vereerd worden met een boek vol grappen en grollen, satire en platte humor? Bartholomeus ‘Bartel’ Abba (1641-1684) was weliswaar een jurist, maar behaalde die titel aan de universiteit van Harderwijk die bekend stond om het snel verwerven (‘kopen’) van een bul. Bovendien heeft hij weinig praktijk gehad als advocaat en lijkt hij geleefd te hebben als een Amsterdamse bohémien, het prototype van de “in de zeventiende-eeuwse literatuur zo vaak beschimpte rijke jongelingen die het vermogen dat hun ouders hadden gemaakt al drinkend en spelend verbrasten”.[2] Hij wilde maar al te graag als poëet erkend worden, maar miste het talent. Hij was vooral een gelegenheidsdichter die bij allerlei gebeurtenissen verzen tegen betaling maakte. Zijn vroegere ‘collega dichters’ maar latere vijanden (Jan Zoet, Pieter Rixtel, Pieter Verhoek en Hieronymus Sweerts)  hekelden hem in hun verzen of gingen hem zelfs ronduit beschimpen o.a. met de beschuldiging dat hij zijn gedichten niet zelf maakte, doch van anderen kocht.[3] Dat is nu de man waarvan de auteur beweert: “die ick acht om u sierheyt, met uwes gelijck, met geen kettingen zijt te bekluуsteren, veel min aen een strootje te binden”. Abba wordt omschreven als een vrolijke heer die kan lachen bij tegenspoed en treuren bij een feest, een jakhals met een dubbel gezicht, want wie niet veinzen kan die kan ook niet heersen…



[1] De werken van Vondel, Deel 10 (1937) p 659.

[2] E.M. Grabowsky & P.J. Verkruijsse, ‘Gadeloos, en onuytsprekelik van waerden. Netwerken rondom de Amsterdamse schouwburg' in W. Abrahamse e.a. (red.), Kort Tijt-verdrijf (Amsterdam, 1996), p 234. Zie ook H.F. Wijnman, ‘De Amsterdamse bohémien Mr. Bartholomeus Abba. Door Vondel in een lofdicht geprezen’ in Uit de kring van Rembrandt en Vondel. Verzamelde studies over hun leven en omgeving (Amsterdam, 1959 p 149-165); oorspronkelijk in Haagsch Maandblad (1935).

[3] Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, Deel 10 (1937) p 1-3. De Oprechte Haerlemse Courant (1667) adverteert: “ t'Amsterdam wort gedruckt d'uytspanning der Rechten, van Bartholomeus Abba, Regtsgeleerde, bevattende heldendigsten, Rouwklagten, Veldt-Gesangen, Bybel-stoffen, Zinne-beelden, Hymens-toorsen, sneldigsten, Iaer-getijden en self-roerende Minne-kusjes, in Quarto, op groot Mediaen, met 40 koopere Platen, gesneden door d'alderkonstrijckste Meesters deses tijdts, met Privilegie.” Van dit boek vind ik echter geen spoor.

Het is ook een twijfelachtige eer ‘geprezen’ te worden in een boek dat anoniem verschijnt bij een fictieve uitgever. Tot op heden blijft het inderdaad een raadsel wie auteur en/of drukker geweest is. Wie is H.I.T/H.J.T., de schrijver die dit werk liet “wel eer om leeghs tijdtsverdrijf, uyt de pen rollen, met insicht, en vaste meningh”? Ook de lofdichters D.H. en P.D.C. blijven voorlopig onbekend.[1] Misschien moeten we zoeken in de ‘Bendt der Dighteren’ die Jan Zoet (1609-1674) om zich heen schaarde in zijn herberg ‘De Zoete Rust’. Dat is echter voer voor specialisten.[2] Een soortgelijk probleem had ik met de bundel Pans Fluytje die in 1675 (nauwelijks twee jaar na Romp-slomp) verscheen. Gezien de ‘aangebrande’ inhoud werden dergelijke werken, uit vrees voor sancties of rechtzaken, anoniem uitgegeven met een fictief adres.[3]



[1] Even dacht ik dat D.H. kon verwijzen naar de toneelschrijver Dirk Heynck (1630-1679), maar die was een stiefneef en vriend van Bartholomeus Abba.

[2] Rudolf Cordes, Jan Zoet, Amsterdammer 1609-1674: leven en werk van een kleurrijk schrijver (Uitgeverij Verloren, 2008).

Het voorwoord van dit boek bevat enkele interessante bedenkingen rond de opzet  van het werk. Zo vraagt de auteur zich af “of men de bedurve wereldt bekeeren most met liefelijcke aentreckelijckheen, of statige en stuerse lessen”.  Simpel samengevat: wil je mensen een (moreel) lesje geven met een blijspel dan wel met een tragedie? De schrijver kiest voor “vrolijckmakende Grillen” die op iedereen van toepassing kunnen zijn. Daarbij benadrukt hij dat de naamkeuze puur toeval is: “derhalven krijght Jan, Piet, &с. Onnosel hier een bruy, die eygentlijck op Klaes, Pou, &c. past”. Zo dekt hij zich in tegen mogelijke aantijgingen van smaad, maar verkiest toch anoniem te blijven! Wel hoopt de schrijver dat “daer eens een twede deeltje van sulck goedt aen den dach sou mogen komen”. Maar tussen zijn ‘grillen’ staat dan volgend versje dat mogelijk op zijn eigen boek van toepassing is:

In ’t lamme Amsterdam, hoe komt soo weynigh treck is?

Оm dat de Drucker, en de Schryver even geck is:

Dat hier geen previlezijs zegeltje[1] hanght aen,

Is dat de Leeu te noo[2] met Ezels willen gaen.

 



[1] Drukprivilegie of soort copyright.

[2] Niet graag, tegen zijn zin.