Ik rijm erg rot

Deze bewering van Gerrit Komrij is ook een door hem zelf gemaakt anagram van zijn naam! Hier een bekend voorbeeld van zijn rijmkunst.[1]

 

Een gedicht

 

De eerste regel is om te beginnen.

De tweede is de elfde van beneden,

De derde is om wat terrein te winnen.

De vierde moet weer rijmen op de tweede.

 

De vijfde draait u plotseling een loer.

De zesde heeft het twaalftal gehalveerd.

De zevende schijnt zwaar geouwehoer,

De achtste bloedserieus. Of omgekeerd.

 

De negende vertelt nog eens hetzelfde.

De tiende is misschien een desillusie.

De elfde is niets anders dan de elfde.

De twaalfde is van niets de eindconclusie.



[1] Uit: Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten (Amsterdam, Arbeiderspers, 1968); zie hiervan de ‘technische’ analyse: http://www.klassiekegedichten.net/archief/klas068.html

 

300 jaar tevoren knutselde een andere rijmelaar een soortgelijk gedicht[1]:

 

RONDEEL

Na een diergelijck in ’t Frans

Leerdt wat, soo kundt ghy wat.

 

Gedaen is ‘t, mits dat gy my hebt gebeen,

Оm een Rondeel; van weygren heb 'k geen reen;

Маer oock met dertien regels ’t soo te maken,

Dat seven juуst, en ses rijmen op een,

Меt ‘t eerste woordt tot dry sinnen te raken,

Dat ’s niet een beet, noch hoop ick nae ick meen

Мijn’ Vriendt u lust te stellen wel te vreen,

‘K belooft, nu ‘k u soo sie na ’t Rondeel haken!

 

Gedaen is ‘t:

Vijf regels noch kunnen meer moeyte staken,

Нier op gerijmdt al was dat maer met Aecken:

Noch drietjes maer, soo haperen daer geen,

Еy siet! hoe soet kom ick het eyndt genaken,

Daer staet het al, loop met u Rondeel heen.

Gedaen is ‘t.



[1] Uit: Romp-slomp, voor mat-schuddingh uytgestort voor de liefhebbers die niet al te vies en vallen. t’ Аmsterdam, Gedruckt voor die wil, Anno 1673. Zie 'Rommeltje voor liefhebbers' Rompslomp 

Aftelrijmpje

Begin eens bijvoorbeeld met twaalf lettergrepen
Vervolg dan met elf, en met tien enzovoort
Het is met zulke schrandere knepen
Dat de vakman de lezer bekoort
Telkens zo'n syllabe minder
Veredelt het metrum niet
Daarin zit de hinder
Zoals u wel ziet
Nu nog 'n paar
Doch meteen
Zo maar
Een

Drs. P. (H.H. Polzer) in Plezierdichten (Den Haag 1979)