Boekenkerkhof

In Verzonken boeken (1986) wijdt Gerrit Komrij een deel aan ‘Het boekenkerkhof’, de bibliotheek: “Dat is het kerkhof van ons verleden, het mortuarium van kennis, beschaving en dwaasheid waartoe iedereen vrij toegang heeft die over de toverstaf beschikt waarmee men de doden daar tot leven wekt: de toverstaf van het alfabetisme. […] Het boekenkerkhof kent veel vergeten en verwaarloosde graven, maar het is het enige kerkhof waar de opstanding nog tot de mogelijkheden behoort”.[1] De vergelijking van een bibliotheek met een boekenkerkhof werd al in 1915 gemaakt door de Nederlandse bibliothecaris Tietse Pieter Sevensma: “Voor de meeste menschen is een bibliotheek een zeldzaam-geopende, bezwaarlijk-toegankelijke inrichting, waarin de bibliothecaris zijn boeken met jaloersche zorg bewaakt en ze slechts aan enkele bevoorrechte ingewijden ten gebruike afstaat; een boekenkerkhof, waar van tijd tot tijd een enkele foliant uit de duisternis wordt opgediept”.[2] Deze omschrijving doet denken aan het decor in een reeks boeken van de Spaanse romanschrijver Carlos Ruiz Zafón over Het Kerkhof der Vergeten Boeken, een geheime bibliotheek met oude, vergeten exemplaren die bewaard worden door een select groepje ingewijden.



[1] Gerrit Komrij Verzonken boeken (Arbeiderspers 1986) p 11 & 110.

[2] T.P. Sevensma, ‘Dr. Burger en de Amsterdamsche universiteitsbibliotheek’ in De Groene Amsterdammer 18 juli 1915 p 6.

 

Maar het boekenkerkhof kan voor anderen verwijzen naar de – al dan niet ‘slegte’ – tweedehandsboekhandel of de winkels vol ramsj (‘rommelboeken’). Hier worden nog kilometers bedrukt papier tijdelijk van de ondergang ‘gered’. Anderzijds staat een immense berg lectuur een ander lot te wachten. Journalist Geert van Istendael verhaalt in Mijn Duitsland hoe in 1991, anderhalf jaar na de val van de Oost-Duitse Muur, tonnen en tonnen boeken uit de voormalige DDR op vuilnisbelten en diverse storten werden gegooid: in die tijd “raken boekenwinkels en bibliotheken van de ingestorte DDR bevangen door een niets ontziende drang, een frenesie om hun boeken te vernielen”.[1] Dit immense Duitse boekenkerkhof herinnert aan de boekenverbranding door de nazi’s in 1933. Deze voorbeelden van cultuurbarbarisme behoren tot de zwarte bladzijden in de geschiedenisboeken.[2] Het zijn collectieve vormen van wat in een speelse context omschreven wordt als ‘bibliolythie’, de behoefte boeken te vernietigen, of ‘biblioklastie’, de ziekelijke neiging om boeken te beschadigen.[3] Deze destructieve drang kan dus uitmonden in boekenmoord of ‘bibliocide’.[4] Een variant: in Die Blendung (1935) toont Elias Canetti dat een ‘boekengek’ in een wanhoopsdaad overgaat tot ‘biblio-suicide’.



[1] Geert van Istendael, ‘Katlenburg’ in Mijn Duitsland (Atlas Contact, 2010).

[3] Peter Pelckmans, Bibliogenetica of de bloedlijn van het boek (Kalmthout, Carbolineum Pers, 2017).

[4] Je kan op het internet getuige zijn van zo’n moord op 32 volumes van de Encyclopaedia Britannica: https://aeon.co/essays/burning-books-is-a-wickedly-complicated-task

 

Hoeveel auteurs hopen niet stiekem op een vleugje onsterfelijkheid of reïncarnatie via hun schrijfsels? Anderen beseffen het lot dat hun te wachten staat. De Amsterdamse gelegenheidsdichter en toneelschrijver Hermanus van den Burg (1682-1752) erkent zijn dichtsels als "meest alle ontydig ofte al te schielijk geboren kinderen, die geen nood hebben van aan de nakomelingen te verveelen, alzo zy onder de styfsel en mostert, zoo niet op de sekreeten [toiletten], zekerlijk hun kerkhof zullen vinden". Verder is hij zich bewust “dat het nootlot aller weekelykse papieren is, geconsidereert te worden als scheurpapier, om in de koffy en thee winkels, zo niet onder de bruggen, te werden gesmoort; dat wel het lot dezes bondels ook zal zyn, doch waarschynlyk niet zo haast als wel alle die loopende papieren”.[1] De Hamburgse arts Johann August Unzer (1727-1799) was de schrijver van  een succesvol populair-medisch tijdschrift De Artz. Daarin wijdt hij ook een ironisch stuk aan de vergankelijkheid van het schrijven. In een brief aan zijn drukker heeft hij het over het ‘gruwelijk’ lot dat hen te wachten staat: “Als gij uw werk dat gij met zoveel moeite zet, en ik mijn vertogen die ik alle weken zo trouwhartig gemaakt en de onsterfelijkheid toegewijd heb, zult zien geslagen om een geringe pekelharing of geplakt voor een gebroken ruit van een armelijk glasvenster...”[2] Maar zelfs dan is er nog hoop. In het ‘Het genootschap der pruiken, of waarom alle poëten pruiken dragen’ spot Otto Christiaan Frederik Hoffham (1744-1799) met de vermeende dichtertjes. Een van hen heeft de smaak van poëzie geleerd uit het verzamelen van stukken dichtwerk die geëindigd waren als inpakpapier van fruit of vis![3] Of een bewijs van het oude gezegde: de ene zijn boekendood is de andere zijn literaire brood…



[1] H. van den Burg, ‘Voorbericht’ in Mengelpoëzy, festoen veeler Parnasbloemen... II. Deel (Amsterdam, Adrianus van Boecholt, 1730).

[2] J.A. Unzer, Vertoog 152 ‘Brief van den Artz aan zynen letterzetter, over de veranderingen, welke hy voorheeft in zyn ontwerp’ in De Artz, of genees-heer; in aangenaame spectatoriaale vertoogenVierde deel, eerste stuk (Amsterdam: wed. Kornelis van Tongerlo & zoon, 1768) p 228-241. Zie ook Onsterfelijke auteur

[3] O.Ch.F. Hoffham, De Kosmopoliet, of Waereldburger (Amsterdam: David Klippink, 1777) nr 76. Pruikpoëten