Arme recensent

T.L. Vaessens, Ongerijmd succes (2006)

 

Recensies van literaire en wetenschappelijke publicaties bestonden in de 18de eeuw vooral uit neutrale samenvattingen van een werk omdat men bang was de schrijver te beledigen. De Poëtische spectator (1783-’86) was het eerste literaire tijdschrift waarin ongezouten kritiek werd geleverd op nieuw verschenen werk, iets wat tot dan toe ongekend was.[1] De redactie belichtte zelf de rol van de recensent, deels ernstig en deels ironisch:

Onder alle de oogmerken, die de Recensent, bij zijne zich zelf baaring, moet of kan gehad hebben, zijn waarschijnelijk de volgende drie de voornaamste.

1. Wraak, bedilzugt, spotzugt.

2. Om geld te winnen, op dat hij zijn schraale maag eens beter onthaalen mogt.

3. Om de letterkunde enz. en den goeden smaak te bevorderen…

Zie daar zit mijn Heer de Recensent! – waar? daar in die groote fauteuil zit hij, met een zwarte fluweele muts op, en een groote-wijde-groene-damaste Japon aan. Maar wie is die andere Heer, met die oude zwarte rok aan en groote paruik op? Laat eens zien? ei! dit is ook een Recensent. Die man ziet er eerwaardig uit: hij moet zeer vlug zijn in het beöordeelen! – hoe is het mogelijk! in één oogenblik heeft hij dat tamelijk dik boek doorgebladert, en schrijft zijne gedagten daar over – naar ik geloof – op het papier. Ik bid u, mijn Heer! gij kunt ons daar van onderrigten, heet dit nu leezen en beöordeelen? ja wel mijne Heeren! kunt gij hier aan nog twijffelen?[2]


[2] Adriaan Uyttenhooven, ‘De recensent’ in Poëtische Spectator, 1784 p 17-27.

 

In de 19de eeuw bloeide tal van letterkundige tijdschriften gewijd aan de bespreking en beoordeling van publicaties: Vaderlandsche Bibliotheek (1789-1811), Schouwburg van In- en Uitlandsche Letter- en Huishoudkunde (1805-1810), Vaderlandsche Letteroefeningen (1761-1876), en Recensent, ook der Recensenten (1806-1850). Steeds meer auteurs die zich door de (vaak anonieme) recensent onheus behandeld voelden gingen daarop in het verweer.[1] Weigerde het tijdschrift dit op te nemen dan publiceerden auteurs op eigen kosten soms uitvoerige verdedigingen, vooral bedoeld om de onkunde van de beoordelaar in de verf te zetten! De Recensent, ook der Recensenten voorzag daarom zelfs in een rubriek ‘antikritiek’, vooraf gegaan door een rubriek ‘boeken die niet hadden behoren gedrukt of vertaald te worden’...



[1] Enkele voorbeelden: Iets aan den steller van de aanmerkingen op den eersten zang der Overstrooming van J.H. de Wit, tot verdediging van laatstgenoemden (Den Haag, J. du Mée, 1820; 16 pp); Antwoord aan den recensent van de verzameling van gedichten voor roomsch-katholieken (’s Hertogenbosch, J.J. Arkesteyn, 1826; 16 pp); ‘Over de recensie van het werk: Nalatenschap van J.F. Willems’ in Leesmuseum (1856, 9; 14 pp). Zie ook Korrie Korevaart (red.), Ziften en zemelknoopen: literaire kritiek in de Nederlandse dag-, nieuws- en weekbladen 1814-1848 (Uitgeverij Verloren, 2001).

De Amsterdamse boekhandelaar en letterkundige Pieter Gerardus Witsen Geysbeek maakte in zes delen een overzicht van de Nederlandse en Vlaamse literatuur: Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters (1821-1827). Naast grondig gedocumenteerd was het werk voor die tijd ook ongezien kritisch zoals de titel waarschuwde. De pen van Witsen Geysbeek was pijnlijk scherp en zijn inkt ironisch tot sarcastisch, zoals blijkt uit deze bloemlezing:

  • Wij nemen de moeite ook niet om de titels af te schrijven van 's mans reeds lang tot scheurpapier verbruikte werken.
  • Het getal der inteekenaren op dit werk was zoo aanmerkelijk, als ooit eenig Nederduitsch werk te beurt viel; maar ook nooit zijn inteekenaren schaamteloozer bedrogen geworden.
  • Zeer spijt het ons, dat wij, ondanks alle aangewende moeite, niet hebben kunnen bekomen 's mans dichtwerk ten einde den lachlust onzer lezers in een' ongemeen hoogen graad op te wekken.
  • Al deze werken zijn prachtig gedrukt en rijkelijk met platen versierd, die meer het vermogen hebben om den lezer uit den slaap te houden dan de inhoud.
  • Dezen komt eene eervolle plaats toe onder de veelrijmers, wier werken men nu en dan eens in handen neemt, om te zien hoe men niet dichten moet.
  • Wij willen ons papier niet bezoedelen met voorbeelden van zijne morsige rijmen aan te halen; de lezing van een paar bladzijden van deze zoogenaamde boertige gedichten … is een waar vomitief voor elk die eenigen smaak en gevoel van het welvoeglijke heeft.
  • Hij heeft vijftig exemplaren laten drukken, en die aan stovendragers en plaatsbewaarsters in de kerken rondgedeeld, die waarschijnlijk er hunne boterhammen ingewikkeld hebben.
  • We vonden beiden onder een' hoop oude boeken, tot scheurpapier bestemd. Wij hebben beiden werken ingezien (lezen was van ons geduld niet te vergen), en ze aan hunne bestemming terug gegeven.
  • De beide stukjes bestaan uit een zamenweefsel van scheldwoorden en verwijtingen, waarbij niet weinig oude koejen uit de sloot gehaald worden; zullen zij een goed effect doen, dan moet een vischwijf met de handen in de zijden ze reciteren.
  • Er behoort waarlijk geen kleine moed toe om een geheel boekdeel met zulke ellendige rijmen achtervolgens uit te lezen.
  • Onder het lezen van deze stijve en nette verzen begint men te klappertanden.
  • De strenge winter van dat jaar schijnt ook invloed op den stijl van dit treurspel gehad te hebben.

Zelf was Witsen Geysbeek verbolgen over een slechte kritiek op het eerste deel van zijn ‘woordenboek’ en publiceerde zijn uitvoerig verweerschrift in het tweede deel. Daarbij merkte hij op: “Het is inderdaad een geluk voor de letteren dat de Redacteurs van den Recensent, ook der Recensenten, onder hunne rubriek Anti-kritiek, als het ware eene griffie geöpend hebben, alwaar door waanwijze en laatdunkende maandschrijvers mishandelde auteuren hunne klagten en verdediging ter inzage voor het Publiek kunnen deponeren”. Volgens Witsen Geysbeek handelt een kwalijk recensent  uit: ‘kwade trouw; neuswijsheid; onkunde; een boos hart en verwaandheid’. Hij bedoelde duidelijk niet zichzelf…

Witsen Geysbeek kritiek

uitgebreide selectie kritieken van deze hekelende poëziekenner

Slechte kritiek kan ook onbedoelde voordelen hebben, zo waarschuwde een anonieme recensent in 1805 bij de bespreking van een ‘verderfelijk’ boek:

't Is eene bedroevende waarneeming, dat scherpe recensien, door het opwekken der algemeene nieuwsgierigheid, dikwijls eene tegengestelde werking doen, en het afgekeurde boek te sterker doen leezen. Inzonderheid, misschien, mag die waarneeming gelden, wanneer het eenig voor de zedelijkheid gevaarlijk werk betreft, waardoor jeugdige hartstogt ontijdig aangeprikkeld, en nog sluimerende driften eensklaps op het gevaarlijkst ontvlamd worden. Konden wij denken, dat dit het heilloos gevolg zou zijn van onze ernstige en welmeenende waarschuwing tegen deeze schandelijke vrugt van een bedorven hart en bezoedelde verbeeldingskragt, met huivering zouden wij de al te vaardige pen nederleggen en het werk aan zijn lot overlaaten. Doch nu eene helaas! te wel geslaagde inteekening hetzelve toch reeds in veeler handen heeft gebragt, zien wij te minder gevaars in deszelfs aankondiging; en wij hebben, ondanks de zedenverbastering, welke ook tot onze Bataafsche jeugd is doorgedrongen, over 't geheel egter nog te goede gedagten van het grootste gedeelte onzer jongelingschap, (want onze vaderlandsche meisjes te waarschuwen voor een boek, 't welk op elke bladzijde zelfs het minst kiesche vrouwelijk gevoel op de aanstootelijkste wijze beleedigt en haar van edele schaamte en verontwaardiging moet doen bloozen, ware in de daad de grootste onkieschheid en de beleedigendste satyre tevens!) dan dat wij zulk eene averechtsche handelwijze van hun zouden mogen veronderstellen. Neen, braave jongeling! die onnadenkend, door uwe inschrijving, het verderfelijk eigenbelang van uitgeever en drukker hielp bevorderen, acht u gelukkig, dat gij daarvoor nog door een weggeworpen stuk gelds kunt boeten, en waag uwe zedelijkheid niet aan eene lectuur, die uwen smaak tot schande zou verstrekken, en, wat meer is, uwe verbeelding verontreinigen, uw hart bezoedelen!  […] Foei den jongeling, die ze met welgevallen leezen, wee den mensch, die zoo dichten kan![1]



[1] [Recensie] ‘De Nagelatene Poëtische en Prosaïsche Portefeuille van Mr. Pieter Boddaert. Te Amsteldam, bij H. Moolenijzer. 1805’ in Vaderlandsche Letteroefeningen (1805) p 659-660.

In 1797 bekende Jean Paul (Johann Paul Friedrich Richter): “Ik neem nooit een boek dat ik nog niet heb gelezen in handen zonder als een recensent voorop te stellen dat het erbarmelijk is”. Maar hij stelde verder: “nergens bestaat grotere gelijkenis en tegelijk antipathie dan tussen een recensent en een auteur, ofschoon dit ook bij de hond en de wolf het geval is”. De Duitse satiricus meende “dat recensenten nooit hun naam zouden moeten noemen en nooit anders dan in het donker met kritieken bezig zouden moeten zijn, omdat men hun anders geen respect betoont, zoals ook Minerva's wapendier, de nachtuil 's nachts zonder schande kan moorden en rondvliegen maar overdag als een vreemde misgeboorte der natuur onder het aanvliegend en spottend gevogelte wordt opgenomen.”[1]


[1] Vertaling door Ingeborg Lesener in Raster 1979 nr 11.

Het Utrechtse studentenblad Braga: dichterlijke mengelingen (1843-44) hekelde (in rijm) de bevlogen poëten en dreef ook de spot met recensenten in de rubriek ‘Uit den rokzak van een recensent’ met o.a. Lentelied van een recensent, Recept voor eene recensie in de letteroefeningen, De recensent en de vloo, Brief van zekere poëet aan zijnen recensent, en Raadgevingen van een oud-recensent aan zijn zoon.[1]

Raadgevingen van een oud-recensent aan zijn zoon.



[1] Braga: dichterlijke mengelingen (Utrecht, Post Uiterweer, 1853)

 

Hier nog een handvol 19de-eeuwse verzen over recensenten:

Maar, Schrijvers hekelen, Poëten? Zacht, gebuur!

Dat gaat niet, dat ’s te veel. Bedenk! de Recensenten;

En wie op ’t marktgestoelt’ de nieuwe waren venten!

Zy immers hebben ‘t hok en alle wijsheid in,

En, die iets schrijven zal, moet schrijven naar hun zin.

Willem Bilderdijk, Perzius hekeldichten (Rotterdam 1820 p 12)

 

Aan zekeren recensent

Gij, die mijn’ fouten laakt, en eigene gebreken,

Uit eigenliefd’, niet ziet! – wijs vrij mijn’ feilen aan!

Gij wijst mij ’t regte spoor, in min bekende streken;

Maar, als een baak in zee: zelf immers blijft gij staan.

Hendrikus van Berkum, Gedichten (Holtkamp, 1837 p 88)

 

Verschil van oordeel

K geeft een werk uit; en de recensent is vuil,

En scheldt er op of ’t kwam van het petit’ canaille,

Wat baat den janker toch zijn hongerig gehuil?

De maatschappij bekroont dit werk met een medaille.

Johannes Kortjanse, Kleine gedichten van Jaskeronti, Vijfde afdeeling (1843 p 50)

 

Aan een recensent

Hoe kweet ge u van de taak, die u werd opgedragen?

Gaaft gij verslag van ’t werk, of hebt ge uw man verslagen?

Dichtwerken van Nicolaas Beets, 1830-1884, Vierde deel (Leiden, Sijthoff, 1884); een sarcastische commentaar op een recensent is te vinden in Het dagboek van de student Nicolaas Beets, 1833-1836 (Den Haag 1983) p 188-189.

 

Recensent

Daar had ik onlangs een' vent te gast,

Hij was me niet lief, maar toch ook niet tot last;

Ik had mijn gewoon, mijn dagelijksch eten;

En kijk, hij heeft zich propvol gevreten

Van iederen schotel en flesch die ik had:

En pas is de kerel behoorelijk zat,

Of 'k hoor van mijn naaste buren verhalen,

Dat hij op mijn kost zit te schimpen en smalen:

 “De soep had krachtiger kunnen zijn,

 t Gebraad wat bruiner - wat ouder de wijn!”

Wat een duivelsche vent!

Sla den hond dood; het is een Recensent!

Goethe nagehinkt.

Verschenen in De Gids 1846, 10(2) p 330; vrije vertaling door ‘H’ van ‘Rezensent’ van Goethe (1773)

 

W.A. Hecker, Quos ego! (Groningen, 1844)

Over de illusie van de recensent bericht Ilja Leonard Pfeijffer:

Het cliché wil dat alle recensenten gemankeerde schrijvers zijn. Of dat nu waar is of niet, niets is leuker dan een gevreesd criticus die opeens zelf een boek uitbrengt. […] Recensenten koesteren graag de illusie dat zij op dezelfde hoogte staan als de schrijvers op wie ze zo jaloers zijn. Dat zij de andere kant vormen van dezelfde medaille: de schrijver schrijft het boek en de recensent beoordeelt het. […] Recensenten willen, alhoewel ze het talent daartoe ontberen, toch deel uitmaken van de literatuur. Ook internetrecensenten hebben last van datzelfde syndroom. Als gesjeesd neerlandicus zet je een blog op poten waarop je boeken bespreekt en je kunt rustig slapen in de illusie dat je meespeelt met de grote jongens. Sterker nog: dat ze afhankelijk zijn van jouw oordeel. Dat jij ze kunt maken of breken. Dat ze sidderen voor de almacht van jouw vlijmscherpe pen. Maar het is, zoals gezegd, een illusie. De recensent verhoudt zich tot de schrijver als de theoloog tot God.[1]

Berucht columnist, essayist en recensent Gerrit Komrij gaf blijk van enige zelfkennis: “Er bestaan, dat is waar, goede en slechte recensenten. Maar ook hier ligt 't heel eenvoudig: een goede recensent is er een die goed schrijft, een slechte een die slecht schrijft. Anders niet. Maar wat zijn hun oordelen dan waard? Doorgaans niets.”[2]



[1] Ilja Leonard Pfeijffer, ‘Ik ben recensent. Vertel mij: wat is er mis met mij?’ in  Hoe word ik een beroemd schrijver: een literair zelfhulpboek (Singel Uitgeverijen, 2012)

[2] Gerrit Komrij, Averechts (Amsterdam, Arbeiderspers 1980).

 

Het laatste woord is aan Hugo Claus die zijn bundel Alibi (1985) besluit met het gedicht ‘Envoi’:

Mijn verzen staan nog wat te gapen.

Ik word dit nooit gewoon. Zij hebben hier lang genoeg gewoond.

Genoeg. Ga elders drammen, rijmen van een cent,

ga elders beven voor twaalf lezers

en een snurkende recensent.