Als boeken echt tot leven komen

 

De Notenkraker en de Muizenkoning, een sprookje van Ernst Hoffmann uit het begin van de 19de eeuw, is beroemd geworden door de balletversie van Peter Tchaikovsky. In het fantasierijk verhaal komen huisraad en speelgoed tot leven. Een moderne variant vinden we in de populaire animatiefilm Toy Story.  En in Mr. Magorium’s Wonder Emporium komt de magische speelgoedwinkel in opstand tegen de nieuwe eigenaar. Met wat fantasie komen personages uit boeken makkelijk tot leven, zoals in de films Inkheart (2008) en Kerity, la maison des contes (2009). Maar wanneer krijgt een bibliotheek te kampen met een echte boekenopstand of komen boeken zelf tot leven? In De bibliotheek bij nacht maakt de Argentijnse essayist Alberto Manguel een reis langs alle soorten bibliotheken in de meest diverse vormen, maar in geen enkele gaan de boeken zelf tot actie over. Dat is wel het geval in The Battle of Books (1704) van Jonathan Swift, die op satirische wijze een oorlog laat voeren tussen de ‘oude’ en de ‘hedendaagse’ boeken.[1] Mogelijk hierdoor geïnspireerd krijgen in de droom van Doctor Syntax (1812) boeken vleugels en vormen ze een vliegend leger boven Londen.[2]

Flanerend, in mijn wanen, op The Strand

Zag ik, mijn ogen naar het zwerk gewend,

Een schare boeken wieken boven Londen,

Royaal verguld en luxueus gebonden.

Hun vleugels waren pagina’s gesneden,

Waarmee ze statig door het luchtruim gleden.

De lange, klapperende boekenrij,

Steeds lager vliegend, scheerde fier voorbij.

Uit alle banden viel een etiket

Waarop de schrijversnaam was neergezet.



[1] In 1743 in het Nederlands vertaald; moderne editie De boekenstrijd (Baarn, Aristos, 1997). Zie ook, mogelijk geïnspireerd door Swift,  ‘De strijd der cijfers en getallen’ in Vaderlandsche letter-oefeningen 1840, p 457 ev.

[2] ‘The Doctor’s Dream’ in William Combe, The Tour of Doctor Syntax, in Search of the Picturesque (1812) met illustraties van Thomas Rowlandson; Nederlandse vertaling van Martin Hulsenboom: Doctor Syntax op zoek naar het pittoreske (Rotterdam, Ad. Donker 2015, citaat p 170).

In zijn bibliotheek krijgt de Nederlandse dichter P.A. de Génestet (1869) het soms erg benauwd wanneer hij beseft hoe die rijen boeken hem aanstaren:[1]

In de Bibliotheek van een Liefhebber.

Geleerdheid grijnst van alle kanten

Hier door een stemmig donker heen:

Ach! met de eerwaarde folianten

In perkament, als achtbre tanten,

Ben ik, zoo jong, niet graag alleen.

 

Hu! ijzegrimmige kwartijnen,

Gij staart mij zoo verschriklijk aan,

Als waar' hij erger dan profaan,

Die aan uw saaien schuifgordijnen

Zijn wuften handschoen durfde slaan.

 

't Is boek van onderen tot boven!

Hier groeien boeken uit den grond:

Ai help! ik voel mij zoo bestoven,

Als relden al die filozofen

Gelijk uit hun papieren mond!

 

Hij, die dees achtbre rijen schikte,

Bouwde eens aan Babels toren meê;

Hier hebt gij de oudheid, stof op sneê!

En – hoe ik van de titlen schrikte –

Verwarring is hier 't groot idee.

 

Ik zou vergeefs mijn vrienden zoeken,

Ik heb geen moed en geen pleizier;

Het is of gij uit alle hoeken

Mij toebromt, o pedante boeken:

‘Gij zijt geen boek, wat doet gij hier?’

 

Hoor! De oude grenen kasten kraken,

De meester komt..... het vunze stof

Dampt naar de zoldring duf en dof!

Ik mag mij uit de voeten maken,

Ik voel een bitsen schouderklop,

Ik zie twee opgesperde kaken.....

De boekeneter eet mij op!



[1] P.A. de Génestet, ‘In de bibliotheek van een liefhebber’ in Dichtwerken (Amsterdam, Kraay, 1869 p 132-133).

 

Op de boekenplank van journalist en schrijver Hans van Straten (1952) stappen de helden uit hun banden en zoeken troost en vertier bij elkaar.[1]

Nacht op mijn boekenplank

Weer een afschuwlijke nacht

en op mijn boekenplank

stappen de helden uit hun banden

en lopen een straatje om

want niets vermoeit zo als heldendom

 

Raskolnikov en Josef K.

gaan op bezoek bij Frits van Egters

zij zeggen tegen elkaar

wat een leven

je zal toch romanfiguur zijn

altijd een bestaan van papier

tussen andere wezens van papier

met hun kleine intriges van papier

en hun viezigheidjes van papier

en als je eens met een vrouw naar bed wil

dan is ook zij van papier

is dat nou het existentialisme

 

Arthur Ducroo en Dr Dumay

praten wat na over Forum

ze zeggen vond je dat laatste nummer

van Libertinage ook zo slecht

 

Meneer Visser heeft een geringe hartstocht

opgevat voor Sara Obreen

maar die kijkt naar Adrienne Mesurat

en denkt misschien word ik toch lesbisch

 

achter in de Villa des Roses

heeft Mathieu Delarue een bar ingericht

geopend van 12 tot 3

daar vertelt de man die Donderdag was

zijn triest verhaal aan commissaris Maigret

terwijl Lady Chatterley zachtjes

snikt op de schouder van Arthur Muttah

die zo graag haar zoon wil zijn

 

een meneer vraagt en Nana

de arme Nana

u weet wel Nana uit het boek van Zola

ach meneer schei toch uit

wie leest er nu nog Zola

kijk liever naar Alide

zij heeft haar jurk uitgedaan

en danst in haar broekje voor Anton Wachter

maar die doet of hij niets ziet

 

attentie

daar komt Jacques Gans

de enige romanfiguur

die zijn eigen auteur is

bonjour monsieur Gans

twee borrels voor meneer

 

maar Gans zegt niets

hij is bedroefd

hij mist Léautaud

en Julien Sorel

is een te kleine compensatie

 

in een donkere hoek

hebben twee verliefden

zich uitgestrekt

met verlegen gefluister

bekennen zij elkaar hun liefde

en besluiten meteen

die liefde te voltooien

 

nee nee vraagt u niet

wie dat zijn

ik ben discreet

ik verzwijg hun namen

maar laten wij blij zijn

dat ook op deze breedte

liefde kan bestaan

liefde niet minder reëel

dan lieve lezeres

tussen u en mij



[1] Hans van Straten, ‘Nacht op mijn boekenplank’ in Tijd en Mens, 1952, 3 p 212-213.

 

In de roman Al te luide eenzaamheid (1988) van de Tsjech Bohumil Hrabal maakt het hoofdpersonage al 35 jaar balen van oud papier en boeken, waarbij hij op een dag mijmert:

...soms denk ik ook wel eens bij mezelf dat de boeken een komplot tegen mij smeden, […] zo zouden de boeken weleens een gerechtvaardigde vergeldingsactie tegen mij kunnen ondernemen, want elke gruweldaad wordt maar al te graag betaald gezet.[1]



[1] Geciteerd in Jan Van Herreweghe, Genadeloze boekenliefde (Harelbeke, 2010 p 5). Zie ook Boekenkerkhof

In de bibliofiele wereld van Gerrit Komrij (1978) brengt de boekenliefde soms al die ruggen op de boekenplank tot leven:[1]

Allengs kwamen, als hij zo lag te staren, zijn knieën dichter bij zijn kin en dreef hij, vredig dromend, weg naar landen waar veel stilte was, en roomijs. Het leek of hij werd teruggevoerd naar een allervroegste larvenstaat. De ruggen zweefden voor zijn ogen, kregen benen en armen en werden tot leven gewekt. Gezichten hadden ze, met wonderlijke uitdrukkingen. Je had er heel droevige ruggen bij, en ruggen die voortdurend hun wenkbrauwen optrokken. Hun armpjes en beentjes waren wat dun, zodat ze zich sprieterig en stijf bewogen. Het was een gewemel en gedruis, hij ging er volkomen in op, ze sponnen hem in. Hij vond ze zulke grappige wezentjes. En ook zij beschouwden hem als een goede vriend. Ze konden niet praten, al probeerden ze het wel. Soms gingen hun smalle mondjes open, zoals onder water een vermoeide en oude, bronchitische makreel een luchtbel uitstoot, met lange tussenpozen. Maar geen geluid kwam eruit.

Maar telkens wanneer Komrij (1996) poogt zijn bibliotheek op te ruimen wordt hem dat niet in dank af genomen door zijn boeken:[2]

Bibliofobie

Ik doe duizend boeken weg en na een poos heb ik er tweeduizend terug. Ik verkoop tweeduizend boeken en nog geen jaar later heb ik er vierduizend bij. Ik draag mijn boeken stapel na stapel het huis uit, waarbij ik mijn ruggewervels haast breek en mijn armen door de torenhoge hoeveelheden papier steeds langer schijnen te worden, maar ijl als gas sluiten de boekenrijen zich achter me weer aaneen. Loodzwaar verdwijnen ze, vederlicht duiken ze op. Van elke plank verwijder ik tientallen boeken en geen plank wordt er leger van.

Ik haat ze, die wijsneuzen. Ruggelings staren ze me aan met hun misselijke en nutteloze slogans. Af en toe verbeeld ik me zelfs dat ze naar me bijten. Voor de buitenwereld onzichtbaar, maar voor mij o zo duidelijk gaan er tienduizenden mondjes tegelijk open, ik zie de messcherpe rattetanden erin schitteren, een gigantische, druiventrosachtige massa getuite openingen gaapt spottend naar me en klapt weer dicht. Er zal een dag komen dat ze zich op me zullen storten om me te verorberen, met huid en haar.

Ook luister ik, zo nu en dan, angstig naar het gejoel in mijn bibliotheek. Onverhoeds begint het om, snel en snerpend hoog, aan te zwellen tot een kolkende kakofonie van verwijten, scheldwoorden in bizarre talen en litanieën van in de steek gelaten en dooreengehutselde alfabetten. Dan ebt het, even plotseling als het gekomen is, weer weg. Maar ik heb het wel gehoord, jazeker. Een wee gevoel van weerzin maakt zich van me meester als ik daar, op een plank die alleen maar met een trap te bereiken is, het pedante rijtje boeken zie staan, een allegaartje van jewelste, dat ik tien jaar geleden nog per se wilde lezen – ik kwam er maar niet toe en kwam er maar niet toe. Op een dag verhuisde ik ze, ook al – uiteraard – omdat er intussen een behoorlijke nieuwe stapel te lezen boeken was aangegroeid, resoluut en in gesloten slagorde naar die onbereikbare plek. Daar beneden, in de hoek bij de radiator, rust ook die nieuwe stapel allang weer. Keurig rechtop, maar nog altijd in de volgorde waarin ik ze toen wilde lezen. En daar, de ongelezen boeken van vijf jaar geleden. En hier, de verstoten liefdes van vorig jaar. Ze loeren naar me, azen op me, de haat is wederzijds, ik voel het.

Ik ril als ik aan al die miljarden letters denk die, als je ze ook maar even door elkaar zou schudden, niet de minste betekenis meer opleveren. Ik huiver bij de gedachte aan die miljoenen stoffige, grauwe vellen die ze tussen hun platten torsen en die, als het ook maar lichtjes door het plafond zou gaan lekken, niets meer voorstellen dan een papperige, zwakzinnige brij. Wat heb ik aan hun vage boodschappen, hun oude nieuws, hun kreten en gejengel uit een voorgoed voorbij verleden? Het zijn jaloerse vrijsters die zich tegen me hebben gekeerd omdat ik niet langer met ze flirt. Ik wil me bevrijden van hun juk en een nieuw, fris leven beginnen. Ik verlang naar een lichte wereld, zonder hun ballast.

Wat moet ik met dat eczeem dat neerschilferde van al die inmiddels fossiel geworden generaties en dat als ongevraagd geschenk voor mij achterbleef? Het is een warboel, en het verwart me. Weg er mee – totaal, absoluut.

Maar hoe ik mijn best doe, het lukt me niet. Nooit zal het me lukken, besef ik pijnlijk. Het zou zijn of ik mijn darmen, toch ook een walgelijk labyrint van verbindingen die enkel in mijn buik, en enkel daar, op zonderlinge wijze functioneren, er uitrukte en opvrat. Het zou zijn of ik mijn hersens, die zinloze pap van kleffe cellen en anders niet, uit mijn kop schoot. Het zou mijn dood zijn.



[1] Gerrit Komrij, ‘Slakkehuizen’ in Halfgod verzamelaar (Amsterdam, De Bezige Bij, 2012, citaat p 21; oorspronkelijk 1978).

[2] Gerrit Komrij, Verzonken boeken (Amsterdam, De Arbeiderspers, 1996 p 232-233).

 

 

De jonge Komrij raakte hevig verliefd op boeken:[1]

Hij was benieuwd waar de boeken in de kraam vandaan kwamen. Welke mensen hadden die ooit gemaakt, gekocht en gelezen? Welke persoonlijke geschiedenissen waren aan die boeken verbonden? Dat vond hij veel interessanter dan hun smetteloze staat. Het gaf niet als een boek had gediend om de tafel te stutten, als er een bladzijde was uitgescheurd of een hoekje ontbrak. Hij hield ook van de verkreukte, treurige exemplaren. Ontfermde zich graag over de weeskinderen en verschoppelingen onder de boeken. Hij kon zeer ontroerd raken door hun lot.

Geknakt ben ik, mijn jas is aangevreten,

Bevingerd werd ik als de goorste slet,

Ik hield de windvlaag tegen in de spleten

En ging met jan en alleman naar bed –

 

Ik was materiaal voor exegeten,

Het receptakel van gebed en wet,

Gesel en zachte zalf voor het geweten,

De keizerzetel van het alfabet –

 

Dit alles ben ik en toch wou ik graag

Nog één keer groentje zijn, een ijdel blaag,

En dan de hand die – wat ik had gehoopt –

 

Mij van de stapel optilt en mij koopt,

En dan de jongenshand of meisjeshand

Die in mij bladert, bevend, zonverbrand –

 


[1] Gerrit Komrij, Ik, het boek: een levensverhaal (Utrecht, Boekverkooperscollegie Eendragt, 2003); fragment uit het nawoord van Onno Blom en gedicht, in Halfgod verzamelaar (Amsterdam, De Bezige Bij, 2012, p 290-291).

Dit ‘levensverhaal van een boek’ gelijkt sterk op de ‘autobiografie van een boek’ van de Italiaanse bibliofiel en schrijver Andrea Kerbaker (2004):[1]

“Op 5 april 1999 heeft het tienduizendste deel zijn intrede in mijn boekenverzameling gedaan. Bij die gelegenheid heeft een van hen het woord gevraagd om zijn laatste veblijf in een boekhandel te gedenken. Dit is zijn verhaal”. Hij wordt verkocht, gelezen, staat in een mooie boekenkast, wordt verbannen naar de gang, dan doorverkocht. Nieuwe handen bladeren door zijn pagina's, andere boekenplanken en andere eigenaren volgen. En ook al wordt hij in literair opzicht wat bejaard, voor verzamelaars en serieuze lezers ontleent hij nieuwe kracht aan het feit dat hij een eerste druk is. Het boek reist dus verder, naar huizen, boekenplanken en antiquariaten. Hij maakt zich soms vrolijk over de verschillende generaties lezers, luistert naar wat ze zeggen, observeert hun gedrag. Hij heeft slechts één angst: de oud-papierbak.

 

Ach, wie schrijft er nog eens een sprookje over de tijd toen de boeken nog spreken konden? [2]



[1] Andrea Kerbaker, Bericht vanaf de plank. Autobiografie van een boek (Amsterdam, Mouria, 2004).

[2] In ‘Trilogie’ laat Annie M.G. Schmidt de boeken zichzelf al zingende voorstellen (Cabaretliedjes; Amsterdam 1952).