Varia 2 menu

Absurd theater

Een sleepseller

Urografie

Overspelige Vlaamse meisjes

West-Vlaamse eretitels

Sexographe

Fuivers op rijm

Leve de uitspanning

Het foute proefschrift

Met de deur op stap

Een stille trek

Cupido of manneken pis?

Monokini

Absurd theater

 

In 1845 verschijnt volgend programma van een theatervoorstelling die in 1927 plaats zal vinden in de 'Tunnel onder het IJ', een Amsterdamse tunnel die er in 1968 zou komen... Let op: heeft u reeds betaald voor uw tickets dan mag u niet binnen!!

De komiek: mengeling van humor en satyre, scherts en luim, in proza en poëzij (Amsterdam, G.T. Bom, 1845 p 49)

Een sleepseller

Tijdens zijn pittoreske reizen maakt de Engelse dominee Doctor Syntax (1812) schetsen en notities in de hoop met zijn reiservaringen een bestseller te schrijven. In een herberg leest hij een deel van zijn reisverslag voor:

Maar tijdens die diepzinnige oratie

–  Hoewel hij sprak met zeggingskracht en gratie,

Zijn voeten stampend op de houten vloer,

Zijn zware stem verheffend met bravoure –

Begonnen alle luisteraars, want gapen

Infecteert, van lieverlee te slapen!

Er viel pardoes een pijp uit iemands mond,

Een ander zakte snurkend op de grond,

Een derde, overmeesterd door Klaas Vaak,

Had blijkbaar een te zware onderkaak.

Eenieder sliep, behalve Tom en Sue

(Die werden anderszins behoorlijk moe).

De Doctor had volstrekt niets in de gaten:

Hij hoorde slechts zichzelf bevlogen praten.

 

Maar Dr. Syntax beseft niet dat zo’n boek het gedroomde medicijn kan zijn tegen slapeloosheid! zie Slechte lectuur & Rare rijmen

William Combe, The Tour of Doctor Syntax, in Search of the Picturesque (1812) met illustraties van Thomas Rowlandson; Nederlandse vertaling van Martin Hulsenboom: Doctor Syntax op zoek naar het pittoreske (Rotterdam, Ad. Donker 2015, citaat p 137).

Urografie

 

Een kunstboek op het toilet? Hier mijn suggestie:

  • Jean-Claude Lebensztejn, Figures pissantes: 1280-2014 (Paris, Éd. Macula, 2016)
  • Johan J. Mattelaer, Hoognodig! Plassen in de kunst (Amsterdam University Press, 2018)

 

Anatomisch is het ook de geschikte plaats voor de lectuur van Gerrit Komrij, Kakofonie – Encyclopedie van de stront (De Bezige Bij, 2008): volgens de flaptekst is deze scatologische encyclopedie een onmisbaar boek in de verzameling van elke geletterde toiletbezoeker!

Overspelige Vlaamse meisjes

Così fan tutte (‘zo zijn ze allemaal’) was de derde opera van componist Mozart en tekstschrijver Lorenzo Da Ponte. De ondertitel van de opera La scuola degli amanti (‘de leerschool van de geliefden’) verwijst naar het verhaal van twee jonge mannen die een liefdesexperiment aangaan in een weddenschap om de trouw van hun geliefden te testen. Van bij de eerste opvoering in 1790 was het een groot succes. In 1791 volgde al een Duitse versie, Liebe und Versuchung, van Heinrich Gottlieb Schmieder. In 1794 gaf de Duitse blijspelauteur Christoph Friedrich Bretzner een vrije bewerking uit onder de merkwaardige titel: Weibertreue, oder die Mädchen sind von Flandern. Wat komen die Vlaamse meisjes hier doen, vraag ik me af? In twee aria’s wordt duidelijk waarom (ik vertaal hier vrij):

Zoeken mannen, soldaten, een trouw hart? Nee, die zeggen dat voor de grap, want ze komen uit Vlaanderen.

Eeuwige trouw zweren is niet meer de mode. Geen meisje laat daarvoor nog een traan, jong en oud, geloof me op mijn woord: ze komen allen uit Vlaanderen!

In de periode waarin deze tekst tot stand kwam behoorde Vlaanderen tot de Oostenrijkse Nederlanden en blijkbaar hadden soldaten vrolijke herinneringen aan hun legerdienst in onze contreien…

Christoph Friedrich Bretzner, Weibertreue, oder die Mädchen sind von Flandern. Ein komisches Singspiel in zwei Akten, mit Musik von Mozart. Nach Cosi fan tutte frey bearbeytet (Leipzig, Friedrich Gotthold Jacobäer, 1794) aria’s op p 23 & 74

West-Vlaamse eretitels

 

Hier beklaagt een man zich over de dagelijkse ‘eretitels’ vanwege zijn ‘kwade vrouw’, een sappige stroom verwijten van West-Vlaamse origine:

Wat ick doe, wat ick beghinne,

Noyt en krygh ick een schoon woordt:

Maer brenght wonder grillen voort.

Dus komt sy my daegh’lycks groeten:

Slappen Hannen, botten Kloeten,

Quiste-keerse, Fierelaey,

Droncke-beeste, slechten Gaey,

Jan Tert-sochte, Hinne-taster,

Trantelaerder, Maghe-laster,

Lichte-schuyte, Suyse-bol,

Vrouwe-knyser, Viesen grol,

Rap van tanden, traegh in wercken,

Licht van sinnen, Herbergh-vercken,

Gast-huys-brocke, Lanterfant,

Tafel-schuymer, Sonne-quant,

Vuylen Tryper, Hoere-jagher,

Droncke-tote, Hoorne-dragher,

Sotten Esel, plompen bloedt,

Galghe-spyse, Duyvels broedt,

Swalle-broeck, en ander namen,

Die ick soude selve schamen

Hier te brenghen voor den dagh,

Soo een ieder dencken magh.

Jacob De Clerck, ‘Quade vrouwen dwangh’ in Eerlyck tydt-verdryf (Brussel, Jan Mommaert, 1652). De auteur, afkomstig van Ieper, behoorde tot de rederijkerskamer van Hazebroek (nu in Frans Vlaanderen).

 

 

Sexographe

 

Op de veiling van 20 maart 2021 bij Morel de Westgaver in Brussel is een instrument aangeboden dat de kippenkwekers en duivenmelkers zou kunnen interesseren omdat het met een pendelbeweging aangeeft welk geslacht zich onder de eierschaal bevindt! De ‘sexographe ‘ was gebrevetteerd in 1917 door een zekere professor Jules Capron.  Het toestel werd aan enkele wetenschappelijke studies onderworpen en bleek gemiddeld 50% het juiste geslacht gependeld te hebben…

Jean-Pierre Martin, ‘Le sexographe du Professeur J. Capron’ in Clystère, n° 13, 2012.

Fuivers op rijm

Robben Hol-buik, Schoon Aaltje,

Ott Licht-hart, Mees Pakkebier,

Elsje Goorgat, Labbige Baaltje,

En Joost Lul met Schalke Pier

Crijn Spilpenning, Smullige Arent,

Hille Slets, Hein Groten-dorst,

Maaiken Monkels, Drollige Barent,

Jop Onguur, Doe Smeer-de-borst,

Deze die gingen met malkander

Spelen, en in ’t komen thuis,

Wist de een goed van de ander,

Waren zij niet bolleken buis?*

Gerrit Cornelisz van Santen, Tijd-verdrijfjes ofte epigrammata (Delft, Jan Andriesz., 1626), hier in moderner spelling gezet. * = dronken in ’t hoofd

Leve de uitspanning

 

Als coronakluizenaar grasduin ik graag in oude boeken en voor me ligt Dichtkundige academische uitspanningen van Abraham de Bosson (1777). In Vlaanderen is de term ‘uitspanning’ in onbruik geraakt. “Rond de 16-17de eeuw betekende het woord uitspannen zowel ‘het losmaken van voor de wagen gespannen paarden’ als ‘tot rust komen’. Een uitspanning is van oorsprong dus een plek waar paarden uitgespannen werden en konden rusten tijdens een lange reis. Aangezien dat wel even kon duren, was er vaak een herberg of café bij, zodat naast de paarden ook de mensen aan hun broodnodige ontspanning toekwamen.” In coronatijden willen we er eindelijk op uit en dus pleit ik voor de herwaardering van de uitspanning, want na een gezonde buitenhuis INspanning wacht ons de ONTspanning in de UITspanning!

https://ivdnt.org/actueel/woorden-van-de-week/woordbaak/wat-is-een-uitspanning-en-waar-komt-het-woord-vandaan/

Een taalkundig toemaatje: de AFSPANNING in 2 verschillende betekenissen: 1) gelegenheid langs de weg waar men iets kan eten en/of drinken; horecagelegenheid; herberg; uitspanning. 2) afsluiting; afzetting; omheining. In coronatijd is het dus nog afwachten tot de afspanning van de afspanning opgeheven wordt!

 

Het foute proefschrift

 

De arts en dichter Abraham de Bosson studeerde te Leiden geneeskunde en promoveerde er tot doctor in de medicijnen in 1777, het jaar dat zijn bundel Dichtkundige academische uitspanningen verscheen. Daarin hekelt hij het proefschrift van een vriend en medestudent: ‘Op de bevordering van den Heer N.N. tot Doctor in de Medicijnen, zijnde zijne Dissertatie over het nadeel der sterke dranken’.[1]



[1] Abraham de Bosson, Dichtkundige academische uitspanningen (Leiden, weduwe Abraham Honkoop en zoon, 1777) p 65-66, ingekort.

Wel D... hoe kwam 't u toch in 't hoofd

Tot nadeel van den borl[1] te schrijven?

Dit had ik nooit van u geloofd:

Wie moet met u den spot niet drijven?

't Is immers u genoeg bekend,

Hoe wij aan 't edel vocht gewend,

Tot streeling onzer ziel en zinnen,

Dien frisschen godendrank beminnen,

En gij – Foei wat pedant bestaan!

Toont ons het nadeel daar van aan.

Ik moet uw zotlijk opzet wraaken,

En – kan 't geschiên, bespotlijk maaken.

Een Groen[2] is immers nooit een man,

Zoo hij niet deftig drinken kan,

‘k Zou wel een slegt Studentje weezen,

Die voor een glas drie vier zou vreezen;

Neen vriend! Genever, Brandewijn,

En Persico[3] die moet er zijn.

Wat gij ook te onbedacht moogt praaten,

Dien nectar zal men nooit verlaaten;

Neen D .... geloof, 'k bedankte jou,

En spotte met uw laffe grappen,

Zoo gij geen' bittren borl woudt tappen,

In 't kort, één woord zoo veel als zes,

Geen losse vreugde zonder fles

Dit moest gij immers klaar bevatten,

En ons vermaak zoo laag niet schatten,

Zoo ge ooit of ooit fortuin wilt maaken,

Moet gij dit lastig schimpen staaken.

 



[1] Borrel

[2] Eerstejaars student, ‘groentje’

[3] Perziklikeur

Na enig speurwerk vond ik het ‘foute’ proefschrift: Dissertatio medica inauguralis de abusu liquorum spirituosorum. Johannes Henricus Dürcks uit Eschwege in Hessen kwam naar Leiden geneeskunde studeren omdat de medische faculteit een internationale faam had sinds Herman Boerhaave (1668-1738) er hoogleraar was geweest. Met het genoemde proefschrift promoveerde Dürcks in 1776 tot doctor in de medicijnen, waarna hij zich vermoedelijk vestigde als arts in Amsterdam.[1] Maar zo ‘fout’ was zijn dissertatie niet, want de Gentse medisch historicus Leo Elaut beschreef het als ‘Het eerste medisch geschrift over het alcoholmisbruik’![2]



[1] Algemeen Nederlandsch Familieblad nr 38, 27 sept 1883 p 5: ‘Naamlijst van de doctoren te Amsterdam sedert het jaar 1641’.

[2] Leo Elaut, ‘Het eerste medisch geschrift (1776) over het alcoholmisbruik’ in Scientiarum Historia,1969, 11 p 5-16.

 

Met de deur op stap

 

In de maand mei van 1852 ging Mevrouw De Maeght met enkele vrouwen op jaarlijkse bedevaart en gaf haar man de opdracht dat hij “op de deur moest letten”. De gehoorzame Prosper hief de deur uit haar hengsels en nam ze op een kruiwagen mee van café tot café… Zo’n grap verdient een monument: Prosper De Maeght staat sinds 1986 vereeuwigd met een levensgroot standbeeld in het centrum van Eine (deelgemeente van Oudenaarde).

 

Een stille trek

Het Britse tabaksbedrijf Allan Brothers (later onderdeel van de Imperial Tobacco Company) bracht rond 1888 een nieuw merk sigaren op de markt onder de naam Marcella dat erg populair werd. Hier een bijzondere advertentie: eerst twee ontwerpen en dan de hierop gebaseerde reclames voor ‘een stille trek’.

 

Commentaar bij deze reclameposter van Jan Lavies (1955): "Op een schijnbaar vanzelfsprekende manier wist Lavies de merknaam aan de beoogde doelgroep te koppelen. De stap van 'fiction' naar lezen was natuurlijk zo gezet, maar dat hij het boek liet rusten in de hand van een zelfbewuste, elegante vrouw was zonder meer een subtiele vondst. Romans waren immers, ook toen al, vooral populair bij vrouwen en juist zij zouden moeten bezwijken voor de verlokkingen van Golden Fiction."

Fragment uit 'Daar steek je wat van op' in Martin Hulsenboom & Peter IJsenbrant, Boeken uit de doeken (Stichting Dr. P.J. Cools, 2017) p 41.

Cupido of Manneken pis?

1637 - 1646

 

In zijn boek over Jacob Cats merkte de Leidse hoogleraar Nederlandse letterkunde Gerrit Kalff op: “De graveur Van der Venne heeft op een der prenten die den tekst van Trou-Ringh begeleiden, een Cupidootje afgebeeld dat overeenkomst toont met het befaamde ‘Manneken’ uit Brussel.” Het gaat om de berijmde novelle ‘Houwelick door droomen’ waarvan de oudste prent te vinden is in 's Werelts begin, midden, eynde besloten in den trou-ringh (1637). Deze koperets is van Crispijn van den Queborne naar een tekening van Adriaen Pietersz van de Venne. Kan deze laatste zijn inspiratie gevonden hebben in Brussel bij het befaamde fonteintje van ‘manneke-pis’? Niet onmogelijk maar weinig waarschijnlijk.[1]

In opdracht van het Brusselse stadsbestuur maakte de beeldhouwer Hiëronymus Duquesnoy de Oudere in 1619 een bronzen beeldje vermoedelijk geïnspireerd door de ‘putto pisciatore’, een plassend jongetje dat in het 15de eeuwse Italië bekend stond als symbool voor vruchtbaarheid. Dit thema, ook bekend als ‘puer mingens’, gaat terug tot de antieke Romeinse kunst die een heropleving kende in de renaissance. De oudst bekende afbeelding van het Brusselse ‘manneken pis’ is een kopergravure van Jacob Harrewijn in Les délices des Pais-Bas (1700). Ik ga er vanuit dat Van der Venne in zijn prent uiting gaf van zijn kennis van de symboliek van het plassende jongetje en hiervoor geen ommetje naar Brussel nodig had.[2]

 


[1] G. Kalff, Jacob Cats (Haarlem, Tjeenk Willink, 1901) p 77; een variant van de prent verscheen in de editie van 1646 van 's Werelts begin, midden, eynde besloten in den trou-ringh.

[2] Les délices des Pais-Bas (Brussel, François Coppens, 1700 p 103); zie ook de lezing met illustraties van Manuel Couvreur, ‘Un pisseur parmi tant d'autres - Origines et significations de l'iconographie du Puer mingens’ (2017) https://lacademie.tv/conferences/un-pisseur-parmi-tant-d-autres

 

Harrewyn 1700

Monokini

 

Romeyn de Hooghe (1645-1708) werd vooral bekend als tekenaar en etser, maar hij was ook erg controversieel en verwikkeld in allerlei schandalen. Zo zou hij pornografische prenten gemaakt hebben al is dat betwist. Postuum verscheen van hem een boek over oude godsdiensten vol allegorische illustraties die getuigen van een grote fantasie. Onder het mom van didactiek kon hij heel wat bloot tonen al bleef dat wel braaf. In het hoekje van zo’n prent zit dit vrijend paartje waarbij mijn oog viel op haar bijzondere monokini, een ‘netje van bies gevlochten’ volgens de merkwaardige verklarende tekst: “Vrouwen en Maagden, met het Hoofd gedekt, aan de weg zaten, ruykende Zemelkoeken in de Hand hebbende, en onder aan ’t Lyf verbonden met een Netje van Bies gevlochten, als een Schermband, op Pityrà of Heratees Offertyd, by andere Melecheth, of, Koningin des Hemels, genaamt, niet als tot Hoerejacht. Deze wierden alzoo door de voorbygaande vreemdelingen aangeranst, en willens geschonden, juychende over de schennis, als over eene roemwaardige daad, tegen zulke, die nevens haar zaten.”

Romeyn de Hooghe & Arnoldus Henricus Westerhovius, Hieroglyphica of merkbeelden der oude volkeren (Amsterdam, Joris van der Woude, 1735) p 202-203; Henk van Nierop, De vernuftige etser: Het scandaleuze leven van Romeyn de Hooghe (Prometheus, 2019)