Uitlenen zonder bloedneus

In een 18de eeuws boek, dat ik netjes gekocht heb op een veiling, schreef Harmen Bakker in 1792 op het perkamenten plat in een kinderlijk handschrift (modern vertaald):

die het boek vindt brengt het weer om een appel of een peer

die dat niet doet die zal hebben neuzebloed [1]

 


[1] J.W. Luder, Vermakelyke oraculen, ofte kortswylige voorzeggingen (Amsterdam, Erve vander Putte, 1790).

 

 

Daarentegen wordt de vinder van een ander boek met de hemel beloond:

ootmoedich versoeck

van desen boeck

Die mij vindt als ick ben verloren

Wilt hij sijn Godts vrindt uijtverkoren

Dat hij mij gheve aen mijn Meesteres

T’is Maria Elsmortel u Dienaresse

De Huijsvrou van Peeter Vander Veken

Sij sal altijdt deught van u spreken

Sij woont inde straete van S. Cathelijn

Daer men distilleert ghebranden Wijn.

Sij sal oock Godt bidden in haer leven

Dat hij u voor Loon den Hemel wil geven.

Brugge, 1667 den 23 April

 

In de middeleeuwse publieke bibliotheken werden boeken letterlijk aan de ketting gelegd om diefstal te voorkomen. Kort na de uitvinding van de boekdrukkunst in de 15de eeuw dook de gewoonte op om in een boek een ‘ex-libris’ te zetten: een geschreven, gedrukte of gestempelde aanduiding van de eigenaar. Naast een teken van prestige voor de verzamelaar werd het ook een voorzorg tegen verlies of diefstal van een boek, in de hoop het zo terug te krijgen.[1] 

Marsh's Library in Dublin

The Enemies of Books (1880) van de Engelse drukker William Blades beschrijft de vele gevaren die boeken bedreigen: vuur, water, stof, boekenwurm en ander ongedierte, boekbinders, verzamelaars, poetsvrouwen en kinderen. In dit rijtje ontbreken echter de vrienden:

 

Advies aan de bibliophilen.

Er zijn vier vijanden te vreezen voor de boeken,

Stof, wormen, ratten en . . .

Nu, dit zijn de ergste, die ik ken:

De goede vrienden, die in leening hen verzoeken.[1]

 

De Engelse bisschop Richard de Bury schreef in 1344 het oudst bekende tractaat over boekenliefde waarin hij al waarschuwde voor het uitlenen van boeken.[2] Het is een bekend verhaal: je praat enthousiast over een boek uit je eigen bibliotheek en prompt vraagt een bevriende bezoeker het ‘even’ te mogen lenen. Hoe ga je dan om met “die sluimerende angst dat je het boek niet terug zult zien”? Het literair zelfhulpboek De boekenapotheek geeft dan het volgende advies: “Ontwerp ter voorkoming hiervan je eigen ex-librislabel dat je in ieder boek kunt stoppen dat je uitleent – compleet met nauwkeurige instructies over hoe het boek na lezing moet worden geretourneerd en een waarschuwing voor de gevolgen van te laat of niet terugbrengen (gebruik je fantasie; dreigen met vervloeking werkt goed, hebben wij gemerkt).”[3] Of die laatste opmerking echt werkzaam is betwijfel ik, maar vroeger werden ‘boekvloeken’ blijkbaar wel ernstig genomen. Vooraan in het boek schreef men dan een bedreiging of een vervloeking, niet zelden een verwensing naar de hel of een bedreiging met de dood.[4]

Ik heb dus geluk gehad en ben enkel ontsnapt aan een bloedneus, maar ik houd in gedachten: “Een mens moet nooit z’n boeken, z’n gereedschap en z'n vrouw uitlenen”.[5]



[1] Prudens Van Duyse, Nagelaten gedichten – Tiende deel: Rijminvallen (Roeselare, De Seyn-Verhougstraete, 1885).

[2] Philobiblon - over de liefde voor boeken; Nederlandse vertaling bij Carbolineum Pers (2006).

[3] Ella Berthoud & Susan Elderkin, De boekenapotheek (Podium Uitgeverij, 2013).

[4]  N.J. Singels, 'Boekvloek en boekmerk' in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, 1921, 31 p 81-87; L.S. Thompson, ‘A cursory survey of maledictions’ in Bulletin of The New York Public Library, February 1952, p 55-75. Zie ook http://www.cubra.nl/edschilders/edschildersboekvloek/welcome.htm & http://www.cubra.nl/edschilders/edschildersleners/welcome.htm 

[5] Citaat uit Jan Mens, ‘Op liefdes lichte voeten’ in De grote vier omnibus (De Arbeiderspers, 1962 p 385)