Leuvens huwelijk

 

De Nederlandse dichter, jurist en politicus Jacob Cats bracht einde 16de eeuw een tijd als student burgerlijk recht in Orléans door en oefende zogezegd zijn Frans in het gezelschap van schone juffers. Gelukkig, zo schreef hij achteraf, kon hij zijn amoureuze verlangens intomen en een overhaast huwelijk vermijden:[1]

Een los en ydel oog genegen om te mallen,

Sal ligt ick weet niet waer de zinnen laeten vallen:

Maer een die trouwen wil, die moet syn losse waen,

Die moet syn weelig groen eerst laeten overgaen.

Dan sald’er ander werck in syn gedachten komen,

Dan kan hy eerst verstaen wat vrouw hem dient genomen:

En wie ‘er voor het huys en voor een deftig man

En wie het gantsch gesin tot voordeel dienen kan.

Siet als ‘er iemand trouwt in laeg of hooge Schoolen,

Dat is geen rechte trouw, dat is maer enckel doolen.

't Is dwaesheyt als de jeugt ontrent haer boecken vryt,

Dat is ontydig werck, dan is het leerens tijt.

Al die in haere jeugt wel eer te Leuven trouwden,

En op soo swacken gront haar echte leven bouwden,

Die hebben in 't gemeen hier in heel misgetast,

Haer saecken naderhant die gingen niet te vast.

't Gevry was aengenaem, maer siet ten lange lesten,

Voor 't noodig huysbedryf en was ‘er niet ten besten.

Den doeck ginck voor den boeck, dus had men niet geleert,

En daerom word den wulp met geenen steen vereert.

Het trouwen buytens tyt laet dat voor jonge zotten;

Een Leuvens huwelyck en dient maer om te spotten:

Gesellen, wieje zyt, betoomt uw weelig bloet;

Eer dat men is volleert en is geen trouwen goet.



[1] Gedachten op slapeloose nachten... mitsgaders het twee-en-tachtig-jarig leven van den selven heere van zyn geboorte tot zyn dood toe (Amsterdam, A. vander Putte, 1660); zie ook Gerrit Kalff, Jacob Cats (Haarlem, Tjeenk Willink, 1901) p 34.

 

Dit is de bekendste passage waarin het ‘Leuvens huwelijk’ opduikt, een blijkbaar destijds vertrouwd begrip. De jezuïet Adriaan Poirters werd gezien als de katholieke tegenhanger van Jacob Cats. Hij verwierf grote populariteit met zijn veel herdrukt boek Het masker van de wereldt afgetrocken (1646). In zijn moraliserende strijd tegen het ‘gevaar van de wellusten’ merkte hij op:  “Naementlijck ben ick indagtigh van een weduwe die my vertelde dat sy ten houwelijck brocht eenen stuyver, ende haeren man seven oort, en soo sy ghetrouwt waeren ghinghen sy voor twee blancken ghebranden wijn drincken, dat was de bruyloft die sy hielden. Dierghelijcke vrijagien, ende versaminghen heetmen in Brabandt Leuvensche houwelijcken”.[1] Deze term duikt nog meer op in de 17de eeuw. Als student maakte de latere burgemeester van Leiden Coenraad Ruysch een ‘grand tour’ door Europa en in april 1676 ontmoette hij in Genève “seekeren heer de la Porte uyt Zeelandt, wel eer tyts soo swack geweest sijnde van hier een Leuvens huewelijck uyt suyveren liefde” aan te gaan.[2]

De uitdrukking ‘Leuvens huwelijk’ is voor het eerst terug te vinden in een boek over Vlaamse gezegden van de Brugse humanist en rechtsgeleerde Frans Goethals uitgegeven door Plantijn in 1568. Zonder verder uitleg staat er: ‘Huwelick van Lueven – Mariage de Louvain’.[3] Of de uitdrukking nog bekend was na de 17de eeuw blijft onduidelijk. Ze kwam wel terecht in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (1915): “Een Leuvensch huwelijk. Een onberaden, lichtvaardig huwelijk; eig. het huwelijk van iemand die studeert, nog niet zelfstandig is.”[4] Zelf heb ik in Leuven gestudeerd maar de uitdrukking was me niet bekend, misschien omdat studenten al lang niet meer geneigd zijn in de huwelijksboot te stappen?



[1] Het masker van de wereldt afgetrocken (Antwerpen, weduwe & erfgenamen Jan Cnobbaerts, 1646) p 154. 

[2] https://alanmoss.nl/category/coenraad-ruysch/; zie ook Anna Frank-van Westrienen, De groote tour. Tekening van de educatiereis der Nederlanders in de zeventiende eeuw (Amsterdam, Noord-Hollandsche Uitgeversmaatschappij, 1983) p 56.

[3] Frans Goethals, Les proverbes anciens flamengs et françois correspondants de sentence les uns aux autres (Antwerpen, Christoffel Plantijn, 1568) p 47;  zie P. Swiggers & E. Zimont, ‘Uit het spreekwoordenboekje van Franciscus Goedthals (1568): Een 'Leuvensche' sprokkel’ in Leuven Historisch, 2019, 60 p 14-21.

[4] WNT VI, 1340. Zie ook: F. Van Es, ‘Mariage de Louvain? Leuvensch huwelijk?’ in De Brabantsche Folklore, 1932, 11 p 341; R. Cornette, ‘Mariage de Louvain? Leuvensch huwelijk?’ ibidem 1927, 7 p 234-235