Varia 3 menu

Science fiction in de 18de eeuw

Boeken/flessen-wijsheid

Nutteloos tennis

Groteske Van Ostaijen

Kunst van de cravate

Biechtboekjes

Verrassende emblemen

Een 'drollige' prent

Gered door een boek

Dwars verdronken

Science fiction in de 18de eeuw

 

De Franse natuur- en scheikundige Louis-Guillaume de Lafolie (1739-1780) wist zijn wetenschappelijke kennis te combineren met een rijke verbeelding. Onder het motto ‘docent ludendo’ (al spelende leren) droeg hij zijn boek Le Philosophe sans prétention, ou l'homme rare (1775) op aan de geleerden wiens nieuwsgierigheid hij wilde prikkelen – zoals een vrouw in een aantrekkelijke kleding – met een fantasierijke in plaats van saaie wetenschap. Dit mondde uit in een bijzondere science fiction beschrijving van het eerste electrische vliegmachien, bestuurd door een buitenaards wezen, een man afkomstig van Mercurius die gelukkig Frans kon spreken! In zekere zin was De Lafolie visionair al maakte hij de eerste stappen in de luchtvaart niet mee: de experimenten in 1783 met hete-luchtballons door de broers Montgolfier. Op zijn beurt inspireerde dit de Brusselse schrijfster Cornélie Wouters, barones de Vasse (1739-1802) tot het verzinnen van een reis naar de maan: Le Char volant, ou Voyage dans la lune (1783).

Louis-Guillaume de La Folie, Le Philosophe sans prétention, ou l'homme rare. Ouvrage physique, chymique, politique et moral, dédié aux savans (Paris, Clousier, 1775). Zie Joël Castonguay-Bélanger, ‘Le Philosophe sans prétention ou le laboratoire romanesque de Louis-Guillaume de La Folie’ in Doute et imagination – Constructions du savoir de la Renaissance aux Lumières (Paris, Garnier 2011) p 239-255; Marjorie Hope Nicolson, ‘The first electrical flying machine’ in Voyages to the Moon (New York, Macmillan, 1948); https://www.onverticality.com/blog?tag=flyingmachine; https://blogs.princeton.edu/rarebooks/2009/03/an-important-landmark-in-the-e/

 

Boeken/flessen-wijsheid

 

Het gebruik van uitgeholde boeken als geheime bewaarplaats is een oude gewoonte. Ook zijn heel wat namaakboeken gefabriceerd om allerlei in te verbergen. De titel laat dan niet vermoeden wat de echte inhoud is. Een mooi voorbeeld werd geveild bij Bubb Kuyper (19 mei 2021): in een devote Breviarum Romanum stak een ongeopend likeurflesje Deutscher Weinbrand Roulette merkwaardig genoeg samen met een Manuel de mécanique (1838). Misschien is dit toch niet zo’n toevallige combinatie als je weet dat het boekje over ‘hydrostatica’ gaat, dus over vloeistoffen in evenwichtstoestand... en dit gebaseerd op het werk van Johann Albert EytelWEIN!

Nutteloos tennis

De Franse dichter Barthélemy Aneau (1552) beschreef het balspel als een nutteloze grote inspanning “en dat alles voor een bal, een ding van geringe waarde, want er blijft niets over eens je met zo veel zweet je ledematen hebt uitgeput”. De Hongaarse humanist Joannes Sambucus/Szamboky (1564) noemde het gewoon tijdverlies:

Tijt verlies, Totten ketsbal.

Hoe bedriechdy de iongers ghy balleken cleene?

Maectyse stercker, oft condy hen yet geven?

En als u t'racket opdrijft, vliechdy alleene

Door u eygen cracht verre buyten schreven?

Corts wordy gevonden, en wederom gedreven

Den selven wech, diesmen u vercoopt even seere.

Den siecken en dorfdy beloven een gesont leven,

Daer ghy de gesonde af berooft telcken keere.

T'gelt doedy verquisten, en door eens anders eere

Triumpheert ghy: u dienen woorden en gesten licht.

Voortijts en was sulcx niet des bals wet noch leere,

Noch t'ketspel en brocht van gelde niet sulcken gewicht

Door dees abuysen sijnen Meester diet had gesticht.

Dus mindert den cost, en geeft ons weder den tijt,

Oft nemmermeer en moety meer vliegen met iolijt.

 

B. Aneau, Picta poesis / L’Imagination poétique (Lyon, 1552); ‘De Emblemata van Joannes Sambucus uitgegeven door de Officina Plantiniana’ in De Gulden Passer, 1980, 58 p 36-37.

Aneau (1552) / Sambucus (1564)

Groteske Van Ostaijen

“De Belg is een kalkoen die in de waan leeft pauw te zijn”. Deze merkwaardige zin deed me het groteske werk van Paul Van Ostaijen ontdekken. Hij wordt deze dagen de Vlaamse hemel ingeprezen voor zijn Bezette Stad van 100 jaar geleden. En ik kende hem enkel van zijn dichtwerk, waardoor ik eens te meer moet bekennen een groot gat in mijn cultuur te hebben, want Paul schreef wonderlijk proza en groteske stukken die waarlijk hilarisch zijn. Dus tijd om die eens te ontdekken. Twee leestips:

  • Over de vlaamse leeuw, de nederlandse leeuw, de belgiese leeuw, de dubbel-leeuw van ‘Löwenbräu’…

https://www.dbnl.org/tekst/osta002verz03_01/osta002verz03_01_0008.php?q=diergaarde#hl1

  • Over het medisch avontuur van de trekharmonikaspeler:

https://www.dbnl.org/tekst/osta002verz03_01/osta002verz03_01_0006.php?q=trekharmonika#hl1

Kunst van de cravate

Bladerend in een veilingcatalogus van Zwiggelaar Auctions (Amsterdam) stuit ik op een merkwaardig boek over de kunst van het dasknopen wat uiteraard veel eleganter klinkt in het Frans: L’Art de mettre sa Cravate. In twaalf lessen krijg je naast een schets van de geschiedenis ook een cursus over het modieus gebruik van stropdassen, sjaaltjes en andere vestimentaire halsgordels. ‘Indispensable à tous les fashionables’ volgens de auteur, Baron Emile de l'Empésé. Ondanks zijn bijgevoegd portret bleef deze ‘baron’ een pseudoniem. Eerst vermoedde men Noël Lefebvre-Duruflé of Emile Marco de Saint-Hilaire als vermomde modespecialisten. Het boek  verscheen in 1827 in Parijs bij de Librairie Universelle, maar kwam van de persen ‘imprimerie Balzac’. Dat had reeds snel de weg moeten wijzen naar Honoré de Balzac die een eigen uitgeverij had en graag wat mode-adviezen gaf, zoals in zijn Code de la toilette (1829) en Traité de la vie élégante (1830). Toch werd hij lange tijd niet ‘ontmaskerd’ als cravattenexpert (zelfs in de catalogus van Zwiggelaar staat hij niet vermeld). Misschien droeg zijn verschijning daar toe bij: op de meest iconische  foto staat hij met half ontbloot hemd! Zijn boek over de cravate kende snel herdrukken en ook, naar ik vermoed, enkele roofdrukken in Brussel, met een paar varianten in het portret van de ‘baron’!

Baron Emile de l'Empésé, L’Art de mettre sa cravate de toutes les manières connues et usitées, enseigné et demontré en seize leçons, précédé de l'histoire complète de la cravate depuis son origine jusqu'à ce jour; des considérations sur l'usage des cols, de la cravate noire et l'emploi des foulards. Ouvrage indispensable à tous les fashionables (Paris, Librairie Universelle, 1827; Bruxelles, Perichon Ainé, 1827). Zie: Emilie Hammen, ‘Les préceptes de la différence. Manuels d’élégance masculine autour de 1830’ in Modes pratiques, revue d’histoire du vêtement et de la mode 2020, 1, p 128-147; http://archives.hauts-de-seine.fr/bibliotheque-andre-desguine/morceaux-choisis/se-divertir-avec-la-bad/de-la-cravate/balzac-arbitre-de-lelegance-et-quelques-autres/

editie Parijs - editie Brussel - Balzac

Biechtboekjes

 

In het prachtige boek Brugge in 100 objecten (Ludion, 2020) staat een bijdrage over het doven- en blindeninstituut Spermalie en de bibliotheek van zijn oprichter Charles-Louis Carton. Daar zijn enkele speciale ‘biechtboekjes’ te vinden uit de 18de en begin 19de eeuw. Voor doofstommen die niet konden lezen waren boekjes met tekeningen gemaakt, zodat men aan de biechtvader de bedreven zonden kon aanwijzen. En de priester kon op zijn beurt tonen wat de zondaar moest doen om vergeving te krijgen. Ook voor de ‘gewone’ katholieken bestonden er boekjes om zich voor te bereiden op de biecht. Een populair voorbeeld kwam uit de pen van de Keulse minderbroeder Christoph Keutbrewer. Zijn Industria spiritualis (1634) werd in vele talen uitgegeven, waaronder het Nederlands: Gulde biecht-konst (1646). Maar een Franse versie (La Confession coupée, 1677) trok mijn aandacht omdat hier de mogelijkheid werd geboden om een zonde uit het boekje te knippen en mee te nemen naar de biecht!

Zie: A. De Meester, ‘Oude biechtboekjes voor doofstommen’ in De Biekorf, 1953, 54 p 31-37. https://www.flickr.com/photos/bibliotheekkortrijk/albums/72157610078715358/http://www.flandrica.be/flandrica/items/show/1189

Keutbrewer werd vaak foutief Leutbrewer genoemd en zijn boekje beleefde herdrukken tot ver in de 18de eeuw: Gulde biecht-konst, om op den tyd van min als twee uren zig te bereyden tot eene generaele biechte (Brussel, Frickx, 1646); La Confession coupée, ou la Méthode facile pour se préparer aux confessions particulières & générales (Paris, Claude de Hansy, 1677).

Verrassende emblemen

De Amsterdamse boekhouder Claas Bruin was literair zeer actief met vooral toneelstukken en diverse dichtbundels, waaronder enkele in het populaire genre van de embleemboeken: telkens wordt een kleine betekenisvolle afbeelding vergezeld van een spreekwoord of gedicht. In Uitbreiding, over honderd leerzame zinnebeelden (1722) zijn de emblemen traditioneelstichtend en religieus geïnspireerd. Maar met twee afbeelding is iets bijzonders aan de hand. Bij het dertiende zinnebeeld, ‘Ik vind rust in de beweeging’, staat volgende verklaring:

De Amerikaan maakt hier zyn bed,

Gehegt aan Kokusboomen,

En slaapt bevryd van schroomen,

Terwyl hy, door geen zorg belet,

Gewiegt word van de winden.

Wanneer je echter de prent goed bekijkt ligt er in de hangmat een naakte vrouw… Bij embleem 97, ‘Het nederdalen is gemakkelyk’, heeft de drukker blijkbaar een grapje uitgehaald door de prent zelf een kwart te laten nederdalen!

Claas Bruin, Uitbreiding, over honderd leerzame zinnebeelden (Amsterdam, Hendrik Bosch, 1722); https://www.dbnl.org/tekst/brui008uitb01_01/brui008uitb01_01_0017.php. De gravures zijn vermoedelijk van Adolf of Adriaan vander Laan (1684-ca 1755).

Een 'drollige' prent

 

Gerrit Komrij zou deze anonieme pentekening zeker meteen willen kopen want op de veiling van 9 juli 2021 bij Peter Kiefer (Pforzheim) staat nr 2307 omschreven als ‘Skatologie’. Op het eerste gezicht lijkt dit inderdaad een ‘drollige’ prent, maar nader onderzoek toont dat het gaat om een Duitse spotprent op de Vrede van Utrecht (1713). Met vereende krachten – onder het motto concordia res parvae crescunt (door eendracht groeien kleine zaken) – draaien een Engelsman, een Fransman en een Nederlander een forse drol. In de vredesonderhandelingen stond Frankrijk centraal (“sil vous plait” – als het u belieft), won Engeland het meest (“iam please” – ik ben tevreden) en moest Nederland braafjes ondergaan (“ick maeck mee” – accoord, ik doe mee). De oorlogsvoerende landen hadden al veel opgeofferd in de aanslepende gevechten en “noot breeckt isen” of nood breekt ijzer (de wapens). Zo kwam er uiteindelijk de “pax” of vrede van “oŇ© treck”: phonetisch te lezen als Utrecht. Al blijft het verband met deze tekening nog onduidelijk, het Amsterdamse Rijksmuseum bezit een opvallende penning met een sterk gelijkend motief. Hoewel ongesigneerd is deze het werk van de Duitse medailleur Christian Wermuth (1661-1739). Op de keerzijde staan dezelfde figuren met bijna identieke teksten. Van deze politieke spotpenning uit 1714 bestaat nog minstens een andere variant. Dankzij Ed Schilders, een bibliofiele scatologie-expert, snap ik nu ook de prenttekst die ontbreekt op de penning: “Compt Dreck … wijt 3 eijer” –  er komt drek uit 3 eieren. Ik citeer Ed: “Het ei in verband gebracht met ontlasting is een bekend motief uit de scatologische volkscultuur. Vaak is het dan een soort ‘comedy of errors’: iemand draait een drol – meestal wel in het donker – en een ander denkt dat het een ei is.” De geschiedenis heeft ons echter geleerd dat, ondanks de Duitse kritiek, het vredesverdrag geen fopdrol of windei is geweest.

Bronnen: Gerrit Komrij, Kakofonie – Encyclopedie van de stront (De Bezige Bij, 2008); Künker Auktion 232 (Osnabrück, Numismatischer Verlag Fritz Rudolf Künker, 2013) item 343; Edward Hawkins, Medallic Illustrations of the History of Great Britain and Ireland to the Death of George II (London, British Museum, 1885) p 409-410; Revue belge de numismatique et de sillographie, 1878, 34 p 112-114. Met dank aan Ed Schilders voor de tips en uitleg.

 

Gered door een boek

De Hongaarse psychiater Leopold Szondi (1893-1986) stond als soldaat in het Oostenrijks-Hongaarse leger aan het front in de eerste wereldoorlog. Bij een ontploffing in 1916 raakte hij bij wonder niet gekwetst omdat de granaatscherf die zijn rugzak doorboorde bleef steken in Die Traumdeutung, het vuistdikke boek van Sigmund Freud. Geen wonder dat hij ‘voorbestemd’ was om psychiater te worden en een bijzondere persoonlijkheidstheorie ontwikkelde. Als alternatief voor de freudiaanse psychoanalyse formuleerde Szondi de Schicksalsanalyse: onze onbewuste verlangens en drijfveren zijn deels terug te voeren tot ons (nood)lot! Aan de andere kant van het oorlogsfront redde een boek een Franse soldaat. Maurice Hamonneau overleefde een artillerieaanval toen een kogel afketste op een pocketboek in zijn linker borstzak. De redder was Kim van Rudyard Kipling in de Franse editie van 1913. Toen Maurice vernam dat John Kipling, de zoon van de Engelse schrijver, gesneuveld was zond hij hem de pocket samen met een militaire onderscheiding die hij gekregen had. Kipling was hierdoor zeer aangedaan en beloofde alles terug te zullen sturen zodra Maurice zelf een zoon zou krijgen. Zo gebeurde ook: de jongste Hamonneau werd Jean gedoopt ter ere van de overleden John. Vader Kipling gaf in een brief aan Jean de raad steeds een boek van minstens 350 bladzijden in de linker borstzak te dragen…

Karl Bürgi-Meyer, Leopold Szondi: eine biographische Skizze (Zürich, Szondi-Verlag, 2000); The book that saved a life: https://www.loc.gov/item/myloc12/

Zie ook het met kogelgaten doorboorde boek Point Blank in Blanco boeken

 

Dwars verdronken

 

Aan de lexicograaf Jacob Kramers (1802-1869) danken we de vaak herdrukte Kramers’ Woordenboeken. Op 17 april 1869 werd hij vermist en na negen dagen verdronken teruggevonden. De ironie wil dat hij ruim twintig jaar daarvoor een spottende anekdote over verdrinking had geschreven onder de titel ‘Dwarsdrijverij’:

Eene vrouw had haren man zoodanig baloorig gemaakt, dat hij de deur uitliep om zich in de nabijzijnde rivier te verdrinken. Toen hij na eenige uren niet terug keerde, werd de vrouw toch ongerust, en liep het water stroomopwaarts langs om hem te zoeken. “Maar, wijfje lief,” sprak iemand tot haar, wien zij haren angst te kennen gaf, “dien weg uit zult gij den drenkeling niet vinden; hij zal toch niet tegen den stroom opdrijven.” “Ach vriend!” hernam zij, “ge weet niet wat dwarsdrijver hij altijd was! Hij zal er zoo gauw niet op gebeterd zijn.”

Dit soort verhalen dook al een paar eeuwen daarvoor op, zoals bij Richard Verstegen in Den Wet-steen des Verstants (1620):

De huysvrouwe van eenen hooghduyts, wesende in een rivier door ongeluck verdroncken soo ist den man ter plaetse gecomen daar sy in viel, om haer doot lichaem te visschen, ende van daer ghinck hy al opwaerts tegen den stroom eenighe die dat saeghen, die seyden hem dat hy behoorden nederwaerts met den afgaenden stroom te soecken, door dien dat de doode lichaemen altoos af drijven met den loop van het water. Ick gheloove seyde den Duyts dat andere lichaemen dat wel moghen doen, maer sy was soo contrarie tot de reden, ter wijlen dat sy leefden dat het onmogelijck is, maer sy moet daer contrarie tegen zijn nu dat sy doot is, en daerom gaen ickse soecken, soo ickse best hope te vinden.

Jacob Kramers, ‘Dwarsdrijverij’ in Jaarboekje voor de stad Gouda (1845); zie Ewoud Sanders, ‘Het kastje van Barbanelle - Jacob Kramers: de beschonken lexicograaf’ in Onze Taal 1992, 61 p 167. Richard Verstegen, Den Wet-steen des Verstants (Antwerpen, Willem Lesteens, 1620); zie https://oudegrappen.simplesite.com/438397275 De anecdote werd vaak verwerkt in grappen, bijv. Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae: Een zeventiende-eeuwse verzameling moppen en anekdotes (Amsterdam,  P.J. Meertens Instituut, 1991). Zie ook Disputeerziekte