Reglement voor Poëten

De Brusselse boekverkoper en toneelschrijver Jan de Grieck publiceerde in 1682 De sotte wereldt, een verzameling komische anecdoten die de spot drijven met de ‘ydelheydt en sottigheydt’ van allerlei mensen. Erg grappig is zijn betoog over ‘de sotheydt der poëten’: vanop de berg Parnassus, verblijf van de muzen der kunsten, vaardigt Apollo, de god van de dichtkunst, een reeks verordeningen uit waar dichters in spe aan moeten voldoen. Dit reglement voor poëten is ondertekend door Traiano Boccalini, wiens satirische ‘nieuwsberichten uit Parnassus’ (1612) zeker De Grieck mede hebben geïnspireerd.[1]



[1] Jan de Grieck, De sotte wereldt ofte den waeren af-druck der wereldtsche sottigheden (Brussel, Jan De Grieck, 1682) p 75-80. Ragguagli di Parnaso (1612) was destijds in vele talen populair; Nederlandse vertaling van N.J. Wieringa, Secretarie of Schryf-zaal van Apollo (Amsterdam, 1627).

 

De Sotheydt der Poëten ofte Dichters.

Indien wy den handel van onse Poëten, eens naukeurigh ondersoecken; wy sullen bevinden datter onder dit gheselschap vele Ghecken en eydele Tydtquisters zyn. Besonderlyck die sich bemoyen met het maecken van onnutte Comedien of sotte kluchten, laster en Schimp-Liedekens, daer sy den goeden naem en faem van Koninghen, groote Dames, en andere eerlycke Vrouwen en Dochters mede stelen en verkorten. Wat belanght hun manieren van doen, die syn seer vremdt en belacchelyck. Sommighe slaen haer met het plat van de handt voor 't hooft om te besluyten, of sy aen-schyn oft aen-ghesicht sullen segghen, wyf ofte Vrouwe, sieck oft kranck schryven. Andere wandelen dan hier dan daer, al droomende, om een Rymke te vinden, dat somtydts soo wel ten princepalen dient, of op de materie past, als certyn en fyn. Vele verslyten haren tydt met Logens te versieren, minne-klachten, en on-kuysche madrigaelen te maecken. Eenighe knaghen en eten (als rasende Menschen) hare naghelen, en dat somtydts tot het bloedt toe af. Vele sich verstouten (schoon hare Rymen in’t wilt rennen als een onghetoomt Peert) hun dien loffelycken eer-Tytel toe te schryven van Poeet. Tot dien eynde ontleenen of stelen sy (buyten en tegen wille van der Autheur) iemandts veersen, om die voor de hare te venten. Kort gheseyt, sy zyn in dese sotheydt soo hoogh op-ghetogen, dat by haer alle huysselycke oeffeninghen aen een syde staen. Soo dat de Heeren Wetgheveren der noyt volprese Poësye, merckende dese en sommige andere ghebreken der Poëten, eydelick baer ghedwongen hebben ghevonden, met Vrouwe Minerva, vooghdes der hooghe en laeghe Letteren, en toe-stemminge van de negen Musen, te ordonneren en statueren, ghelyck sy ordonneren en statueren mits dese, de Artyckelen hier naer volghende.

In den eersten, niemandt en sal hem vermoghen den loffelycken Eer-Tytel toe-schryven van Poëet, voor en aleer hy by onse Ghedeputeerde daer over behoorelyck ghe-examineert is. Ten minsten dat hy, soo door het leren van oude als nieuwe Historien, eenighe ervarentheydt heeft, tot het maecken van een Comedie ofte Lier-Dicht: op pene van ghegeeselt te worden met een groot ghetal scherpe punt-dichten.

Ten tweeden: geen Poëet en sal eenighe aen-sienlycke materie moghen verhandelen, waer in hy de vaerdigheydt meerder behert als de nettigheydt: veel minder synen roem daer op draghen: ofte schryven voor syn werck, gherymt binnen den tydt van soo veel, of soo veel ueren, op pene van thien jaren ghebannen te worden uyt syn Vaderlandt met confiscatie van alle syn papieren en ghedichten, ten profyte van onsen Fiscael den Heer Obliviarius.

Ten derden: soo wie hem vergrypt, iemandts anders ghedichten (buyten en teghen wille van den Autheur) voor de syne te venten: sal (als schuldigh aen Kinder-diefte) onbequaem gheacht worden tot bedieninge van eenighe ampten. En voorts arbitralyck ghecorrigeert worden .

Ten vierden: geen Poëet sal vermoghen eenighe Tragedie of Comedie, door iemandt anders laeten over-setten, uyt eenighe taelen, om de selve over-settingh in syne Vaersen te brengen; voor en al eer hy behoorlycke cautie ghestek heeft, om t'allen tyden, over de begaen fauten aen-ghesproocken en gheconvenieert te worden: op pene van ses hondert klinck-vaersen van de beste Alloye.

Ten vyfden: niemande en sal op het voor-hooft van syn ghedicht, meer als eens moghen stellen, ter eeren van dien of dien Koningh, Hertogh, Prins, Staeten, myn Heer, &c. Op pene als een pan-lecker ghebannen te worden, uyt de kokene van ons Hof.

Ten sesten: een ieder sal ghehouden wesen, syne vaersen (eer hy de selve in 't licht gheeft) te schaeven, en soo veel het moghelyck is te effenen: op pene dat die andersints, ten profyte van de arme weesen sullen aen gheslaghen worden.

Ten sevensten: niemandt en sal in een Tragedie mogen in voeren eenige kluchten of maeck-gecken: op pene van arbitrale correctie.

Ten achsten: een ieder sal sich hebben te wachten, van te schryven eenighe onnutte ofte dartele woorden, propoosten, schimperyen, als andersints, op pene van een jaer langh vast ghestelt te worden in’t kack-huys.

Ten neghensten: niemant sal vermoghen (ten ware hy anders niet te doen hadde) meer als drie, of ten langhsten vier ueren daeghs besteden, in het maecken van vaersen, uyt vreese, van door den ghedurighen drift der Poetische dampen, licht hoofdigh te worden, en aldoo onbequaem te zyn tor syne huysselicke oeffeninghe, op pene van een ses maendighe silentie.

Ten tienden: alle termen van rechten, als judicature, Censure, &c. Oock alle uythemsche woorden, sullen uyt sedighe vaersen ghebannen blyven, en soo wynigh  ghebruyckt worden als 't moghelyck is.

Ten elfden: nae de Fransche wyse, sal sich ieder wachten, het adjectivum naer syn substantivum te setten: het welcke in onse tale een man groot ghenoemt wordt.

Ten twaelfden: om de arme Poëten in hunnen noodt te hulpe te komen: wordt deselve toeghelaeten, op de say-ackeren der rycke Poëten (ten tyden van den ooghst) haer noodt-druft te moghen halen: met verbode nochtans, de overighe tyde des jaers, niet anders te besteden, dan tot het onderhoudt haers huys.

Ten dertienden: ende ten laetsten, soo sullen alle de Poëten, die door te ieverigh rymen hun eyghen naghelen hebben op ghegeten, vryelick moghen reysen naer de Indische Moluccas, om aldaer weder nieuwe provisie van nagels op te doen.

Aldus ghedaen ende ghegeven in onse Hooft-Stadt Parnassus, ter presentie ende goedt-vinden van onsen breeden Raedt, desen thienden van Somermaendt, in ’t jaer onser regeringe 5621.

Ende was onderteeckent,

APOLLO.

Laeger stondt

Ter Ordinantie van de selve

Traiano Boccalini

Absente Secretario