Cicero en het nut van niezen

 

Het niezen is tegenwoordig eene zeer verkorte stoomketen aan onzen levenstrein. Wie heeft niet eens in zijn leven opgemerkt, hoe bedaard een oud man van den goeden ouden tijd vooraf zijnen neus, zijne oogen en zijnen mond in duizend plooijen en bogten buigt en wringt... daarna eens of tweemalen diep ademhaalt... het hoofd statig voorover buigt... de hand voor zijn' neus, als een parasol plaatst... en dan een lang gerekt... hats... zaaa!... niest?

Zo typeert Izaak Jacob Lion in zijn Proeven van een humoristisch-satyriek woordenboek der zamenleving (1845) de plotselinge, krachtige uitademing om de neus te reinigen van prikkelende stoffen. Deze gezonde hatsjie/hatsjoereflex heeft een bijzondere geschiedenis.

 Als Cicero op den catheder eens stond

En om te beginnen het woord maar niet vond,

Zoo kwam hij aan 't niezen, zoo hard hij ooit kon,

Waarop hij nu aanstonds met ‘Etsi’ begon.

 

Ziedaar de reden dat Cicero zijn redevoering Pro Milone op retorisch ongewone wijze had aangevat met “Etsi vereor… (hoewel ik bang ben)”?[1] In een lezing over de neus heeft de Nederlandse jezuïet dichter Bernard van Meurs (1835-1915) dit verhaal verder toegelicht:[2]

Toen Marcus Tullius Cicero voor Romes rechtbank optrad, om zijn vriend Milo te verdedigen, hieven de Clodianen zulk een woest geschreeuw aan, dat den redenaar niet alleen hooren en zien verging, maar hij zoodanig van de kook geraakte, dat de bij uitstek welsprekende geen woord wist te vinden om zijne pleitrede aan te vangen. Maar ziet, daar gevoelt hij op eenmaal een prikkeling in den neus, eene diepe inademing volgt daarop en hij proest het uit in een niezen zoo verschrikkelijk, dat het den rechter doet schudden op zijn zetel: etsi!.. etsi!.. etsi! - Het wordt alles stil, en de slimme advocaat vangt aanstonds zijne redevoering aan met het partikel hem door zijn neus aan de hand gegeven “Etsi vereor judices, etc.”

 


[1] Humoristische schetsen over den neus. Nieuwe uitgave (Utrecht, C. van der Post jr., 1858); 1ste ed: Deventer, J. de Lange, 1844; Vertaling van Das Buch von der Nase: humoristische Abhandlungen für Jedermann und jede Frau (Leipzig, Jackowitz, 1843). Zie Atte Jongstra, ‘Het sleeptouw gekapt: Geen essay over de neus’ in De Gids, 1997, 160 p 451-453.

[2] Bernard van Meurs, De neus: lezing gehouden te Rotterdam en ’s-Gravenhage (’s Hertogenbosch, W. van Gulick, 1873), heruitgegeven als De neus beschouwd op het gebied der physiologie, aesthetica en physionomie (Utrecht, Wed. J.R. van Rossum, 1875).

Deze anecdote bracht me ertoe op zoek te gaan naar poëtische ontboezemingen over het niezen. Hier volgt mijn bloemlezing in chronologische volgorde:

Jan Cruso, Epigrammata ofte winter-avondts tyt-korting (Delft, Arnold Bon, 1655)

‘In Vehementer Nasutum’ [bij het geweldig niezen].

Vergeefs ghy (Late) poocht u nues te snuyten, want

U Over-dicken Nues, te groot is voor u hant:

En als g'op 't luydtste Niest ghy kondt het doch niet hooren,

Om dat u lange Nues so verr' is van u Ooren.

 

Constantijn Huygens, Koren-Bloemen, Nederlandsche Gedichten ...in XIX Boecken (Den Haag, Adriaen Vlack, 1658)

‘Een allgemeen poeet’

Hij niest en hoest in Rijm, en daer hem staet te kiesen

Van Rijm of Reden een, ’t laest sal hij liefst verliesen.

 

‘Quirinus naso’

Quirijns Neus is soo lang, en soo verr van syn’ Ooren,

Dat, als hij selver niest, hij ’t selver nau kan hooren.

 

‘Aen Claes Lang-neus’

De gaten van uw’ Neus staen soo verr van uw’ ooren;

Ick weet niet, als ghij niest, Claes, of ghij ’t al kont hooren.

 

Joan Blasius, Fidamants kusjes, minne-wysen en by-rymen aan Celestyne. (Amsterdam, Baltes Boekholt, 1663)

‘Op een niesende Kat’

Sal 't morgen voor de Bruid moy weer sijn? Ja.

Ons Katje niest, en Venus baawt haar na.

 

Het Haerlems leeuwerckje in-houdende veel aerdige nieuwe liedekens, met veel nieuwe voysjens (Haarlem, Johannes Theunisz. Cas, 1672)

De Wolken worden dik, de Maen begint te bruynen,

De rook benevelt al der Goden klare kruynen,

d'Een kugt, de twede niest, de derde die wort beus,

En Venus kreegh op 't lest de snof ook in de neus

 

Joannis Antonides van der Goes, Gedichten (Amsterdam, 1685)

‘De Ystroom’

…niest die dampen uit, niest dat het klinke en spatt',

De Stroomgoôn lachen u den zegen toe in 't nat.

Jan Nolet de Brauwere van Steeland, Dichtluimen (Rotterdam, Vanlinthout en Vandenzande, 1842)

‘Oudenaerde’

En zoo nog menig ander feit,

Dat ons zijn zangkunst baerde:

Voor ons misschien een kleinigheid,

Maer groot voor Oudenaerde,

Waer, als men niest aen de eene poort,

Het ligt aen de andre wordt gehoord.

 

‘De snuif’  

Uit beî zijne oogen is een heete traen gesprongen,

Hij wringt zijn aengezigt in allerhande wrongen,

Hij stuiptrekt, maekt een vreemd en ijsselijk gebaer;

Reeds wachtte ik me aen eene erge en akelige maer',

Toen onze maet op eens geducht begon te niezen.

Ha! (sprak ik, nog onthutst) het zijn de hersenvliezen;

Is 't anders niet! gij zaegt daer even zoo bedrukt,

Dat 'k dacht voor 't minst uw have en goed verongelukt.

Kom, laten we eens te gaêr op 't wonder voorval snuiven;

Dat prikkelt 't vliesgestel en doet de koude schuiven.

 

Uitgezochte gezelschapsliederen uit de oude en nieuwe doos (Rotterdam, Wed. J. B. Ulrich, 1850)

‘De schilder’

Schilder hoe ik moe en mat,

‘s Avonds zit te kniezen,

En somtijds een snuifje vat,

En begin te niezen…

En mijn schimmel briest op ’t stal,

Hoort het razen bij geval

En mijn vrouw daar neven,

Wakker schrikt van ’t leven.

 

Gerrit van de Linde, De gedichten van den Schoolmeester (Amsterdam, Kraay, 1859)

‘De vlooi, de makelaar en de reus’

Want naauwlijks komt [de Reus] aan de toonbank eens snuiven,

Of 't begint, de gandsche buurt door, geweldig te stuiven,

En de schoonmaaksters - die trouwens geen van allen

Op heur mondtjen zijn gevallen -

Roepen onder 't niezen allemaal:

‘Is dat die lange klaplooper weêr van een snuifslikker,

Die leelijke sladood van een Franschen vogelverschrikker,

Met zijn kalen knikker,

Die hier al dat stof maakt in 't portaal?

Och, geef je neusdoek eens eventjes, Aal!

Dat niezen, meidlief! maakt me sikker.

 

Jacob van Lennep, Poëtische werken. Deel 7. Mengelpoëzy (Rotterdam, M. Wijt & Zonen, 1861)

‘De dochteren van Pretus’

Pitsja! pitsja! toen aan 't niezen.

't Was, of neus en hersenvliezen

Bersten zouden; een koncert,

Of er tien trompetters bliezen.