In de boekenjaszak

 

Théodore, de hoofdfiguur in De bibliomaan van Charles Nodier, eist van zijn kleermaker jaszakken in kwartijnformaat (28x22cm). In zijn commentaar verwijst Ed Schilders naar Le bouquiniste en jouissance, een lithografie van Adrien Victor Auger (1817), die ‘het hoogste genot’ van een boekenkoper verbeeldt: de kooplustige is uitgerust met ‘de bibliomane boekenjaszak in optima forma’ waarin hij de oogst van zijn boekenjacht kwijt kan.[1] Maar de uitgevers van zakboeken of pockets hebben geen bibliofiele garderobe op het oog. Het maken van ‘handige’ boeken werd geïntroduceerd door de Venetiaanse drukker Aldus Manutius: in 1501 gaf hij werken van Vergilius en Horatius uit in octavoformaat (16x11cm) en deze ‘libri portatiles’ waren een succes dat snel navolging kreeg met uitgaven in nog kleinere omvang (duodecimo, 12 cm hoog). Het populaire ‘zakboek’ was geboren. De term ‘pocket book’ werd voor het eerst gebruikt in een advertentie voor Willam Bathe’s Janua Linguarum (London, Matthew Lownes, 1617) in octavoformaat. De uitgever besefte dat zijn handboek ‘draagbaar‘ moest blijven en letterlijk passen in een broek- of borstzak:

My conceit then, of the utlitie of this worke towards the obtaining of Tongues, meeting with the iudgement of most learned, I sought in adding two languages, to render the volume yet as portable as might be, and if not as a Manuall or pocket-booke, yet a Pectorall or bosome-booke, to be carried twixt ierkin and doublet.[2]

Het duurde tot de 20ste eeuw tot het ‘pocket book’ (livre de poche, Taschenbuch) een begrip werd in de commerciële boekenmarkt. In het taalgebruik van de Lage Landen werd het vanaf 1959 zelfs simpel een ‘pocket’ als pseudo-Engels voor een (goedkoop) boek in zakuitgave.[3]



[1] Ed Schilders, ‘Een bibliomaan van stand’ in Charles Nodier, De bibliomaan (Tilburg, Stichting Desiderata, 2021) ‘De jas van Théodore’ p 57-58. De litho van Auger wordt gedateerd 1817 in Jean Laran, Inventaire du fonds français après 1800. Tome premier (Paris, Bibliothèque nationale, Département des estampes, 1930) p 231.

[3] Nicoline van der Sijs, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen (Amsterdam / Antwerpen, Veen, 2002) p 311.

In het Nederlands duiken de eerste verwijzingen naar een zakboek op in de 18de eeuw. In zijn Groot Schilderboek (1712) heeft Gérard de Lairesse het nog over een notitieboekje: “want een Historie Schilder diend nooit zonder zakboek te zyn, 't zy waar hy ook gaat: vermits de gedachten zomtyds zo vlug zyn, dat zo schielyk als zy komen, zy ook aanstonds weeder vervliegen”.[1] Als aanduiding in de titel van boeken vond ik volgende vroegste voorbeelden: Nieuwe en accuraate ZAK-atlas van de Nederlanden (1733); De burger-boer, of land-edelman, zynde een beknopt ZAK-woordenboek van het buiten-leeven (1761); Practizyns ZAKBOEK behelzende annotatien over de eerste en fundamenteele gronden der rechtsgeleerdheid (1776).

Een boekbespreking uit 1781 wijst op het belang van zo’n handig boekformaat:[2]

Wyders is men, om dit pronkstuk van Nederlandsche Dichtkunde tot des te minder prys algemeen te maaken, te rade geworden, deeze nieuwe uitgave, niet weder in quarte, gelyk voorheenen geschied was, maar in gewoon octave te voorschyn te doen komen. Zulks heeft, buiten de minderheid van prys, nog dit voordeel, dat deeze uitgave zig beter vlyt tot een zakboek, 't welk men op reis, of in eene wandeling, met zig kan voeren; om zig, zonder ingespannenheid, in een ledig uur, op eene leerzaame wyze te vermaaken



[1] Gérard de Lairesse, Groot schilderboek (Amsterdam, Henri Desbordes, 1712) p 56. Niet duidelijk is of de datering 1710 in G.J. van Wyk, Etimologiewoordeboek van Afrikaans (Stellenbosch, 2003) betrekking heeft op de Lairesse: “sakboek s.nw. Klein dagboekie of notaboekie. Uit Ndl. zakboekje (1710), so genoem omdat die boekie klein genoeg is om in 'n sak te kan pas. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902)”.

[2] Vaderlandsche Letteroefeningen, 1781, p 469; bespreking van Poot’s Gedichten.

Het satirische tijdschrift De Naamlooziana (1772) koos spottend maar zelfbewust voor een klein formaat:[1]

Het is ons voorlang gebleeken dat de geleerde eeuw die wy beleeven zo sterk met de borst op de Weetenschappen valt, dat men 'er niet bloot in vernoegd is met op een eenzaam Boekvertrek, of te huis in 't hoekje van den haart, de Geleerdheid en het Gezond Verstand te beoefenen: neen, men verkiest zelfs, om de Wegwyzers 'er toe, by zig te draagen, in oogmerk, op de Saletten te vertoonen, of dat men beleezen is, of dat men ten minste leezen wil […]. Ik gis dat de nieuw uitgevonde Voering of Zy-zakken tot zo een bergplaatze om die reeden zyn geïnventeerd: de geleerde Le Febre, Taillieur de Geneve en bewonderaar van den veelweeter Rousseau heb 'er eindeloos dank voor. 't Is dan om deeze blaakende zugt van onze wysheidkweekende eeuw niet te dooven maar aan te moedigen, dat wy onze Nieuw modische Geleerden hierin te wille hebben willen zyn, dat wy ons Werk in klein, zo gemaklyk, en niet in groot Octavo, zo, allerlastigst in den zak, hebben doen uitgaan: te meer, om dat men ons nu overäl waar men reize of trekke, ga of zitte, zonder veel ongemak kan medevoeren.

In zijn tijdschrift De Criticus (1847) ondernam Servaas de Bruin een kruistocht tegen de klein-formaat-romans, waarbij hij “wil trachten het schadelijke van het zakformaat aan te toonen […] én publiek en uitgevers én boekhandelaars te overtuigen”.[1] Tot het publiek richt hij zich met volgend pleidooi:

Het is buiten alle tegenspraak, dat gij voor een klein boeksken niet zoo veel betalen zult als voor een behoorlijk boekdeel in gewoon formaat: rekent gij echter het minder oogelijke van het boek zelf; rekent gij de meerdere inspanning van uw gezigt, daar de letters kleiner zijn; rekent gij het gemis van een keurig titelvignet, dat u de belangrijkste handeling van het verhaal aanschouwelijk kon maken, dan spreekt het van zelf, dat gij u dit alles niet getroosten zoudt indien het u niet eenig geldelijk voordeel aanbragt. De vraag wordt nu deze, of dat alles in eene juiste verhouding staat tot het mindere van den prijs; en zegevierend zal men u daarop antwoorden, dat gij vijf zesden van de koopsom daardoor wint, aangezien een boek, dat anders drie gulden kost, in klein formaat slechts op vijftig centen komt te staan. Maar vooreerst is zulks eene onwaarheid; want, wat men er ook van zeggen moge; ieder die zich slechts de moeite getroost het naauwkeurig te onderzoeken zal bevinden, dat hij eigentlijk voor die vijftig centen een derde letters minder krijgt dan men hem met bombastige redeneringen diets wil maken. Daarenboven wordt de prijs nog met tien centen bezwaard, als men niet voor 26 deeltjes te gelijk inteekent. Hoe? Voor zes en twintig deeltjes? ..... Ja, lezer! Er komen zes en twintig boeken in het jaar, bij een en den zelfden uitgever uit. Maar heeft die uitgever dan al de romanschrijvers van Nederland in zijne dienst? vraagt gij welligt. Excuseer, is mijn antwoord, hij levert geen oorspronkelijk werk; het zijn louter vertalingen, voor het meerendeel bearbeid door lieden, die niet eens hunne eigene taal kennen, laat staan Duitsch, Fransch en wie weet wat al meer.

Op stap met een boek op zak wordt een heel bijzondere beleving voor de Noorse schrijver Tomas Espedal:[3]

Het eerste exemplaar: ik haalde het op bij het postkantoor in Rodovre. Ik maakte het pakje open en stopte het boek in de zak van mijn jas, nam de metro naar Kopenhagen en liep met mijn roman in mijn zak door de straten. Ik was schrijver. Ik was nog geen schrijver, maar ik liep door de straten van Kopenhagen en zei tot mezelf dat ik schrijver was, ik had het bewijs in mijn zak, mijn roman, die bewees natuurlijk nog niets, maar juist die dag, de eerste dag met mijn eerste boek in mijn jaszak, die dag was ik schrijver.

Ja, een of meer boeken in je jaszakken: het maakt je tot een lezer, een schrijver, een (pseudo)geleerde, een boekendief, een boekengek…

 

PS lees ook Krimpende boeken



[1] De Naamlooziana, of vertoog zonder naam, over vraagen zonder vinding. Zynde iets over alles, getrokken uit de aantékeningen van ymand, gemaakt op elk, en toepaslyk op niets; voorgegaan door een opdracht aan niemand (Amsterdam, C. Philips, 1772) p xxix-xxx; over de Geneefse kleermaker Le Febre kon ik niets terugvinden.

[2] Servaas de Bruin, ‘Iets over de klein-formaat-romans’ in De criticus: tijdschrift voor beminnaars van satire, ironie, humor en wat er meer van dien aard onder de zon is (1847) p 129-136.

[3] Tomas Espedal, Tussen april en september; vertaald door Marianne Molenaar (Wereldbibliotheek, 2018).