Nepbibliotheken

 

Welke bibliotheek is het paradijs voor bibliofielen? In het kader van de kunsttriënnale ‘Paradise’ in Kortrijk (juni-oktober 2021) bracht de Tsjechische kunstenaar Jaro Varga een unieke bibliotheek naar de stad. Rijen blanco ruggen en omslagen staan geprint op grote rollen behangpapier en het publiek wordt uitgenodigd om de maagdelijke nepboeken met kleurstiften van titels te voorzien. Zo krijgt de bibliotheek een unieke inhoud want zonder de bezoekers bestaat ze niet. Het idee van de fictieve of imaginaire bibliotheek is al zeer oud[1] en kende haar hoogtepunt in de 19de eeuw. In Gad’s Hill, zijn laatste woning, kan je nog de nepbibliotheek van Charles Dickens bezoeken. Een deur gaat schuil achter een paneel met ruggen van nepboeken waarop Dickens zelf fictieve titels schreef. Een ander bekend Engels voorbeeld uit de 19de eeuw is de ‘dummy library’ van de hertog van Devonshire in Chatsworth House. Die pakte het professioneel aan: naast de ambachtslui die de wand met nepboeken maakten, zorgde de schrijver Thomas Hood voor meer dan 70 fictieve titels.



[1] Alberto Manuel, ‘De bibliotheek als fantasie’ in De bibliotheek bij nacht (Amsterdam, Ambo, 2006).

“The false library is a very unique luxury product which can be both useful (hide doors, cupboards...) and decorative”. Het is een van de vele advertenties die je op het internet vindt met de zoekterm ‘nepboeken’, ‘dummy books’ of ‘false library’. Wat de adverteerders er niet bij vermelden is dat vele klanten ook een ‘geletterde/geleerde’ indruk willen maken met hun nepbibliotheken. Een eeuwenoud fenomeen: de verpakking is belangrijker dan de inhoud. Ik heb het dan niet over de bibliofielen die boeken bewonderen of verzamelen om hun bijzondere banden. Het gaat om types zoals De Rhapsodist (1771) die spottend schetste:     

Daar was, in myn tyd, een Westphaalsche Baron aan de Academie te Utrecht, (een zeer schrandere bol; het was een Westphaalinger, en, ik geloof, een eigen Neef van Thunderten Trunck) die een party boeken, van verschillend formaat, te binden gaf, met order om ze allen gleichförmig te binden; De Werkman lag om de groote Octaven grooter banden dan om de kleinen, en de hoogte der boeken verschilde derhalven toen zy thuis kwamen; De Baron stoof op; “Heb ik u niet belast, zeide hy, de boeken gleichförmig te binden”; De ander poogde hem te doen begrypen, dat zulks niet op eene gelyke hoogte konde zien, want dat hy, door de groote Octaven met de kleinen gelyk te maaken, eenige regels druk van boven zou hebben moeten afploegen. “Wat kwam dat op eenige regels aan, hernam de Baron, ik heb boeken genoeg, en nog geld in de zak, als ik 'er meer wil hebben, maar ik wil ze volstrekt gleichförmig hebben”; De man hadt gelyk in de zaak, maar de Schryvers hebben ongelyk met hem, en zo veele andere Barons en Gemeenen, zo veel geld te laaten betaalen voor het geen zy niet gebruiken.[1]



[1] De Rhapsodist – Eerste deel (Amsterdam, Pieter Meijer, 1771) p 20-21; Baron Thunder-ten-Tronckh is een figuur in Voltaire’s satirische novelle Candide (1759).

Deze tekst zou mogelijk een anonieme bijdrage geweest zijn van Betje Wolff, al wordt dit betwist door experten. Wel van haar hand is de volgende satirische beschouwing uit 1781:[1]

Het is nu de Mode, dat men geen huis volkomen gemeubleerd noemen kan indien het niet versierd is met eene, ten minsten eene, Boekenkas; of wel met eene schoone wel geconditioneerde Bibliotheek. Het beste wordt niet altoos gezogt: het zeldzaame het rare, het peperduure is 'er begeert; en is dat te verwonderen? Daar men grond heeft om te denken, dat, by onze meeste vermogende Lieden, de superbe Boekenkassen de plaatsen inneemen van de gladde notenbomen Porcelein kassen, die, zederd een halve aan de keurige Noordhollanders zyn over gedaan . […] Een mensch heeft toch graag iets waar door hy in aanmerking komt! en de zucht voor 't geld, moet, in zulk een geval, het voor de zucht, om ook iets te zyn, opgeven! Men moest in die dagen van Hollands kostbare zuinigheid, Geribde Schaaltjes, Agtkant Koffygoed, Drielingen van Lampetten enz, maar hebben; of 't was niet der pyne waardig dat men van hun, die in de Porceleinen lief hebberden, sprak: even zo moeten onze vermogende Tydgenooten, raare Boeken hebben, eenig en alléén om dat zy raar zyn. Het is des onze Schryvers, zo zy alle en hunnen eigen roem en voordeel bedoelen, niet kwalyk te nemen, dat zy voor dit soort van Menschen schryven: maar hoe of zy het voor zich zelf kunnen goedmaken op deeze wyze hunne vermogens te gebruiken, dit is iets ’t welk my niet te onderzoeken staat, dat moeten zy weten. Indien zy voor Burgerlieden schreven, zy zouden, zo zy dit verdienden, toejuiching krygen; maar wat zegt voor een verwaand Autheur, de goedkeuring van een eenvoudig Burgerman? Dit geeft hem immers roem, noch voordeel.

Het moet aan zulke Schryvers oneindig meer vermaak geven, als zy hun Werk, over fraai door de Hernhutters[2], of Engelschen ingebonden, zien staan in de prachtige Boekenkas van een aanzienlyk Man; al ontdekt hy ook dat het niet is opgesneeden: yder heeft recht om met een stuk huisraad, dat hy gekogt en betaald heeft, zó te doen als het hem goed dunkt; en waarom toch, is zeker zeldzaam Wezen, in uwe groote Stad, belachelyker, om dat hy eene overgroote verzaameling heeft van onopgesneden Boeken; dan hy, die zyne Porceleinen nooit gebruikte? mag hy zo wel niet met zyne onopgesnedene Boeken pronken, als de andere met zyn ongebezigde Porceleinen? Hoe kan zo eenzydig zyn! Wel, als de Man Boeken koopt om 'er zyne kamers mede opteschikken, hoeft hy ze dan te gebruiken?

Vraag het zelf aan den geleerden Waanwys, die eenige Quarto's geschreven heeft over: “het belang dat de mensch heeft in beter en wyzer te worden”, of hy niet veel meer is opgetogen door dat zware, en kostbare werk daar, onopgesneden te vinden, dan dat hy een dun Octaafje, ook door hem geschreven, vindt, op de tafel van eenen eerlyken timmermans knegt, stukkend en morsig gelezen? Is het na niet billyk, dat de Autheuren zorg draagen dat hunne ryke Kalanten, voor hun geld, Bibliotheeken van dien smaak hebben, die de Mode nu goed keurt?

 


[1] Betje Wolff & Aagje Deken, Brieven over verscheidene onderwerpen, tweede deel (Den Haag, Izaac van Cleef, 1781) p 25-28. [2] Leden van de Evangelische Broedergemeente in Zeist.


 

 

Verwarrend zijn de bibliotheken die nep en echt vermengen. De abdij van het Duitse Bad Schussenried pronkt met zijn barokke bibliotheekzaal waar de kasten rondom eenvormig beschilderd zijn met boeken; daarachter bevinden zich evenwel echte boeken soms aangevuld met nepboeken om het een mooi geheel te maken! Een moderne variant is de ‘mooiste fotoboekhandel’ van Amsterdam, Mendo, die de leegte in de schappen aanvult met nepboeken van het eigen huis!

Persoonlijk kan ik maar één soort nepboeken smaken, namelijk wanneer ze als vermomming dienen voor een ‘geestrijke’ inhoud … in een flesje![1]



[1] Zie ‘Boeken/flessenwijsheid’ Varia 3

 

l'antique soif de lire...