Het titelblad laat er geen twijfel over bestaan: het boek De geleerde nar (1734)[1] is van Pater Abraham van St. Clara. Toch is dit fout! Het betreft de vertaling van Der gelehrte Narr (1729) van de Duitse geschiedschrijver en journalist David Fassmann (1683-1744) die zelf als een soort hofnar in dienst was bij de koning van Pruisen. Een destijds veel bekender veelschrijver was Abraham van St. Clara of Johann Ulrich Megerle (1642-1709), een eccentrieke maar populaire Augustijnermonnik en volksredenaar, die zijn preken met geestige, soms boertige uitvallen en woordspelingen doorvlocht. De verkeerde toeschrijving in de Nederlandse vertaling is wellicht commercieel te verklaren, gezien de grote bekendheid van Abrahams werken, ook in Nederland. Erg populair was De gekheydt der wereldt, wysselyk beschreven en kluchtig vertoondt, in hondert narren en derselver narren poetzen (1718-21)[2]. Niet onbelangrijk: Abraham van St. Clara wordt enkele malen ironisch vermeld in De geleerde nar van Fassmann![3]



[1] De geleerde nar, of natuurlyke afbeelding van zulke geleerden die menen datze alle geleertheidt en wetenschappen hebben ingezogen, en zich verbeelden dat 'er hunnes gelyken in de waereldt niet te vinden is; weshalven zy alle andere menschen verachten, en een ondraaglyken hoogmoedt aan zich laten bespeuren, enz. Door Pater Abraham van St. Clara. Uit het Hoogduitsch vertaalt (Amsterdam: Jan Winkel, 1734; heruitgave in Durgerdam bij Abraham Cornelis, 1752). We hebben de teksten wat in moderner Nederlands omgezet.

[2] Vertaling van Der Christliche Welt-Weise beweinent die Thorheit der neu-entdeckten Narrn-Welt (1706-1709) een compilatie van Abrahams schriften door Albert Joseph Conlin.

[3] De geleerde nar p 309-313: Fassman wil Abraham niet belasteren maar meldt dat sommigen deze ‘pater Fabelhans’ een plaats toebedelen bij de geleerde narren. De protestantse Fassmann hekelt in zijn boek uiteraard de ‘katholieke geleerden’, al is hij mild tegenover Abraham. Zie ook Abrahams mosterd

 

Waar gaat het boek over? De auteur prijst het gezonde boerenverstand, hekelt de pedanterige boekenwijsheid en fulmineert tegen de ‘geleerde narren’ of ‘gekke geleerden’:

Hoe vele geleerden, van grootsheid en hoogmoed gans opgeblazen en pralend met hun academische titels als een pauw met haar pronkende staart, vindt men niet die zich niet ontzien in openbare gezelschappen te zeggen: ik ben Doctor, ik ben Licentiaat , ik ben Magister, dus dat moet ik beter weten, ofschoon ze het grootste ongelijk hebben. […] Met de naam en de titel die ze voeren, en de naar hun mening daarmede gepaarde achtbaarheid, willen ze overal de baas spelen, zo ver dat dergelijke geleerde gekken denken dat iedereen voor hen de mond moet snoeren en hun alleen moet laten spreken.

Daarom heeft de auteur de degen, in de vorm van een ganzeveer, opgenomen ‘tegen alle geleerde narren’ en wil hij dit met een reeks anecdotes illustreren:

Ik kan niet nalaten om nog verscheidene vertellinkjes, die ik zowel van hovaardige geleerden als eenvoudige lompen en vodden ten dele hier en daar heb opgetekend, ten dele horen verhalen, maar voor het grootste gedeelte met oren gehoord, hier mee aan te halen met de verwachting dat zij de gunstige lezer zullen voldoen.

In meer dan 60 bladzijden geeft de auteur dan een resem voorbeelden van domheid bij geleerden, studenten en ‘pedanten’ in het algemeen. Hieruit een kleine selectie van de meest grappige. De meeste zijn flauw en verschillende zijn ook te vinden in de moppenbundels van die tijd. We hebben ze hier ingekort en in een modern jasje gestoken.



 

 

Een Magister geloofde niet dat Professor NN overleden was: ‘Indien dit zo was zou hij mij ongetwijfeld geschreven hebben want hij hield me van alles op de hoogte’.

De nacht voor zijn doctoraat kon de student niet slapen en vroeg zijn kamergenoot of er nog geen daglicht te zien was. Toen die zei dat hij nog niks zag beval de student een kaars aan te steken zodat hij het aanbreken van de dag beter zou kunnen zien.

Toen zijn vader klaagde dat de mollen zijn mooie weide stuk maakten, zei de student: ‘Om verdere schade te voorkomen zou je ze beter betegelen’.

Een man had zijn nek bij een val gebroken en bleek een mes in zijn handen te hebben, waarop iemand zei: ‘Wat een geluk dat hij niet in dat mes is gevallen’.

Een student zat aan het haardvuur bij een juffrouw die een heel verhaal hield maar niet merkte dat haar rok onderaan vuur vatte. Pas na enige tijd zag ze het en kon het blussen. Daarop zei de student: ‘Ik had het direct gezien maar heb aan de universiteit geleerd dat ge iemand niet in de rede moogt vallen’.

Een man klom op de kapel en verdraaide de haan op de toren. Op de vraag waarom hij dat deed, antwoordde hij: ‘In die andere richting is het slecht weer en ik wil nu goed weer hebben’.

Een man werd van de trappen gegooid en riep: ‘Mij om het even, ik wilde toch naar beneden gaan’.

Een man had gedroomd dat hij in een spijker getrapt was en wilde zijn voet in een verband leggen, waarop zijn vriend zei: ‘Waarom slaapt gij toch blootvoets?’

Een student wist van de vier natuurelementen slechts drie op te noemen: vuur, lucht en water. De professor wilde hem helpen en wees met zijn voet naar de aarde, waarop de student zei: ‘O ja, de schoen’.