Varia 4 menu

Seksleven van planten

Over het buigen

De (im)perfecte vrouw

De geschiedenis van kruierij

Flora erotica of het seksleven van planten

Toevallig botste ik op het boek van de Franse chirurg en literator Philippe Petit-Radel: Les Mystères de Flore, ou coup-d’oeil sur la naissance, les amours, le mariage et la mort des plantes (1813). Wat mijn aandacht trok was de vermelding dat het een vertaling betreft van een Latijnse werk omschreven als ‘poema erotico-didacticon’. Zozo, een leerrijk erotisch gedicht over het liefdesleven van de planten!? Maar die eer verdient ook een Nederlandse hoogleraar.

Had Linnaeus reeds in 1731 […] de beginselen van zijn zoogenaamd systema sexuale gelegd, in het volgende jaar reeds bezong Adr. Van Royen der planten liefde en huwelijk in dat heerlijke gedicht, waarmede hij zijne waardigheid van Hoogleeraar in de kruidkunde te Leyden aanvaarde; het was getiteld: de Amoribus et Connubiis Plantarum, en ik geloof, dat men het onder onze schoone dichtstukken mag rangschikken.[1]



[1] Hendrik baron Collot d'Escury, Hollands roem in kunsten en wetenschappen – Derde deel  (Amsterdam, Van Cleef, 1826) p 291-292.

De Leidse arts en plantkundige Adriaan van Royen (1704-1779) volgde zijn leermeester Herman Boerhaave op als hoogleraar in de botanie en de geneeskunde en schreef bij die gelegenheid een poëtische lofzang op het liefdesleven van de planten. De ‘bevruchting’ van planten en bloemen was een eeuwenlang discussiepunt geweest tot de Zweedse natuuronderzoeker Carl Linnaeus het in wetenschappelijke vorm vastlegde.[1] Al bleef het nog een tijd een ‘onzedige’ visie, tijdgenoten zagen dit toch als een uiting van goddelijke sturing van de natuur.

Wyders hebben ook de nieuwe Leeraars en Beschryvers der Kruiden betoogt, dat het Opperwezen ook in de Natuur der planten en groeistoffen eene zeer grote gelykheit met de Dieren, gelegt en ingeprent heeft, en dat dierhalven de eerste grondbeginzelen van de geboorte en gedaantewording in ’s moeders lichaam, of in de baarmoeder, bykans op gelyke wyze, als in de zaden der planten, by voorbeeld der Boonen, Erreten enz. geschied.[2]

Naast Linnaeus werd hierbij vaak naar Van Royens dichtwerk verwezen. Zijn Latijns gedicht werd niet vertaald in het Nederlands, maar dook wel op in volgend lofdicht op de kracht van de goddelijke liefde.[3]

 

Zelfs waer het levensvuur niet gloeit,

In ’t plantje, onvatbaar voor geluk en smart gegroeid,

Bespeurt ons oog uw kragt, een’ zagten trek van minnen.

VAN ROYEN! Tuige uw tovrend lied,

Gij, aen wiens asch Natuur en ’t Choor der Zanggodinnen

Nog schreiënd hulde biedt.

 

Popularisering van de wetenschap in dichtvorm werd destijds meer gebruikt. De arts en natuurwetenschapper Erasmus Darwin (grootvader van de bekende Charles) zorgde voor een Engelse vertaling van Linnaeus werk (The Families of Plants, 1787) die heel wat kritiek uitlokte door het gebruik van ‘seksuele’ taal. Maar Darwin verspreidde daarop de ideeën via een lang gedicht The Loves of Plants (1789) met sierlijke verzen over verliefde viooltjes, jaloerse sleutelbloemen, blozende rozen en het bedrijven van de liefde op een bed van mos! Deze verdekt erotische poëzie zou destijds zeer geliefd zijn geweest bij vrouwen die zich wilden verdiepen in de kunst van het tuinieren…[4]

 



[1] C.E. Brouwer, Anatomische sekse als uitvinding in de botanie: hoe stampers tot vrouwelijke en meeldraden tot mannelijke geslachtsorganen werden (1675-1735). Proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 2004.

[2] Lorenz Heister, Practicaal geneeskundig handboek (Amsterdam, Jan Morterre, 1762) p 65-66.

[3] Jan Jacob Vereul, ‘De liefde’ in Voor godsdienst, deugd en vaderland (Amsterdam, Johannes Allart, 1791) p 132.

[4] Zie Melvin Konner, Toch de vrouw: het einde van mannelijke overheersing (Atlas Contact, 2016); Janet Browne, Botany for Gentlemen: Erasmus Darwin and "The Loves of the Plants" in Isis, 1989, 80 p 592-621.

 

Over het buigen

 

Aan het hof zou een mensch met een regt ligchaam en eene regte ziel, als hoffelijk dood worden uitgebannen, zoo als een kreeft met eenen regten staart, die alleen bij beschadigde of doode kreeften voorkomt. De kluizenaars verkozen eertijds zeer lage cellen, om niet regtop te kunnen staan; de hoveling heeft die niet noodig; hem drukken de hooge antichambres, de spijs- en danszalen des te meer neder, naarmate zij hooger zijn. Zoo als de Farizeërs lood in hunne mutsen droegen, ten einde zich gemakkelijker te kunnen buigen, doet het lood, hetwelk wij op de wereld medebrengen en dat ons in het hoofd ligt, misschien nog grootere diensten. Van daar kan men het eene schoone inrigting op deze wereld noemen, dat groote zielen, welken het buigen (even als lieden van eene lange gestalte) moeijelijk valt, zoo zelden, om die reden, voortkomen, waartegen middelmatige en kleine zielen, die veel zwarigheid in het buigen niet zien, kostelijk slagen. In alle burgerlijke betrekkingen zijn opvoedingsscholen voorhanden, waarin men leert buigen. De lucht zelve hangt vol van geestelijke en wereldlijke armen en handen, die ons ter dege neerbuigen; en nog hooger zwaaijen de allerlangste armen, die geheele volken doen neerduiken. De geleerde zelf bukt aan zijne schrijftafel, onder het voortbrengen van opdragten en gelukwenschen. Door den grijzen kalen ouderdom rijpt zoowel het ligchaam, als de ziel, tot eenen gebogenen kromrug. Met dezen troost eindig ik, dat bukken opgeblazenheid niet uit- maar insluit.

Jean Paul Richter, Gedachten van Jean Paul, met eene inleiding door Mr. J.A. Weiland. 1e deel (Rotterdam, J. Immerzeel, 1820) p 73.

De (im)perfecte vrouw

 

Deze prent roept vandaag vraagtekens op. Si tu la cherche la voicy:  een vrouw zonder hoofd met een spinrokken in de hand. Zoek je een perfecte vrouw, hier is ze: zwijgzaam en vlijtig. De titel van het betreffende boek, L’Imperfection des femmes (1730), doet denken aan een ophefmakend boek van een eeuw daarvoor: Alphabet de l’imperfection et malice des femmes (1617).  De houtsnede op het titelblad zou de Franse koningin Margaretha van Valois (1553-1615) voorstellen, ‘de slechtste vrouw ter wereld’ aan wie het boek is opgedragen: een haarbos van slangen, met een kat zogend aan elke borst, houdt ze een kip zonder kop vast, in een rok van pluimen en staande op kippenpoten! Vertaald in het Nederlands als Spiegel der quade vrouwen (1644) lokte het ook in onze contreien een hele polemiek uit. In de vroegmoderne literatuur vindt men veel dergelijke voorbeelden van een zogenaamde 'querelle des femmes', een  pennenstrijd over de (on)deugden van vrouwen. Titels met ‘vrouwenlof’, zoals Roem-trompet der vrouwen (1687), bleken daarbij vaak sarcastisch bedoeld en eerder een misogyn schimpschrift te zijn!

Alphabet de l’imperfection et malice des femmes (1617)

  • L'Imperfection des femmes, Tirée de l'Ecriture Sainte, & de plusieurs autheurs. Dédiée à la bonne femme. Menage: Jean Trop-tôt-Marié, à l'Enseigne de la Bonne femme sans Tête, 1730/40.
  • Jacques Olivier, Alphabet de l’imperfection et malice des femmes (Paris, Petit-Pas, 1617); ‘Jacques Olivier’ was het pseudoniem van de franciscaan Alexis Trousset uit Tours.
  • Spiegel der quade vrouwen; daer in al heure gruwelen heel aertigh worden vertoont; so uyt de H. Schrift, en vaderen, als uyt d'oude en nieuwe geschied-boeken (Amsterdam, 1644).
  • [Samuel van der Heiden] Roem-trompet der vrouwen. Gerymd door S.V.H. (Den Haag, 1687).

Documentatie: Simone Veld, ‘In de clinch over vrouwelijke (on)deugd - Een pamflettenstrijd in de zeventiende eeuw’ in Literatuur, 1998, 15 p 103-108; Simone Veld, Tot lof van vrouwen? Retorica, sekse en macht in paradoxale vrouwenloven in de Nederlandse letterkunde (1578-1662). Proefschrift Universiteit Utrecht, 2005; Simone Veld & Annelies de Jeu, ‘De uitnementheyt des vrouwelicken geslachts: vrouwenlof in de 17e eeuw’ in Lover, 2000, 27 (3) p 50-55.

De geschiedenis van kruierij

Servaas Dominicus Daems (1838-1903), geboren in Noorderwijk (Herentals), was Norbertijner kanunnik en bibliothecaris van de abdij in Tongerlo, letterkundige, dichter, historicus en volksfiguur. Weinigen konden vermoeden dat deze pater onder het pseudoniem van Peeter Klein een bijzonder grappige ‘geschiedenis’ van de kruiwagen heeft geschreven. Oorspronkelijk in afleveringen verschenen in het weekblad Het Kempenland (1869) van zijn Herentalse vriend uitgever Vincent Jozef Du Moulin, werd het daarna in 67 genummerde exemplaren uitgegeven, zodat die uitgave een grote rariteit is (te lezen in Google Books). Minder zeldzaam maar toch gezocht is de Tweede, vermeerderde en – natuurlijk – verbeterde uitgave van 1882, die ik gelukkig kon bemachtigen. Met deze editie in de hand wil ik hier de originele humor ‘kruien’ van De kruiwagens beschouwd in hun verleden, hun tegenwoordig en hun toekomend lot. Brokken aan een onuitgegeven handschrift ontleend.[1] Al snel merk je dat ‘kruien’ en ‘kruierij’ hier verwijst naar de figuurlijke functie van kruiwagens: hulp, steun of bescherming om iets te bereiken of te verwerven.



[1] Bronnen: Jan Nolet de Brauwere van Steeland, ‘Servatius Daems en diens letterkundige werken’ in Poëzij en lettercritiek (1878-1884) (Roeselare, De Seyn-Verhougstraete, 1884) p 77-98 (bespreking van ‘De Kruiwagens’ p 94-98; de tekst verscheen oorspronkelijk in De Wachter 1880); Walter Van Spilbeeck, ‘Servaas (Domien) Daems – werkend lid en oud-bestuurder der Koninklijke Vlaamsche Academie’ in Jaarboek der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 1904, 18 p 86-134 [p 101-107 over ‘De Kruiwagens’]; Frans Verbiest, Notities over de kruiwagen-kanunnik Servaas Daems ter ere. Heemkundig Handboekje van de Antwerpse Regio, 1989, 37(4) p 1-12.

Daems gebruikt verschillende humoristische technieken.[1] Hij vertrekt van een verzonnen manuscript vol pseudowetenschappelijke wetenswaardigheden, nutteloze details en uitweidingen. Dit verweeft hij vervolgens met echte historisch bronnen om verwarring te zaaien. Tussendoor geeft hij allerlei opmerkingen over het boek zelf, de uitgever, de lezers en de recensenten. Soms waarschuwt de titel van een hoofdstuk dat het eigenlijk geen zinnige inhoud heeft, bestaat het kapittel uit één zin of staan er …… om zelf in te vullen! De eindconclusie: kruierij is de sleutel van de geschiedenis.

Het is gek om aan te zien, hoe alles toegaat: X... bijvoorbeeld heeft een werk geschreven en stuurt er een exemplaar van ten geschenke aan Y... opdat deze er eene gunstige en vleiende beoordeeling van geve in dees of geen tijdschrift. Het gebeurt zoo; maar de eene dienst, of klaarder, de eene kruierij is de andere waard: welnu Y... heeft nog de eer niet van deel te maken van eenig geleerd genootschap, doch X ... is lid van zoo eene vereeniging, en op zijne beurt, kruit hij nu Y... het genootschap binnen, waar deze reeds zoo lang naar gesnakt heeft.

Daems heeft echter voor zijn boek te weinig ‘gekruid’. In 1886 kwam het werk in aanmerking voor de vijfjaarlijkse prijs van de Nederlandse Letterkunde maar werd door de jury afgewezen:

De Kruiwagens... is een humoristisch werk, wonderwel in den toon gehouden en afwisselend in schrandere beschouwingen. De lezer wordt op de drolligste wijze in eenen doolhof rondgeleid, waar drollige zaken ernstig behandeld en ernstige op potsieriijke wijze verteld worden; doch de stof werd te lang behandeld en te verre uitgeput. Het boek is fraai geschreven, zwierig, los en uitnemend zuiver van stijl.[2]

Laat dit juryrapport terzijde en proef zelf enkele staaltjes ‘kruierij’.



[1] Zie Elisabeth Jongejan, De humor-‘cultus’ der romantiek in Nederland (Zutphen, W.J. Thieme,1933) & Drempeldichten  

[2] Van Spilbeeck 1904 p 106.

De kruiwagens excerpten