De Navorscher was een soort vraagbaak, ‘een middel tot gedachtenwisseling en letterkundig verkeer tusschen allen die iets weten, iets te vragen hebben of iets op kunnen lossen’. Het werd opgericht in 1851 naar het voorbeeld van Notes and Queries in Engeland (1850) en verscheen met enige onderbrekingen tot 1960. De Franse soortgenoot Intermédiaire des chercheurs et curieux volgde in 1864. Inmiddels lijkt dit soort tijdschriften achterhaald door het internet, dat ons nu wel toelaat te bladeren in de oude jaargangen. Zo vroeg iemand in De Navorscher van 1858 (p 201): ‘Waar vindt men de Belgische revolutie van 1830 en de oorzaken, die haar deden ontstaan, het onpartijdigst beoordeeld?’. De vraag werd nooit beantwoord! Hier een kleine selectie vraag-en-antwoord die ik grappig leerrijk vind.

Chronische humeuren (De Navorscher 1863)

Ik ken menschen, die op een bepaalden dag, b.v. elken maandag of elken zaterdag uit het humeur, of wel gemelijk zijn. Zijn hiervan meer voorbeelden? ϴ (p 256)

Ik meen ϴ geen ondienst te doen door hem mede te deelen, dat mij een meisje bekend is, dat steeds een ondragelijk humeur heeft zoo zelfs, dat het invloed heeft op haar gestel. Opmerkelijk is echter, dat de zoogenaamde humeurpijn meestal bij het opstaan begint, tegen 11 op zijn hoogst is, om tegen den avond zoo wat 6 uur als ware ’t te hebben uitgewoed. Meestal volgt eene slaperigheid, welke de reactie is na de actie. Utrecht A.v.R. (p 287)

Voor zoo verre ik heb kunnen nasporen, is van dergelijke kwaal op geneeskundig gebied niets meêgedeeld. Ik vertrouw ook, dat als er van zoo’n kwaal, als werkelijk bestaande, sprake is, die wel immer aan toevallige, betrekkelijk snel voorbijgaande, van buiten komende oorzaken zal te wijten zijn, en meer periodiek dan wel eigenlijk chronisch moet genoemd worden; chronisch toch wil meer beteekenen een toestand, die voortduurt, d.i. zonder, of ten minsten zonder goed waar te nemen intermissies. Ik heb zelf iemand gekend, die op vaste tijden een buitensporig onaangenaam humeur vertoonde. Die vertooning was echter geheel onafhankelijk van de gesteldheid des ligchaams, daar die allezins normaal was en bleef; dit bleek bijv. uit den goeden eetlust, die ’t voorwerp dan ook nooit verliet. Alleen het besef, dat hij op bepaalde tijden eene zekere taak moest verrigten joeg hem zoo sterk ’t land aan, dat hij tegen dat die tijden kwamen een soort van spleen kreeg, die hoogst hinderlijk naar buiten werkte. Voorts heb ik vrouwen gekend en meisjes, van wie gezegd werd, dat ze immer, bij zwangerschap of menstruatie zeer uit haar humeur geraakten. Ik zelf heb echter niets er van aan haar bespeurd, hoe vaak ik ze ook ontmoet heb. Intusschen staat het vast, dat sommige toestanden van het sexuale leven, zelfs al zijn die zuiver normaal, als zoodanig onaangenaam op de psyche kunnen reageren. Onbevredigde geslachtsdrift bijv. kan er uit volgen, die, gelijk zich wel heel wel laat denken, de zielsgesteldheid sterk kan wijzigen. Neptunus (p 382)

Voorbeelden van ziekelijken afkeer (Antipathie) (De Navorscher 1858)

  • Lamothe Levayer kon het geluid van geen enkel muzijk-instrument verdragen, en echter gaf hem het dreunen van den donder het uitgezochtste genot.
  • Caesar was niet in staat het kraaijen van een’ haan, zonder siddering, aan te hooren.
  • De Lord Kanselier Bacon viel in zwijm, zoo vaak er eene maansverduistering plaats vond.
  • Maria de Medicis kon het gezigt van eene roos niet velen, zelfs wanneer die geschilderd was, en toch hield zij van elke andere soort van bloemen.
  • De Hertog d’Epernon kreeg eene flaauwte op het zien van een’ jongen haas.
  • De Maarschalk d’Albret werd ziek aan een’ openbaren maaltijd, toen hij de bedienden een jong wild zwijn of een speenvarkentje zag opdisschen.
  • Hendrik III kon het niet harden in eene kamer, waar zich eene kat bevond.
  • Wladislaus, Koning van Polen, voelde zich onpasselijk en vlugtte op het zien van appelen. Scaliger beefde over zijn geheele lijf, als hij waterkers zag.
  • Erasmus kon geen visch ruiken of hij kreeg de koorts.
  • Kardinaal Hendrik de Cardonna viel in onmagt van rozengeur.
  • Tycho Brahé bezweem van krachteloosheid, als hij een’ haas of een’ vos ontmoette.
  • Cardanus had een’ afschuw van eijeren; de dichter Ariosto van boter; de zoon van Crassus kon geen brood; Caesar van Lescallas geen’ klank van cymbalen verduren.

De reden van deze verschillende soorten van afkeer is vaak in de eerste indrukken der kindschheid gelegen.

[The Literary Gazette for 1826, p. 558. J.H. van Lennep; aanvullend verwijzing naar deze en andere voorbeelden in de Algemeene Vaderlandsche Letter-oefeningen voor 1805, Mengelwerk, p 447-448: ‘Zwakheden van eenige groote mannen’:]

  • Lodewijk de XIV kon het gezigt van den toren van St. Denis niet verdraagen.
  • Bayle hadt stuipen, wanneer hij het gedruis van water hoorde, ’t welk uit een kraan loopt…

Wie zal ooit de oorzaak dier afkeerigheden kunnen verklaaren? Ik zeg nog meer: wie kan zich vleien, dezelve te kunnen geneezen? Zij zijn het geheim der Natuure, de schande der Reden en de klip der Geneeskunde tevens. ’t Ware zelfs gevaarlijk, dezelve te bestrijden; en men heeft opgemerkt, dat, naar maate zij bestreeden worden, zij dies te meer sterkte bekomen. Arm menschdom!

Verkeerd gedateerde boeken (De Navorscher 1865)

In het engelsche Athenaeum van 3 december l.l. wordt gewezen op de zonderlinge gewoonte van vele uitgevers om boeken van later jaartal te voorzien, hetgeen des te meer afkeuring verdient, naarmate de bibliographie zich tot den rang eener wetenschap begint te verheffen. Ook hier te lande is deze gewoonte niet zeldzaam en ziet men dikwerf boeken in de laatste helft van een jaar, ja somtijds reeds in julij, die den datum van het volgende jaar op het titelblad dragen. Ik neem dus de vraag van het Athenaeum hier over: Waartoe dient deze gewoonte, en is er eenig werk bekend, dat ooit door het jaartal van het jaar na de uitgave te dragen, grooter debiet heeft gehad?  u-H. (p 11)

Of er een werk bekend is, dat door het jaartal van het jaar na de uitgave te dragen grooter debiet heeft gehad, durf ik niet met zekerheid beslissen; wel is mij gebleken, dat zulk een boek, langer nieuw schijnende, ook langer gevraagd bleef. Dit is vooral 't geval met kinderboekjes en romans. Immers waarop wordt bij ‘t koopen daarvan (helaas!) ’t meest gelet? slechts of ze oud of nieuw zijn. Dat deze jaren gewoonte dus eenig nut heeft voor den zak van den speculativen uitgever verwondert ons geenszins, maar wij zagen liever dat de uitgevers, zoo hier als elders, meer degelijkheid in hunne uitgaven bragten, zoodat niet een onnoozel jaartal, barbaarsche advertentiën en meer dergelijke kwakzalverijen noodig waren om hun debiet, zoo 't dit ten minste kan, te vergrooten. A. v. R. (p 70-71)

De meeste dezer boeken komen in het laatste gedeelte van het jaar uit; meestal in de drie laatste maanden. Kan de oorzaak hiervan ook zijn, wat ik eens heb hooren zeggen, dat zoo doende de uitgever op de rekening van de boekhandelaren van dat jaar (het effectieve jaar waarin het boek verschijnt) eenen post uitspaart, die dan pas op de rekening van het volgende jaar komt te staan, en zoo doende de voor den handel zeer wenschelijke harmonie van posten op rekeningen en datums van geleverde goederen tot stand brengt? Zoo zou men de zaak kunnen verklaren zonder de toevlugt te nemen tot stellingen ten nadeele van de moraliteit der boekhandelaars. Hoe het ook zij, het is zeer wenschelijk, dat deze gewoonte om der lieve waarheid wille worde afgeschaft. V. R. (p 134)

Ik vermoed, dat de dwaasheid alleen bij romans en kinderwerkjes gepleegd wordt. Tot solide werken schijnt men die nog niet uit te strekken. Ik heb ook eens achter de schermen gekeken. Een uitgever-drukker liet een fransch prul vertalen, het drukken duurde jaar en dag, om zijne knechts bezig te houden: de man woont op het platte land en daar heeft de drukkerij geen dagelijksch werk. Toen zag ik ook den gegraveerden titel twee jaren te vooren gereed gemaakt. G.P. Roos (p 266)