De gelukkige gek

Onder deze titel staat een anecdote in de 17de-eeuwse moppenverzameling van Aernout van Overbeke:[1]

Een gek was altijd even vrolijk. Wat het land of hemzelf overkwam, het kon hem niet deren, want hij geloofde dat alles van hem was. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat was hij in de haven en er voer geen schip binnen of het was van hem. Ten slotte liet zijn familie hem door een dokter behandelen. Toen werd hij zo melancholiek dat hij niet meer te troosten was, en hij zei dat hun al te grote liefde hem uit het paradijs in het vagevuur had gebracht.

Vermoedelijk heeft Van Overbeke zijn verhaal gevonden in het destijds populaire boek de Schat der Ongezondheid (1642) van de Dordrechtse arts Johan van Beverwijck, meer bepaald in het zesde hoofdstuk ‘Melancholye, en haer verscheydene werckinghe’:[2]

Thrasillus, woonende te Athenen, viel in sulcke dwaesheydt, dat hy meende, alle de Schepen, die in de Haven aen-quamen, hem toe te behooren, ende ginghse derhalven, als hy dacht datse komen soude, sitten wachten, en ontfinghse met groote blijdtschap. Wanneer sy oock na Oosten, oft na Westen afvoeren, dan volchden hyse lange tijdt met het gesicht. Als dit eenige jaren aldus geduyrt hadde, soo quam sijn broeder Criton uyt Siçilyen, die hem aen eenighe verstandighe Genees-meesters over-gaf, van dewelcke hy ghenesen, en met eenen berooft werde van dat groot genoegen. En gelijck hy noch een weynigh heughenis over-ghehouden hadde van sijne Malligheydt, soo swoer hy dickwils, noyt in meerder vreught geweest te zijn, als ten tijde van de Malligheydt, geduyrende, dewelcke hy noch pijn, noch eenige droefheydt gewaer en was geworden.

Maar waar haalde Van Beverwijck dit verhaal? Gezien hij het citeerde als voorbeeld bij de melancholie, zocht ik meteen bij Robert Burton en zijn The Anatomy of Melancholy (1621). In dit magistrale werk vermeldt deze inderdaad dezelfde anecdote maar erg kort en hij noemt de melancholicus Thrasilaus: “like him in Athenaeus, that thought all the ships in the haven to be his own”; in een voetnoot staat dan een verwijzing naar ‘Dipnosophist.lib’.[3] Zo kom ik bij het verhaal in de Deipnosophistae (‘Tafelgeleerden’), een geschrift van Athenaeus van Naucratis (rond 200 na Chr):[4]

Dat de weelde van gekheid buitengewoon groot is werd plezierig betoogd door Heraclides van Pontus in zijn verhandeling over plezier waar hij zegt:

Thrasylaus van Aexone, de zoon van Pythodorus, was eens aangedaan met zulk een heftige gekheid dat hij dacht dat alle schepen die naar Piraeus kwamen hem toebehoorden. En hij noteerde ze alsdusdanig in zijn boeken, zond ze weg en regelde hun zaken in zijn geest; en wanneer ze in de haven terugkeerden ontving hij ze met veel blijdschap zoals verwacht kan worden van een man die meester is van zo’n rijkdom. En wanneer enige verloren waren vroeg hij er nooit naar, maar verheugde zich in alle die veilig aankwamen, en zo leefde hij met groot plezier. Maar toen zijn broer Crito uit Sicilië terugkeerde bracht deze hem naar een dokter die hem van zijn gekheid genas. Hij zelf sprak dikwijls van zijn gekte en zei dat hij nooit in zijn leven gelukkiger was geweest omdat hij nooit enig verdriet voelde, maar dat de hoeveelheid plezier die hij ervoer iets onbeschrijflijk was.

Hieruit blijkt dus dat het verhaal nog ouder is en zijn oorsprong vindt in de dialoog Over het plezier van de Griekse filosoof Herakleides Pontikos (4de eeuw voor Chr).[5] De anecdote heeft eeuwen later heel wat omzwervingen gemaakt en ruimere verspreiding gekregen nadat Michel de Montaigne het in zijn Essays (1580) opnam. Hij voegde eraan toe: “Zo zegt het klassieke Griekse vers dat het heel aangenaam is als je niet al te slim bent: Wie nergens aan denkt, leidt een heel prettig leven”.[6] Uit dit citaat en andere passages blijkt echter dat Montaigne vermoedelijk zijn mosterd bij Desiderius Erasmus haalde, meer bepaald diens Adagia of Spreekwoorden, een verzameling in vele edities verschenen tussen 1500 en 1536. Erasmus had het voorbeeld geplaatst onder de hoofding ‘gelukkige dwaasheid’.[7] Zo vond het zijn weg in de literatuur enerzijds over ‘ontspoorde fantasie’ of  ‘ziekelijke inbeelding’[8] en anderzijds over ‘pathologisch geluk’ of ‘vrolijke manie’.[9] Mettertijd krijgt het verhaal ook een eigen wending, zoals in de Hollandsche Spectator:[10]

Ik heb horen spreken van een andere dwaas in een grote koopstad, die door zijn vervalste verbeeldingskracht overreden werd dat alle schatten die de haven werden ingevoerd in volle eigendom hem toebehoorden, en die zich dikwijls met geweld aankantte tegen de arbeiders die deze naar de pakhuizen van de eigenaars wilden brengen. Een plaats in ’t gekhuis was aan die arme rijkaard zeker verschuldigd.



[1] Rudolf Dekker, Holland lacht. 100 moppen uit de gouden eeuw (Amsterdam: Wereldbibliotheek 2007, p 70). Zie http://oudegrappen.simplesite.com/

[2] Citaat uit Tweede deel van den Schat der Ongesontheyt (Amsterdam 1656, p 98-99). In latere uitgaven staat aan het slot toegevoegd: ‘gelijck Athenaeus betuyght’.

[3] ‘Thrasilaus putavit omnes nave in Pireum portum appellantes suas esse’.

[4] Athenaeus of Naucratis, The Deipnosophists, or, Banquet of the Learned of Athenæus - volume III (London: Henry G. Bohn, 1854 p 888; laatste hoofdstuk van boek 12). Ook verkort terug te vinden in Varia Historia (boek IV hfst 25) van Claudius Aelianus uit het begin van de 3e eeuw na Chr. (waar Thrasyllus genoemd wordt in plaats van Thrasilaus).

[5] Eckart Schütrumpf, ‘Heraclides, On Pleasure’ in W.W. Fortenbaugh & E. Pender (eds.), Heraclides of Pontus: Discussion (London: Transaction Publ, 2009 p 69-92).

[6] Michel de Montaigne, De Essays. Vertaald door Hans van Pinxteren (Amsterdam: Athenaeum 2004, p 628).

[7] ‘Fortunata stultitia’ Adagium Nr IIX81 of 1981 ‘In nihil sapiendo jucundissima vita’; het verhaal ontbreekt wel in de vertaling, Spreekwoorden – Adagia (Amsterdam: Athenaeum 2011).

[8] Nathaniel Wanley, The Wonders of the Little World, or, A General History of Man in Six Books (London 1673, p 95):  ‘Second Book, Chap I. Of the Imagination or Phantasie, and the force of it in some persons, when depraved by melancholy, or otherwise’.

[9] Zie M. Bénézech & J. Biéder, ‘Du bonheur pathologique: sur les états hallucinatoires et délirants agréables ou joyeux’ in Annales Médico-Psychologiques, 2011, 169: 209-214.

[10] Justus van Effen, Hollandsche Spectator. Zesde deel (Amsterdam: K. Van Tongerlo & F. Houttuin, 1756, p 145; spelling aangepast). De auteur vraagt zich wel af of deze man ‘veel zotter’ is dan iemand die zonder enige waarheidsgrond over zijn afkomst of kennis bluft!

Buiten filosofische en medische teksten duikt onze ‘gelukkige gek’ nog op twee bijzondere plaatsen op. In 1723 was hij de hoofdfiguur in het toneelstuk Thrasilaus, ou Le Riche Imaginaire, van de Franse jezuïet Jean-Antoine du Cerceau (1670-1730), dat echter nooit gepubliceerd werd. Naast Thrasilaus kwamen daarin ook zijn broer en zijn dokter ten tonele.[1] Ten slotte een poëtische variant van de Zeeuwse schrijver Cornelis van der Port van wie vrijwel niks bekend is buiten zijn dichterlijke vertaling van Erasmus’ Lof der Zotheid met daarin de volgende passage:[2]

 

En kan een arme gek, een rijke fokkerd maken:

Thrasillus was een gek in ’t hoog geleerde Atheen,

Door meening heel vernoegt, want daar en kwamen geen

Volladen schepen uit de zee te arriveeren,

Of hy verbeelde zig te zijn een van de heeren,

Die meede-reder was, of datse hem kwaamen toe

Geheel, en ook was hy bysonder wel te moe,

Wanneer’er een vertrok, om die vaar wel te seggen,

En na te oogen, ja ik kan het niet uitleggen,

Hoe vergenoegt en rijk, die man door meening was,

Maar als hy wierd hersteld, doen was het al den bras

Verdweenen, en hy seer bedroeft, dat niet gebleeven

Was sijn vernoegt humeur, hy wilde alles geeven,

Om die inbeelding te herstellen, ’t was hem leet,

Dat hy geneesen was…



[1] Le Mercure français de juin 1723 (Paris: Cavelier etc, p 1177-1183).

[2] Cornelis van der Port, De lof der zotheid, Eerst speelens-gewijse beschreven door Desiderius Erasmus van Rotterdam; nu Digtkundig, met eenige veranderingen van mengel-stoffen (Leiden: Frederik Haaring, 1706 p 65-66). De auteur vermeldt naast Erasmus een lijst schrijvers die hem inspireerden en daartoe behoorde ook de reeds genoemde Johan van Beverwijck.

Aan dit voorbeeld van de ‘gelukkige gek’ kunnen we een ander toevoegen. De Hamburgse arts Johann August Unzer (1727-1799) bracht een succesvol tijdschrift uit dat ook in het Nederlands verscheen: De Artz, of Geneesheer. In het 52ste vertoog vertelt hij over de invloed van de verbeelding op lichamelijke sensaties en geeft hij allerlei voorbeelden van bizarre overtuigingen die we nu wanen zouden noemen.[1] In een latere editie speelt hij hierop in met een lezersbrief (die hij natuurlijk zelf geschreven had):[2]

 

          Mijnheer,

Het 52ste vertoog van uw Artz waarin gij ons de invloed die de verbeelding op het menselijk lichaam heeft, beschreven hebt, heeft mij het geval te binnen gebracht van de burger te Argos die zich verbeeldde dat hij van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat de schoonste treurspelen vertonen zag. Men gaf hem nieswortel waardoor hij genas. In plaats van zijn geneesheer voor deze kuur te bedanken, zei hij hem dat hij hem niet genezen maar genoegzaam van kant geholpen had, omdat  hij hem het grootste vermaak had benomen, wat zijn leven gelukkig maakte. Inderdaad omtrent zulke lieden mag men zich van de uitdrukking van Virgilius bedienen en zeggen dat zij Felices errore suo,[3] gelukkig in hun dwaling zijn; en hun kwalen behoren dus onder de rij van die ziekten, welke men niet genezen moet. Waarin bestaat toch anders de gelukstaat van de mensen, dan dat zij zich gelukkig rekenen en wat kan het schelen of deze verbeelding op een waarheid of op een dwaling gegrond is. […]



[1] De Artz, of Genees-heer; in aangenaame spectatoriaale vertoogen, op eene klaare en eenvoudige wyze leerende, wat men moet doen, om gezond, lang, en gelukkig te leeven - Tweede deel, eerste stuk (Amsterdam: weduwe Kornelis van Tongerlo en zoon, 1766 p 153-167). Artz & kwakzalver

[2] Naleezing van den artz, of geneesheer in aangenaame spectatoriaale vertoogen (Amsterdam: Erven F. Houttuyn, 1775 p 221-223). Spelling aangepast en deels […] ingekort.

[3] Maar onze auteur ‘dwaalt’ hier zelf want het citaat is niet van Virgilius maar komt uit de Pharsalia (of  Bellum Civile) van Marcus Annaeus Lucanus, een Romeins dichter uit de eerste eeuw.

Dus houd ik het daarvoor, dat al die gebreken van de verbeeldingskracht, welke ons naar onze mening rijk, groot, geëerd, bemind, in een woord zo maken als wij ons verbeelden, dat wij gelukkig zijn zouden, geen wezenlijke ziekten, maar zekere gelukkige verrukkingen zijn die men op allerhande wijzen moest trachten te onderhouden. Dit houdt men in de zedenkunde voor verstandig en waarom zou het in de geneeskunde niet het zelfde zijn? Ik zou de geneesheren, die een gelukkige gek verstandig en volgens zijn begrip ongelukkig maken, met het grootste recht hetzelfde tegemoet voeren hetgeen Gellert de filosofen tegemoet gevoerd heeft: hetgeen wij wederom uit de vertaling van zijn fabelen, bij P. Meyer uitgegeven, overnemen zullen:

 

Hoe dikwijls is ‘t stugge waarheid vrienden!

Kwelt ons uw averechtse vlijt,

Doet gij ons hartzeer ondervinden,

Terwijl gij onze leraars zijt.

Waartoe een dwaling ons ontroven,

Die onze ziel met lust verzaadt?

En die, hoe vast wij ze ook geloven,

Ons echter minder schaadt dan baat?

Hij vindt geen einde aan zijn bestrijding,

Die elk wil zuiveren van zijn waan;

Daar zo veel soorten van verblijding

Uit ons verkeerd inzicht ontstaan.

Doorzoek van een mens ’t ganse leven

Wat spoort zijn ijver ’t krachtigst aan?

Wat kan ons vergenoegen geven?

Meestal een droom, een zoete waan.

Genoeg is ’t als wij ’t slechts bekomen,

Al waar het duizendmaal in schijn.

Werd alle dwaling ons ontnomen,

’t Was dan jammerlijk een mens te zijn.

 

Dit voorbeeld van de man uit Argus (de Griekse stad Argos?) lijkt sterk op dat van Lycas, zoals Montaigne het in zijn Essais weergeeft voorafgaand aan de eerder vermelde passage over Thrasilaus:[1]   

 

Ik bedrink me, strooi bloemen in het rond,

En als men mij voor gek verslijt: mij worst.

Hoeveel filosofen zullen er niet net zo over denken als Lycas? Op de zeden en gewoonten van deze man viel niets aan te merken: hij leefde vredig en genoeglijk met zijn gezin, kwam zijn plichten tegenover de zijnen en zijn naasten zonder mankeren na en keek goed uit voor de dingen die hem schade konden berokkenen. Maar hij was enigszins getroebleerd en leefde in de waan dat hij zich altijd in een schouwburg bevond, waar niemendalletjes, de mooiste komedies en andere stukken werden gespeeld. Toen hij door de artsen was genezen van deze waan, scheelde het maar een haar of hij spande een proces tegen hen aan, om weer in die heerlijke fantasiewereld teruggebracht te worden.

Bij Pollux, vrienden, riep hij uit, u hebt mij niet gered

Maar juist gedood door mij dit genoegen af te nemen.

Ik ben met geweld beroofd van een illusie die mij dierbaar was.



[1] Michel de Montaigne, De Essays. Vertaald door Hans van Pinxteren (Amsterdam: Athenaeum 2004, p 627-628); de geciteerde verzen zijn van Horatius.

Dit brengt me terug bij het reeds geciteerde Schat der Ongezondheid (1642) van Johan van Beverwijck, waar hij in het hoofdstuk over melancholie Horatius vertaalt:[1]

 

Indien ick eenigch soet uyt dwaesheydt mocht genieten,

Ick woude liever geck by al de werelt hieten,

Als wijs en treurich zijn. Daer is een man geweest

Van wien men wonder hoort, en vremde dingen leest:

Nu sagh hy (na het scheen) gedans en kamer-spelen,

En hoorde soet geluydt, en sangh van helle kelen;

Maer schoon al is de man in dese raserny,

Noch is hy niettemin van quade parten vry.

Hy dede niemandt quaet, en van sijn losse vlagen

En konde niet een mensche met recht of reden klagen,

Wie dat hem immer sagh, of veel ontrent hem quam,

Niet een die quaet onthael of eenich leedt vernam.

Maer desen onverlet een van de naeste magen,

(Die in soo goeden vriendt geen dwaesheyt wou verdragen,

Vermidts het vreemt geraes hem byster tegen was)

Bequam een medicijn die hem de key genas.

Maer als hem dit gewoel was uyt het hooft genomen,

En dat hy wederom gesontheydt had bekomen,

Doen was de man ontstelt, en byster seer gestoort,

En gaf sijn naeste bloedt al menich bitter woordt.

Wat gingh de vrienden aen mijn breyn te leggen quellen,

Om juyst na haren sin dit hooft te willen stellen?

‘K en dede niemandt leedt, maer was geduerich soet,

Nu lijd’ick oock verdriet gelijck een ander doet.

Men heeft my quaet gedaen, men heeft my niet genesen,

Ick wenste noch te zijn gelijck ick plagh te wesen,

Ick was (hoe dattet gingh) gerust en wonder bly.

Waerom dan wech-gejaeght mijn soete dwepery?

Voorwaer dat ghy bestont en zijn maer vijse-vasen,

Wat roerdet eenich mensch of my de sinnen rasen?

Wat had ick doch te doen ontrent een medicijn?

Ick heb verstants genoegh magh ick maer vrolick zijn.

 

Samengevat: hoe genezing mensen niet meteen gelukkig maakt…



[1] Citaat uit Tweede deel van den Schat der Ongesontheyt (Amsterdam 1656, p 99); de verzen zijn van Jacob Cats die het boek met zijn rijmen verluchtte en verluchtigde.