Wie was de nederige dichter van de slechte verzen?

Justus van Effen (1684-1735) introduceerde met zijn Hollandsche Spectator in de Nederlandse taal een nieuw genre tijdschrift, waarin commentaar werd geleverd op de samenleving. Tevoren had hij al periodieken in het Frans uitgegeven, waaronder Le Misantrope (1711-1712). Pas na zijn overlijden verscheen een Nederlandse versie.[1] In het eerste vertoog legt Van Effen uit dat zijn betiteling Misantrope verwijst naar een bijzondere “liefde voor het menschelyk geslacht” met als enige beweegreden “hunne bespottelykheid en buitensporigheden, en de leelykheid hunner ondaaden, in den dag te stellen”. Hij is iemand die ‘geen anderen regel erkent dan eene verlichte rede, zonder zich aan het gevoelen der menigte te kreunen’. Om “de dwaasheid en de gebreeken” te bevechten maakt hij gebruik van spotternij. Met dat wapen gaat hij tekeer tegen het “vervaarlyk aantal van slechte schryvers” en hun “vloed van prulschriften”. Zonder bronvermelding rijmt hij dan:[2]

          Die werken vinden toch, hoe zot ze ook moogen weezen,

          Een boekwurm, die ze drukt, en gekken die ze leezen.

 

Een variant op dit rijmpje vinden we terug in het derde deel van De Misantrope:[3]

          Hun vaerzen vinden toch, hoe slecht zy moogen weezen,

          Een Boekwurm die ze drukt en gekken die ze leezen.

Nu hekelt Van Effen de voorwoorden (‘voorredenen’) van boeken waarin de schrijver de lezer wil paaien door zich zelfs te vernederen. Hij verwijst dan naar een Nederlandse dichter, die beweert dat hij zijn werk niet zou laten drukken hebben “’t en waare zyn Boekverkoper hem verzekerd hadde, dat de Nederduitsche vaerzen wel aan den man willen, al zyn ze noch zoo slecht, en dat men met waarheid op de Hollandsche Poëeten toepassen kan, het gene Despreaux van de Fransche zegt”. Daarop volgt dan het vermelde citaat, een vertaling van een vaak geciteerd vers van Boileau-Despréaux waarin hij de veelschrijverij van Madame Scudéry hekelt:[4]

          Bien heureux Scudéry, dont la fertile plume

          Peut tous les mois, sans peine, enfanter un volume !

          Tes écrits, il est vrai, sans art & languissans,

          Semblent ête formés en dépit du bon sens :

          Mais ils trouvent pourtant, quoi qu’on en puisse dire,

          Un marchand pour les vendre et des sots pour les lire.

Een variant op het Nederlandse versje vond ik in een satirisch gedicht van 1742:[5]

          Niettegenstaande vinden deze

          Hun werken nog ten leste in ’t endt

          Veel gekken die ze gaarne leezen,

          Een Boekwurm, die ze veilt en vendt.

Veertig jaar later verscheen nog volgende variant:[6]

          Geleerd en ongeleerd, ’t schryft al wat schryven kan.

          De Boeken raken nog al veeltyds aan den man.

          Zy vinden reis op reis, hoe zot ze ook mogen wezen,

          Een Boekwurm, die ze drukt, en gekken, die ze lezen.

 

Ten slotte dook het versje nog op rond 1820 in onderstaande melding.[7]

[1] J. van Effen, De misantrope, of de gestrenge zedenmeester (Amsterdam, Hermanus Uytwerf, 1742-43; Arent van Huyssteen, 1745). We citeren uit de tweede druk (Amsterdam, Fredrik de Kruyff & Hermanus van Werven, 1758).

[2] Van Effen (1758) deel 1 p 7.

[3] Van Effen (1758) deel 3, vertoog 35, p 235.

[4] Nicolas Boileau-Despréaux, Satire II, vers 77 (1664).

[5] Jochem Jaspers van Heythuys [Willem van Haren], Kool voor raapen, opgedist in de keukens van nyt en eigenbaat, gehuisvest in 't land van na-druk zonder end (Harderwijk, D. van Lennep, 1742) p 5.

[6] De vrolyke zanggodinnen, of mengelwerk van vernuft - Tweede deel (Amsterdam: Petrus Conradi & Harlingen, Volkert van der Plaats, 1782) p 282.

[7] Naamlijst van Nederduitsche Boeken, kaarten prentwerken, enz. (1819-1823) (Amsterdam 1823 p 32); Het Graauwe Mannetje, of de dwaasheden van den dag (Amsterdam 1819-1820) was een satirisch toneelblad.

Maar wie is nu die Hollandse poëet die bekende dat zijn verzen slecht waren? Riet van Vliet in een bijdrage over De Misantrope meldt: “Van Effen verwijst alleen naar Franstalige schrijvers; Nederlandse tijdgenoten komt men in de Misantrope niet tegen. Op één na: Vondel duikt als lichtend voorbeeld op in deel 3 in een vertoog over de kwaliteit van hedendaagse schrijvers”, waarna ze het bekende citaat laat volgen.[1] In de tekst van De Misantrope staat geen naam vermeld, alleen “een Neerduitsch Dichter die zyne werken onlangs uitgegeeven heeft”.[2] Het betreffende vertoog is een vertaling uit Van Effens La Bagatelle van 10 november 1718.[3] Daarin is sprake van “un Poëte Hollandois de nouvelle date” en verder zonder het citaat van Boileau. In de Nederlandse versie van De Misantrope heeft de vertaler zich wel wat dichterlijke vrijheden veroorloofd.[4] Echter, de dichter van de ‘slechte maar verkoopbare’ verzen kan dus duidelijk niet Vondel zijn geweest want die was in 1718 al bijna 40 jaar overleden!

[1] Rietje van Vliet, ‘Misantrope, of de Gestrenge Zedenmeester (1742-1745)’ in Encyclopedie Nederlandstalige Tijdschriften; https://www.ent1815.nl/m/misantrope-of-de-gestrenge-zedenmeester-1742-1745/

[2] Van Effen (1758) deel 3 p 234.

[3] J. van Effen, La Bagatelle ou Discours ironiques (Amsterdam, H. du Sauzet & N. Viollet, 1718) p 14.

[4] Pieter Le Clercq (1693-1759), was erg actief als vertaler en historicus.

Een Frans voorbeeld

De Franse dichter Isaac de Benserade zette de Metamorfosen van Ovidius om in de middeleeuwse versvorm van het rondeel. Zijn boek kwam uit in een luxe-editie (1676) met grote financiële steun van de Franse koning Louis XIV, die hem om dit soort dichtwerk verzocht had. Het boek werd echter een flop en wellicht had de auteur de bui al zien hangen in zijn voorwoord (uiteraard ook in de vorm van een ‘rondeau’):

Pour moi, parmi des fautes innombrables,

Je n’en connois que deux considérables

Et dont je fais ma déclaration :

C’est l’entreprise et l’exécution,

À mon avis, fautes irréparables

Dans ce volume

Ik waag me niet aan een rondeau en houd het bij volgende rijmvertaling:

Onder mijn vele fouten ontelbaar,

Ken ik er wel twee onmiskenbaar

Waarvan hier nu mijn verklaring:

Dat is de opzet en de uitvoering,

Volgens mij fouten onherstelbaar,

Van dit boek.

Overtollige zedigheid

Het is onnodig, Joost! dat ge in uw voorbericht

Voor kunsteloos verklaart het geen gy hebt gedicht,

Maar ik wil evenwel uw zedigheid niet wraken,

Dewyl zy waarheid is, want dat zulk verzenmaken

Juist niet veel kunst vereischt, ziet elk op 't eerst gezigt.

P.G. Witsen Geysbeek, Puntdichten (Amsterdam, C.L. Schleijer, 1834)

Van dezelfde 'eene oude waarheid':

Geen werkman, voor zo verre ik weet,

Bemint zijn eigen werk

Zo sterk

Als een poëet.

Kladboeksken

De Ieperse arts Frans Donaet Van Daele gaf in 1805-1806 het tijdschrift Tydverdryf uit, met veel eigen dichtwerk en taalkundige beschouwingen. Hij lijkt zich in het voorwoord van zijn ‘kladboeksken’ ook bescheiden op te stellen, met deze poëtische versie van een Latijns epigram van John Owen:

Die wilt aen allen man behaegen,

Moet ook aen Sotten hulde opdraegen:

Een kleyn tal Lésers my vernoegt;

Jae ik vernoege my met eenen;

En soo dit lésen niemand voegt,

‘K ben ook te vré met geenen.

 

Verder vertaalt hij een vers van Martialis als volgt:

Hier sult gy nu iet goeds in vinden, dan iet slechts.

Dan iet van ’t midden-slach, iet rechts, iet averechts;

Toch, Léser, wil daerom noch werk noch insicht vloeken;

’T word alles soo gemaekt, men vind geene andre boeken.

 

Jan Goeree (Mengel-poëzy; Amsterdam 1734) geeft toe dat het hem vaak ontbreekt aan inspiratie om zijn grollen te rijmen:

Grollen op Vloey-papier

Ik wond myn Grillen in het Graf-schrift van Heer Gril;

En wyl myn Grollery niet heel wel vloeijen wil,

(Een ongeluk dat my gebruyd heeft al myn leeven)

Heb ik ze deelsgewys op Vloey-papier geschreeven.

 

Hermanus van den Burg (Mengelpoëzy, 1718-30) erkent zijn dichtsels als: "meest alle ontydig ofte al te schielijk geboren kinderen, die geen nood hebben van aan de nakomelingen te verveelen, alzo zy onder de styfsel en mostert, zoo niet op de sekreeten [toiletten], zekerlijk hun kerkhof zullen vinden" en elders bekent hij:

Als 'k geld heb is 't voor my onmogelyk te blokken,

En al wat ik dan schryf verdient niet dat men 't leest;

Vraagt gy waarom, myn Vriend? om dat ik dan myn geest

In Bacchus kelder spil, of onder Venus rokken

 

Adriaan Walraven Engelen toonde zich aan het slot onzeker over het lot van zijn Dichterlijke brief aan Dr. H. Roedel (Groningen, W. van Boekeren, 1833):

 En nu, mijn Zangster, zwijg! – want ging ik verder voort,

En bleef ik langer met mijn verzen u aan boord,

k’ Zou straks den Dichter X in ’t rijmen evenaren.

En ‘k vond dan ras misschien dees fraai gedrukte blaêren,

Gewonden om een koek, in markt- of kermiskraam…

 

Vermomd als ‘ex-schoolmeester’ was Jakob Theodoor Buser kritisch over zijn eigen dichtwerk, Uit de dierenwereld. Humoristische legenden, in rijmelende kreupelverzen (Deventer, A. ter Gunne, 1860):

 Wat de schoone Sekse betreft: vindt zij geen zwier,

 Niets aardigs of prettigs in de Versjes; enfin, leest zij ze niet met pleizier,

Och, ze zijn nog altijd goed voor papiljotten-papier.

De strafste zelfkritiek bood Jacob Koeman (1662) in een voorwoord op zijn dichtwerk, waarbij hij zich voorstelt “als een ongeletterde, onnosel in rym, onkundigh in redenkunst, ongeoeffent in welsprekentheit, onbequaem om duits en onduits van elckandere te schiften, onaengenaem zoo in de uitvinding, als schickinge der stoffe: kort om, als een, die van brein en styl, boers en slecht is”!  Schouwspels beschouwing ofte ware afbeelding van de hedendaeghse tooneelhandel (Amsterdam, Jacobus van den Bergh, 1662). P.G. Witsen Geysbeek in Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters (Amsterdam, C.L. Schleijer, 1823, deel 4 p 95) noteert bij dit citaat “dat de goede man de zuivere waarheid gesproken heeft”.

Voltaire heeft nog een troostend woord: "Slechte boeken zijn vaak bijzonder nuttig, omdat ze aanleiding geven tot het schrijven van goede boeken". Voltaire Briefwisseling met Frederik de Grote, 1736-1778 (Amsterdam: Van Gennep, 2007) p 799

 

zie 'de buitenspoorige poëet'

zie 'de buitenspoorige poëet'

Voorwoord à la mode?

Via Gerrit Komrij (Halfgod verzamelaar; 2012  p 114) ontdekte ik de schrijfster Delphine Gay of Madame Émile de Girardin en meer bepaald haar geestige boek Le Lorgnon (Paris, Charles Gosselin, 1832): een lorgnet (knijpbril) laat toe de gedachten te lezen van de persoon die men bekijkt. Haar ironiserende stijl blijkt al direct uit het grappige voorwoord dat ik hier vrij vertaal (noteer dat zij zich verschuilt achter een mannelijk pseudoniem, zoals meerdere schrijfsters in die tijd deden).

Dit voorwoord is geenszins volgens de mode, daarover maakt de auteur zich geen illusie. Ten eerste is het geschreven door hem zelf, een grove fout waar men niet meer in vervalt; vervolgens is het niet langer dan het werk zelf, is het ook niet beter en bewijst het niet dat de auteur uitstekend is; het is geenszins dreigend en bevat geen aankondiging van een half dozijn boeken in hetzelfde genre dat men zich voorneemt onophoudelijk te publiceren; het beledigt geen regering, voorbije, huidige of toekomstige; het onderstreept niet de verdienste van hedendaagse auteurs met verwerping van alles wat tot op heden succes heeft gehad. De auteur bewijst er niet in dat alleen zijn vrienden kunnen schrijven, dat alleen zij beschikken over originaliteit en genie. Niet dat hij geen spirituele vrienden heeft en niet fier is op hun talenten, maar ongelukkiglijk hebben zij dat zelf aangetoond door hun sublieme verzen, hun welsprekend en poëtisch proza; en hun beroemdheid is zo groot dat men niet zou kunnen menen hun reputatie nog meer te vestigen dan er wat aan toe te voegen. Het grote charlatanisme van persoonsnamen zal dus niet het belang uitmaken van dit voorwoord; het zal zelfs geen lofzang bevatten op hen die zich hiervan bewust moeten zijn in de kranten. Geen enkele ijdelheid wordt erin gesmeekt; het vleit geen haat van enige partij of kwaadaardigheid van enig kliekje. Kortom, dit voorwoord zal zo onbetekenend zijn als het boek zelf.

Het doel van dit voorwoord is evenmin te wijzen op een grote en sublieme filosofische gedachte die men is vergeten in het werk tot uiting te laten komen. De auteur pretendeert niet school te maken, een stijl uit te vinden, grote morele, politieke of literaire waarheden aan te tonen; hij heeft niets willen bewijzen, niets schilderen; zijn werkwijze is geen systeem, zijn personages zijn geen portretten. Hij  beoogt niet de maatschappij te corrigeren en zou integendeel ontgoocheld zijn dat deze veranderde, want zij bevalt hem zoals ze is, zij pleziert en inspireert hem. Hij koestert alle belachelijkheden die hij erin ontdekt omdat deze hem geruststellen en hem machtigen al degene die hij had te behouden; belachelijkheden waarmee hij zelf goedmoedig lacht wanneer hij ze waarneemt. Zoals hij zonder pretentie schrijft, zo wil hij evenzeer behandeld worden. Het doel van dit voorwoord is dus te verklaren dat hij deze bladzijden voor zichzelf geschreven heeft, uit plezier, zonder vooruitzicht ze te publiceren, zonder te denken dat men ze moest lezen, en dat hij er geen enkel belang aan hecht; ziedaar zijn enige originaliteit.

[Dit boek richt zich] tot deze spirituele en toegeeflijke lezers die steeds een beetje erkentelijkheid hebben voor het boek dat hen hielp een uurtje wachten door te brengen tussen een affaire en een pleziertje, tussen een vaarwel en een weerzien. Deze categorie omvat de mannen die zich vervelen en de vrouwen die liefhebben, en is dat niet ongeveer de helft van de wereld!

Poëtische zelfspot

Volgens een recente biografie heeft de Haarlemse dichter Pieter Rixtel (1643-1673)  een klein maar interessant oeuvre nagelaten. Ik keek vooral uit naar zijn Mengelrymen (1669), “stukjes van kleinen omvang, bijschriften, puntdichten enz., die inderdaad zeer geestig zijn” volgens de toch erg kritische Witsen Geysbeek. Een andere criticus verwoordde het dubbelzinnig: “Zijn gering talent toont zich in de puntdichten op het voordeeligst.” Zelf vond ik de inleiding het geestigst omwille van de spot met zijn collega’s ‘bevlogen’ dichters, vermengd – ongewild/onbedoeld? – met wat zelfspot. Hopelijk behoor jij tot de (volgens Rixtel) geringe groep van ‘kundige’ lezers om te grinniken bij het volgende.[1]

[1] Klaas de Jong, Pieter Rixtel (1643-1673) – Een dichter zonder rust (Hilversum, Verloren, 2015); Witsen Geysbeek, Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters – deel 5 (Amsterdam, Schleijer, 1824); P. Geyl in Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek - deel 2 (Leiden, Sijthoff, 1912). Citaat uit de eerste druk van Mengelrymen (Haarlem, Vincent Casteleyn, 1669; 2e druk Amsterdam, H. van de Gaete, 1717).

Aen de Kunst-kundige en onkundige Lesers.

Eyndelijk heb ik mede een Drukker gevonden, die uyt hoop van winst, daar meest al de Werelt zigh door bedrieght, mijn Rijmerijen onder de Pars heeft durven werpen: Waerlijk een geluk, om het welke te bekomen, veele jonge Poëten, alle and're wegen van hun geluk voor-by slaende, nagt nogh dagh kunnen rusten; maar als mymerende, al de Boekwinkels uyt en in lopende, by elk hun Vaersen veylen, die hen, sooze niemant durft aan-slaen, soo swaer op 't Hart leggen, dat sy, aen ‘t quynen geslagen, haer leven in een Teeringh slijten; of geheel wanhoopende van na haer doodt te leven, (welke Siekte in de Dighters by na ongeneeslyk is,)  sigh in de Wijn-Kan, waer uyt haer Geest geboren wiert, versmoren. Daer-om weet ik, dat mijn Vaersen sonder nijt, een volgende schaduw van 't geluk, het light niet sullen aenschouwen; want ik heb ook (dat de Poëten eygen is) de laster van het onverstant, een onlijdelijk Monster voor de deught, niet een voet willen ontwijken; schoon ik hoorde dat veele, gelijk als Varkens voor d'aenkomende Wint, van verre op my, voor d'uytkomst van mijn Vaersen, reets begosten te gnorren, uyt vreese van in haer sotheyt, de drek waer in sy wroeten, gestoort te werden: Want de Werelt, hoe dwaes, is nogh soo wijs, datse haar dwaesheyt niet gaerne siet vertonen. Hoe-wel ik niet gekomen ben, als daer toe te laet op-gestaen zijnde, om door Poësy de deugden, die over-al t' soek zyn, te herstellen, en alle ondeugden, die men over-al vint, de Werelt uit te boenen; vermits selfs een ontellijk getal van geestelijke en wel-betaelde Ridderen, hoe seer sy Ampts-halven voor ’t reght der deugden yveren, daer toe te swak zijn: Ja somtijts van d'ondeughden, hun Vijanden, al veghtende wel selfs overwonnen worden. Ook soude ik my schamen voor te geven dat ik dit werk alleen om te stigten voor-genomen en uyt gegeven heb, terwijl sulkx niemanț soude geloven, en ik niets ongelooffelijkx wil schrijven. Zijt ghy dan nieuws-gierig te weten wat my hier toe heeft vervoert? een Poëtische drift, die sommige voor zotheyt, en sommige voor eerzught sullen uyt-krijten; eghter alsoo togh elk wil toonen wat hy weet, en waent te weten, dat verwonderens waerdigh is, waer door elk zyn dwaesheyt aen den dagh brenght, heb ik mede niet kunnen zwijgen, maar dese Mengel-Rijmen, schoon sommige seggen dat tot Haerlem weynig eer met Boeken maeken behaelt wort, aen het light, en elkx oordeel, moeten op-dragen; dewelke, soo ik segh watse zijn, misschien van niemant met nieuws-gierige Oogen gelesen sullen worden.

Om noghtans hier yets van myn kruijen op te snijen, so schrijf ik niets of het is al meer geschreven. Mishaeght u dit? soekt naer wat nieuws in d'oude Werelt, en als ghy 't waent te hebben; zijt ghy bedrogen; want daer is niet nieuws onder de Sonne. Een groot gedeelte van mijn Werk, gelijk het meestendeel der Menschen, sal ik voor de beschuldiging van ydel te zyn niet kunnen beschermen; want ik zingh van Oorlog, van Kussen, van Trouwen, en van Sterven, en alle dese dingen zijn ydel, behalven het laetste, om dat de tydelijke doodt niet te ontwijken is. Eghter meen ik niet geschreven te hebben als het geene ons de hedendaeghse deugden wel toe-laaten. Daer ik van d'Oorlog zingh, vrees ik dat sommige sullen seggen dat sulk een stoffe op te pronken geen Christen past: en waerlijk sy hebben gelijk; want het waer te wenschen dat 'er geen Wapenen, veel min het gebruyk daer van, onder de Christenen bekent, en dat ook de fenynige Pijlen der snijdende Tongen inde Kaken van het Helsch Serpent aghter-gebleven waren. Daer ik van Kussen zingh sullen d'ouden op schrollen, om dat haer Kaers in de pijp brant, en haer lust over is: dog ik heb niet geschroomt met vermaek te schryven van het geen een yegelijk met lust verlanght te doen, blyvende noghtans binnen de Palen van zedigheydt. Met voordaght spreek ik hier weynigh van Trouwen en van Sterven, om dat die beyde of goet, of quaet zijn, naer dat die Mensch of goet, of quaat is, wien sy te beurte vallen. Daer ik boert, volgh ik de genees-Meesters, die de bittere Pillen met Vergult bedecken, om de Siecken sonder walging te genesen: want de waerheyt, onsmakelijker dan Alsem, dringt selden in 't Harte, als gewentelt in de gulde schetserije, die de jeukende Ooren al saghjens klouwende, weet verder in te kruypen. Hier om weet ik sal my niemant lafteren, als die, wiens huyk van schijnheyligheydt, gewoon met alle winden te waijen, gelight, en wiens schurft; door de waerheydt van mijn Pen, gehekelt is. Daer ik Geestelijke stof verhandel, verwaght ik een gevolgh van veel Kemel-verslindende Muggezifters, die gewoon zijnde de Bybel verkeert te lesen, alles ook met den Bybel avereghs uyt-leggen. d'Eerste schiet my, als een Slangh uyt het Gras, op zijde, en is nieuws-gierigh te ondersoeken wat Geloof ik heb: segh ik, een Christelijk; hy antwoort, ô dats niet genoegh! gy moet aen een vaste Kerk-leer hange, of wat gy schrijft, al is het voor de geheele Werelt goet, kan niet deugen; dogh dese is te vrede als ik zegh wat Kerke ik by-woon, als of men door Kerk-deur, en niet door een Christelijk Geloof, ten Hemel most in-gaen.

De tweede schiet my, als een Hont van de Kneppel geslagen, naer de Benen, om dat hy zyn zonden, dien hy waende in de Werelt nogh onbekent te zyn, en waer mede hy d'eenvoudige bedriegende, zyn woeker dreef, nu ontdekt ziet: en soekt, vraegende of ik selfs al zondeloos ben? door de gebreken van een ander de zyne te verschoonen. De darde, als een Ezel, die luy en traegh, het pak der deugden te lastig valt, traght my, al gigauwende, met een yselijk gheluydt , als een werck-heyligh, te verdoemen; om dat ik vertoon dat het Jok der deughden in 't voetsant leggende, by hem willigh behoort op-genomen, en gedragen te worden. Die nogh onder de Muggezifters wel de fijnste zyn, schynen te klagen, dat ik Geestelycke stoffen, met boert en minnery, in een Bant gebonden, laet uyt-gaen; daer sy in een Hart alle hun ondeughden, in groot, en deughden in kleyn getal, om-voeren, en wanen het genoegh te zyn, dat sy ses dagen, neffens and'ren in de Werelt, als in een Ros-moolen, om-gelopen hebbende, Sondaghs twee-mael te Kerke gaen; gebruykende van seven daegen sleghs een, om voor weynigh uyren yets goets te hooren, en verlangen, al gaepende van onlust, naer ’t uyt-gaen van de Kerk; daer ik in tegendeel van dartien Bladen vijf met Geestelijke stoffe beset hebbende, myn schryven hun leven in deughde nogh verre te boven gaet. Die dit seggen als vermetel berispt, schrijf het de Poëtische vryheyt toe; ik sal ook zyn berispen, hoe onverstandigh, verschoonen, al is hy geen Poët. Want men moet, om gemackelyk door de Werelt te raeken, de zotheyt van zyn even-Mensch, als een gemeene last willigh helpen dragen: Vermits men by de zotheyt het geluk, dat alleen ge-eert, en van alle gebreeken onbesproken blyft, meest sal vinden: En waerlyk voor de zotheydt heb ik ook meest geschreven, wetende dat weynigh verstandigen myn Vaersen sullen lesen. Vraeghje waerom? om dat z’er weynigh zyn.

Yder leer dan zyn eygen dwaesheydt kennen, en de myne verschoonen, soo heeft hy d'eerste trap van wijsheyt beklommen. Waar toe ik wensche dat al het Menschdom, 'twelk nogh blint, als 't geslaght der Mollen, in d'Aerde wroetende, het light der Sonne niet kan aen-schouwen, eyndelyk magh geraken; naer-dien, om waer'lyk ghelukzalig te zyn, maer Oogen vereyscht worden, die haer geluk, dat in alle staten te vinden is, en haer ongeluk, dat elk meest in een verkeert oordeel by zigh draegt, kunnen zien.

Deel deze pagina