Wie was de nederige dichter van de slechte verzen?

Justus van Effen (1684-1735) introduceerde met zijn Hollandsche Spectator in de Nederlandse taal een nieuw genre tijdschrift, waarin commentaar werd geleverd op de samenleving. Tevoren had hij al periodieken in het Frans uitgegeven, waaronder Le Misantrope (1711-1712). Pas na zijn overlijden verscheen een Nederlandse versie.[1] In het eerste vertoog legt Van Effen uit dat zijn betiteling Misantrope verwijst naar een bijzondere “liefde voor het menschelyk geslacht” met als enige beweegreden “hunne bespottelykheid en buitensporigheden, en de leelykheid hunner ondaaden, in den dag te stellen”. Hij is iemand die ‘geen anderen regel erkent dan eene verlichte rede, zonder zich aan het gevoelen der menigte te kreunen’. Om “de dwaasheid en de gebreeken” te bevechten maakt hij gebruik van spotternij. Met dat wapen gaat hij tekeer tegen het “vervaarlyk aantal van slechte schryvers” en hun “vloed van prulschriften”. Zonder bronvermelding rijmt hij dan:[2]

          Die werken vinden toch, hoe zot ze ook moogen weezen,

          Een boekwurm, die ze drukt, en gekken die ze leezen.

 

Een variant op dit rijmpje vinden we terug in het derde deel van De Misantrope:[3]

          Hun vaerzen vinden toch, hoe slecht zy moogen weezen,

          Een Boekwurm die ze drukt en gekken die ze leezen.

Nu hekelt Van Effen de voorwoorden (‘voorredenen’) van boeken waarin de schrijver de lezer wil paaien door zich zelfs te vernederen. Hij verwijst dan naar een Nederlandse dichter, die beweert dat hij zijn werk niet zou laten drukken hebben “’t en waare zyn Boekverkoper hem verzekerd hadde, dat de Nederduitsche vaerzen wel aan den man willen, al zyn ze noch zoo slecht, en dat men met waarheid op de Hollandsche Poëeten toepassen kan, het gene Despreaux van de Fransche zegt”. Daarop volgt dan het vermelde citaat, een vertaling van een vaak geciteerd vers van Boileau-Despréaux waarin hij de veelschrijverij van Madame Scudéry hekelt:[4]

          Bien heureux Scudéry, dont la fertile plume

          Peut tous les mois, sans peine, enfanter un volume !

          Tes écrits, il est vrai, sans art & languissans,

          Semblent ête formés en dépit du bon sens :

          Mais ils trouvent pourtant, quoi qu’on en puisse dire,

          Un marchand pour les vendre et des sots pour les lire.

Een variant op het Nederlandse versje vond ik in een satirisch gedicht van 1742:[5]

          Niettegenstaande vinden deze

          Hun werken nog ten leste in ’t endt

          Veel gekken die ze gaarne leezen,

          Een Boekwurm, die ze veilt en vendt.

Veertig jaar later verscheen nog volgende variant:[6]

          Geleerd en ongeleerd, ’t schryft al wat schryven kan.

          De Boeken raken nog al veeltyds aan den man.

          Zy vinden reis op reis, hoe zot ze ook mogen wezen,

          Een Boekwurm, die ze drukt, en gekken, die ze lezen.

 

Ten slotte dook het versje nog op rond 1820 in onderstaande melding.[7]



 

[1] J. van Effen, De misantrope, of de gestrenge zedenmeester (Amsterdam, Hermanus Uytwerf, 1742-43; Arent van Huyssteen, 1745). We citeren uit de tweede druk (Amsterdam, Fredrik de Kruyff & Hermanus van Werven, 1758).

[2] Van Effen (1758) deel 1 p 7.

[3] Van Effen (1758) deel 3, vertoog 35, p 235.

[4] Nicolas Boileau-Despréaux, Satire II, vers 77 (1664).

[5] Jochem Jaspers van Heythuys [Willem van Haren], Kool voor raapen, opgedist in de keukens van nyt en eigenbaat, gehuisvest in 't land van na-druk zonder end (Harderwijk, D. van Lennep, 1742) p 5.

[6] De vrolyke zanggodinnen, of mengelwerk van vernuft - Tweede deel (Amsterdam: Petrus Conradi & Harlingen, Volkert van der Plaats, 1782) p 282.

[7] Naamlijst van Nederduitsche Boeken, kaarten prentwerken, enz. (1819-1823) (Amsterdam 1823 p 32); Het Graauwe Mannetje, of de dwaasheden van den dag (Amsterdam 1819-1820) was een satirisch toneelblad.

 

Maar wie is nu die Hollandse poëet die bekende dat zijn verzen slecht waren? Riet van Vliet in een bijdrage over De Misantrope meldt: “Van Effen verwijst alleen naar Franstalige schrijvers; Nederlandse tijdgenoten komt men in de Misantrope niet tegen. Op één na: Vondel duikt als lichtend voorbeeld op in deel 3 in een vertoog over de kwaliteit van hedendaagse schrijvers”, waarna ze het bekende citaat laat volgen.[1] In de tekst van De Misantrope staat geen naam vermeld, alleen “een Neerduitsch Dichter die zyne werken onlangs uitgegeeven heeft”.[2] Het betreffende vertoog is een vertaling uit Van Effens La Bagatelle van 10 november 1718.[3] Daarin is sprake van “un Poëte Hollandois de nouvelle date” en verder zonder het citaat van Boileau. In de Nederlandse versie van De Misantrope heeft de vertaler zich wel wat dichterlijke vrijheden veroorloofd.[4] Echter, de dichter van de ‘slechte maar verkoopbare’ verzen kan dus duidelijk niet Vondel zijn geweest want die was in 1718 al bijna 40 jaar overleden!



[1] Rietje van Vliet, ‘Misantrope, of de Gestrenge Zedenmeester (1742-1745)’ in Encyclopedie Nederlandstalige Tijdschriften; https://www.ent1815.nl/m/misantrope-of-de-gestrenge-zedenmeester-1742-1745/

[2] Van Effen (1758) deel 3 p 234.

[3] J. van Effen, La Bagatelle ou Discours ironiques (Amsterdam, H. du Sauzet & N. Viollet, 1718) p 14.

[4] Pieter Le Clercq (1687-1759), politicus die ook als vertaler en historicus actief was.

Een Frans voorbeeld

 

De Franse dichter Isaac de Benserade zette de Metamorfosen van Ovidius om in de middeleeuwse versvorm van het rondeel. Zijn boek kwam uit in een luxe-editie (1676) met grote financiële steun van de Franse koning Louis XIV, die hem om dit soort dichtwerk verzocht had. Het boek werd echter een flop en wellicht had de auteur de bui al zien hangen in zijn voorwoord (uiteraard ook in de vorm van een ‘rondeau’):

Pour moi, parmi des fautes innombrables,

Je n’en connois que deux considérables

Et dont je fais ma déclaration :

C’est l’entreprise et l’exécution,

À mon avis, fautes irréparables

Dans ce volume

Ik waag me niet aan een rondeau en houd het bij volgende rijmvertaling:

Onder mijn vele fouten ontelbaar,

Ken ik er wel twee onmiskenbaar

Waarvan hier nu mijn verklaring:

Dat is de opzet en de uitvoering,

Volgens mij fouten onherstelbaar,

Van dit boek.

Overtollige zedigheid

Het is onnodig, Joost! dat ge in uw voorbericht

Voor kunsteloos verklaart het geen gy hebt gedicht,

Maar ik wil evenwel uw zedigheid niet wraken,

Dewyl zy waarheid is, want dat zulk verzenmaken

Juist niet veel kunst vereischt, ziet elk op 't eerst gezigt.

P.G. Witsen Geysbeek, Puntdichten (Amsterdam, C.L. Schleijer, 1834)

Van dezelfde 'eene oude waarheid':

Geen werkman, voor zo verre ik weet,

Bemint zijn eigen werk

Zo sterk

Als een poëet.

Kladboeksken

De Ieperse arts Frans Donaet Van Daele gaf in 1805-1806 het tijdschrift Tydverdryf uit, met veel eigen dichtwerk en taalkundige beschouwingen. Hij lijkt zich in het voorwoord van zijn ‘kladboeksken’ ook bescheiden op te stellen, met deze poëtische versie van een Latijns epigram van John Owen:

Die wilt aen allen man behaegen,

Moet ook aen Sotten hulde opdraegen:

Een kleyn tal Lésers my vernoegt;

Jae ik vernoege my met eenen;

En soo dit lésen niemand voegt,

‘K ben ook te vré met geenen.

 

Verder vertaalt hij een vers van Martialis als volgt:

Hier sult gy nu iet goeds in vinden, dan iet slechts.

Dan iet van ’t midden-slach, iet rechts, iet averechts;

Toch, Léser, wil daerom noch werk noch insicht vloeken;

’T word alles soo gemaekt, men vind geene andre boeken.

 

Voltaire heeft nog een troostend woord:

Slechte boeken zijn vaak bijzonder nuttig, omdat ze aanleiding geven tot het schrijven van goede boeken.

Voltaire Briefwisseling met Frederik de Grote, 1736-1778. Vertaald en ingeleid door Hannie Vermeer-Pardoen (Amsterdam: Van Gennep, 2007) p 799