Klappen voor de huwelijksplicht

PROLOOG

Een klepperman, klapperman of klapwaker is een nachtwacht die in vroeger tijden met klep (een apparaatje vergelijkbaar met een ratel) de ronde deed en daarbij ook riep hoe laat het was [Wikipedia]. In de volgende tekst[1] treedt zo’n klapperman op in Ternate, een van de Molukse eilanden, nu deel van Indonesië en destijds een ‘koloniaal’ onderdeel van Nederlands Indië. Hij kleppert of klapt er op los voor de huwelijksplicht: “Geef burgers aan het lieve vaderland”! In een epiloog zoeken we uit wie de auteur was en hoe deze klapperman een bijzondere reputatie verwierf.



[1] Uittreksel (in wat moderner Nederlands gezet) uit Justus van Effen, De Misantrope – Derde en laatste deel (1745 p 27-35); oorspronkelijk in het Frans in La Bagatelle 13 juni 1718. Omdat de originele Franse tekst het heeft over ‘Clapperman’ verkiezen we hier de term Klapperman.

 

De Klapperman van Ternate

De Magistraat van Ternate, hoofdstad van een der Molukse eilanden van dezelfde naam, acht het niet beneden zijn waardigheid voor de voortplanting van het menselijk geslacht te zorgen. Zij hebben, om dat grote doel te bereiken, een Klapperman aangesteld, die elke morgen om vijf uur door de stad gaat met werktuigen die een groot geraas maken, zoals trommels, ratels... om de mannen te wekken en te vermanen.... Ziehier het liedje van die Klapperman uit het Maleis overgezet.

 

Liedje van de Klapperman van Ternate

O mannen, ’t is hoog tijd, ontwaakt,

Omdat de dag alreeds genaakt,

Is ’t nu geen tijd meer van te dromen,

Maar van uw huwelijksplicht behoorlijk na te komen.

Bevolk uw vaderland, geeft burgers aan de staat:

Dat is het heus verzoek van de achtbare Magistraat.

 

Wel aan dan, mannen, toont u kloek

En weigert geen zo heus verzoek:

Uw vrouwen, die al naar u wachten,

Zijn waardig om met u die plichten te betrachten.

Bevolk uw vaderland, geeft burgers aan de staat:

Dat is het heus verzoek van de achtbare Magistraat.

 

Vijf heeft de klok, de klok heeft vijf.

Op, mannen, elk omhelze zijn wijf,

En laat zijn hart van liefde ontvonken,

Maar hoe! Het wordt al dag en gij ligt nog te ronken.

Bevolk uw vaderland, geeft burgers aan de staat:

Dat is het heus verzoek van de achtbare Magistraat.

Dat is het liedje van die Klapperman. Men had het zeker kunnen uitbreiden en wat opsieren; maar die uitbreiding zou nutteloos geweest zijn en men zou van de aangename natuurlijkheid afgeweken zijn. Men weet wel dat de Klappermannen geen fraaie vernuften zijn; zij zeggen eenvoudig hetgeen zij te zeggen hebben; zij roepen hoe laat het is en dat is ’t al. Wie zou niet zeggen dat de Magistraat van Ternate het Tafereel der liefde aangemerkt in de huwelijkse staat van de geleerde Doctor Venette[1] gelezen heeft, die door zeer natuurlijke redenen bewijst dat de morgenstond de bekwaamste tijd is om… 

Ongetwijfeld zullen degenen die niets goedkeuren dat in hun land niet gebruikelijk is, deze Ternaatse gewoonte belachelijk vinden. Dat staat hun vrij; maar dat belet niet dat anderen dit gebruik voor wijselijk ingesteld zullen houden. De meeste vrouwen zijn schaamachtig, dat weet men; zij durven hun mannen niet verzoeken. Maar als dit verzoek van een ander komt, en vooral vanwege de achtbare Magistraat, kan men niet twijfelen of het moet van een goede uitwerking zijn. Tenandere weet elk dat de mensen traag zijn in het nakomen van hun wezenlijkste plichten, zodat men genoodzaakt geweest is mannen aan te stellen om hen daar toe te drijven door preken, vermaningen en leringen die, zonder deze beklaaglijke traagheid, onnodig en nutteloos zouden zijn.  Een andere gewichtige aanmerking die men moet maken is dat de wijze Magistraat van Ternate heel wel begrepen heeft dat de welvaart van een land afhangt van de veelheid van zijn inwoners: hetgeen de meeste Regeerders van Europa echter niet willen begrijpen omdat zij door hun ondraaglijke belastingen, alleen tot hun bijzonder gebruik opgelegd, door hun verregaand geweld, hun hatelijke vervolgingen… een overgroot aantal van hun onderdanen doen verhuizen.

Verder hebben enigen gemeend dat die Klapperman door de Ternaatsevrouwen betaald werd; maar neen, ik heb de zaak terdege onderzocht en kan verzekeren dat de Magistraat hem betaalt. Het is echter wel te denken dat zij hem, volgens gebruik, op nieuwjaarsdag wel een verering geven, maar dat is voor zijn gelukwensing. Ik heb maar van de hoofdstad gesproken; echter heeft hetzelfde gebruik plaats in de andere steden, plaatsen en dorpen van 't ganse eiland volgens de Historie van de verovering der Molukse eilanden.[2]



[1] De Franse arts Nicolas Venette (1622-1698) werd bekend door een boek dat beschouwd wordt als de eerste verhandeling over seksuologie in het Westen: Tableau de l’amour conjugal, ou l'Histoire complète de la génération de l'homme (1687), dat eerst in 1686 in Amsterdam gepubliceerd werd als Tableau de l'amour humain considéré dans l'estat du mariage onder het pseudoniem Salocini, Vénitien (anagram van Nicolas Venette). De eerste Nederlandse versie (1687) verscheen als Venus minsieke gasthuis, waer in beschreven worden de bedrijven der liefde in den staet des houwelijks. Daarna onder de titel Tafereel der huwelyks liefde, of verhandelinge over de voortteelinge der menschen.

[2] In het origineel staat hier een voetnoot: ‘Historie van de veroveringe der Moluksche Eilanden, Eerste Boek’. In de epiloog komt dit nog ter sprake.

 

[na dit ‘vijfde vertoog’ vervolgt Van Effen in het ‘zesde vertoog]

Ik verklaar aan ’t volk dat de berispingen en de lof die op mijn voorgaand vertoog kunnen vallen, niet voor mijn rekening zullen zijn. Ik ben er geen schrijver maar slechts naschrijver van. De schrijver is een man van grote roem op de Franse Parnassus.[1] Dit strekt tot bericht voor mijn lezers in het prijzen van dat stukje, zo het van hun smaak is, of in het berispen, indien het hun aanstotelijk voorkomt. Ik twijfel niet of mensen die de deugd met een zekere gestrengheid van aard verwarren, zullen dat stukje wat te dartelvinden. Zij hebben ongelijk: het is hier zaak van de huwelijksstaat die, naar de mening van vele redelijke lieden, aangenaam maar niet dartel genoemd kan worden, tenzij in zijn eerste aanvang. Aan deze staat zijn zekere plichten vast die niemand onbekedt zijn en waarvan men hier spreekt zonder uitdrukkingen te gebruiken die bekwaam zijn om bijkomende denkbeelden te verwekken die de eerbaarheid kunnen kwetsen. Ik heb het elders alreeds gezegd: wij beleven een verstandige eeuw en in ons land zelf, waar de onnozelheid van een meisje tot de ouderdom van zestien jaren placht te gaan, vindt men er tegenwoordig weinig die op hun twaalfde jaar iets nieuws kunnen leren in het liedje of in de uitleg. De enige ontdekking die zij er mogelijk in zullen doen, is dat het vuur van de minnaars al te sterk en te fel brandt om van lange duur te zijn, en dat de getrouwde mannen in het spelen van hun rol geweldig verslappen: een ontdekking die van enig nut voor die zoete schepseltjes kan wezen. Dat is, dunkt mij, genoeg om dat werkje te verdedigen tegen een onbezonnen gestrengheid, die nog zal kunnen aanmerken, als zij wil, dat hetgeen niet te dartel is in een Historie der Molukse eilanden, niet te dartel kan zijn voor een werk als het mijn dat zowel tot vermaak als tot lering geschreven wordt.

Voorts is dat stukje mij toegezonden uit Londen waar het veel gerucht gemaakt heeft; men zegt zelfs dat het in ’t Engels vertaald is. Het fraaie geslacht heeft een sterke en levendige inbeelding en mijn Correspondent in dat land bericht mij dat verscheidenedames, zowel Franse als Engelse, die de Ternaatse Klapperman gelezen hebben, niet nalaten 's morgens net te vijf uur wakker te worden, zich inbeeldend dat zij het slot van het Indisch liedje horen:

Bevolk uw vaderland, geeft burgers aan de staat:

Dat is het heus verzoek van de achtbare Magistraat.

Maar de vrouwen worden vergeefs wakker, hun mannen blijven liggen ronken en de vrouwtjes vallen weer in slaap, als zij kunnen.

Ik moet hier zeggen dat ik met de schrijver van dat stukje instem dat het goede voornemen van de Magistraat van Ternate veel lof verdient, maar dat ik heel ver van zijn mening ben ten opzichte van de wijsheid die hij in de instelling van dat gebruik vindt. Indien die Klapperman drie of viermaal per jaar zulk een geraas op straat maakte, zou het van enig nut kunnen zijn. Maar elke morgen weerom herhaald kan het van geen dienst ter wereld zijn en wordt het helemaal onbekwaam om de slaap van de mannen te storen. Men weet wat de gewoonte is, zij maakt niet de minste indruk op de zintuigen. Derhalve kan ik niet zien waarom de Magistraten van Europa die van Ternate behoorden na te volgen, zoals de schrijver te kennen schijnt te geven. Want al stelden zij dergelijke bedienden aan, en al waren deze in het begin zo gelukkig dat zij de mannen door hun geraas wekten, zou het nog te bezien staan of het tot voordeel van hun vrouwen zou zijn.



[1] In de Griekse mythologie is de berg Parnassus aan Apollo en de dichtkunst gewijd.

 

Epiloog

De oudste Nederlandse versie[1]

 

Hoort, Mannen, hoort, ontwaekt, ontwaekt!

Vyf heeft de klok, de dag genaekt.

Denkt om den pligt van ’t trouwen:

’t Geronk past by geen’ Vrouwen.

Maekt Burgers voor den Staet:

Zulks bidt van u onze Achtb’re Magistraet.

 

Vyf heeft de klok! ’t Sa, wilt u vaerdig maeken

Om dat geheime zoet te smaeken:

Want uw Wyfjes zyn niet schuw,

En ze wachten slechts naer u.

Maekt Burgers voor den Staet:

Zulks bidt van u onze Achtb’re Magistraet.

 

Op, mannen, op, de klok heeft vyf geslaegen,

’t Begint alreets te daegen,

Terwyl je nog te ronken legt.

Foei, schaemtje, ’t is te slecht!

Maekt Burgers voor den Staet:

Zulks bidt van u onze Achtb’re Magistraet.



[1] Maandelyke uittreksels, of Boekzaal der geleerde waerelt, Deel 19 (augustus 1724) p 204-207, geeft een vertaald uittreksel uit Le passe-tems agreable, ou nouveaux choix de bons mots, de pensées ingénieuses, de rencontres plaisantes, gasconades, &c.(Rotterdam, Jean Hofhout, 1724): ‘De Klapperman van Ternate’ met daarin ook zijn lied “getrouwelyk uit het Indiaensch vertaelt”. Deze Nederlandse vertaling was dus de eerste, nog voor De Misantrope van 1745.

Wie is de auteur?

De vraag naar het auteurschap van ‘De klapperman van Ternate’ brengt ons bij een bont gezelschap van Franse schrijvers in het Nederland van einde 17de – begin 18de eeuw. Jean-François Potin (1681-1773), Frans diplomaat in Rotterdam vanaf 1718, leerde al snel Justus van Effen kennen met wie hij bevriend raakte. Potin had anoniem een rijmbrief in La Bagatelle gepubliceerd en zou nog regelmatig meewerken aan Van Effens tijdschriften.[1] Men heeft gesuggereerd dat Potin zorgde voor het verhaal van de klapperman: als schrijver of tussenpersoon?[2] Er is zeker een tijdsverband: de rijmbrief van Potin verscheen op 9 mei 1718 en ‘Le Clapperman de Ternate’ een maand later in La Bagatelle van 13 juni.  Van Effen noemt evenwel de schrijver “un homme d’une grande réputation sur le Parnasse”, een groot dichter dus, hetgeen zeker niet op Potin kan slaan. Wel stond deze in nauw kontakt met andere schrijvers zoals Pierre Cartier de Saint Philip (1690-1766), die ook met Van Effen bevriend raakte. Dit drietal zorgde ook voor een gezamenlijk schrijfproject, Le Je ne sai quoi (1723), dat anoniem verscheen maar meestal wordt toegeschreven aan Cartier. Deze laatste bewerkte Le passe-tems agréable, een bundel vermakelijke teksten waaronder ook ‘Le Clapperman de Ternate’![3] Maar daarmee hebben we de auteur nog niet, want Cartiers bundel kwam pas uit in 1724, zes jaar na de verschijning in La Bagatelle. Mogelijk is de transactie dus omgekeerd geweest: Cartier de Saint Philip kreeg de tekst in handen via Van Effen of Potin.

Het beslissende spoor naar de ware auteur komt er via een Duitse versie, Der Stundenrufer zu Ternate (1739), die we elders apart belichten. Hoewel anoniem verschenen, weten we dat deze parodie uit de pen kwam van de Hamburgse journalist Jakob Friedrich Lamprecht (1707-1744). Bij de titel staat vermeld: ‘uit het Frans vertaald van de Heer Julien-Scopon’.[4] Soms omschreven als ‘Pierre de Julien, seigneur de Scopon’ of gewoon Julien Scopon, gaat het in werkelijkheid om Pierre de Julien-Scopon over wie vrij weinig bekend is. Afkomstig uit Castres (Languedoc) was hij zoals zovele Franse Calvinisten (Hugenoten) na 1685 gevlucht naar Nederland. Hij zou zeker 90 jaar geworden zijn – met een ‘levendige en vrolijke geest’[5] – en mogelijk in 1739 overleden in Den Haag. Nog tijdens zijn leven en onder zijn toezicht verscheen zijn verzameld werk Oeuvres diverses (Den Haag, 1728).[6] De uitgever meldde dat de auteur heel productief was geweest maar niet veel belang hechtte aan de vermelding van zijn naam zodat veel van zijn werk verspreid en anoniem (of gesigneerd ‘J.S.’) was verschenen. Waarschijnlijk gold dat voor zijn ‘wereldse’ poëzie en was hij officieel bekend door zijn religieus geïnspireerd dichtwerk. De uitgever verwachtte kritiek en had dan ook het verzameld werk in twee delen uitgegeven, met de ‘poésies galantes’ netjes gescheiden van de ‘poésies sacrées’![7]

 


[1] Piet J. Buijnsters, Justus Van Effen (1684-1735), leven en werk (Utrecht, HES 1992) p 132-133.

[2] Bloemlezing uit den Hollandsche Spectator van Justus van Effen. Met een inleidende levensschets uitgegeven door Dr. J. van Vloten (Schiedam, H.A.M. Roelants, 1872) p 7: “dien hij zijne ‘Chanson du Clapperman de Ternate’ dankt”.

[3] Le passe-tems agréable, ou nouveau choix de bons-mots, pensees ingenieuses, rencontres plaisantes, gasconnades... Enrichi de quelques nouvelles histoires galantes, 4e édition Tome I (Rotterdam, Jean Hofhout, 1724) p 152-156; 1° ed 1709; de tekst verscheen alleen in de 4e editie); het boek is oorspronkelijk toegeschreven aan J. de Rochefort, en Cartier de Saint Philip zou het dan meermaals bewerkt hebben. Met aanhalingstekens (“ ”) wordt aangeduid dat de tekst is overgenomen zonder echter een bron te noemen.

[4] Der Stundenrufer zu Ternate, aus dem Französischen des Herrn Julien-Scopon übersetzt und mit critischen, philologischen, historischen, moralischen, physicalischen etc. Anmerkungen vermehret und folglich verbessert (Bamberg, 1739).

[5] Charles-Etienne Jordan, Histoire d'un voyage littéraire fait en 1733 (Den Haag, Moetjens, 1735, p 188): “C’est un Bel-Esprit nonagenaire, qui, malgré ce grand Age, a encore de la Vivacité, & de l’Esprit gai, & enjoué d’un Jeune Homme.”

[6] Oeuvres diverses de Mr de Julien Scopon (Den Haag, Charles Le Vier, 1728);  ‘Le Klapperman de Ternate’ p 77-82.

[7] Zie commentaar in Journal des Sçavans 1730 p 293.

 

Julien-Scopon was goed bevriend met Thémiseul Saint-Hyacinthe die hij had leren kennen in Utrecht in 1713 naar aanleiding van de vredesconferentie aldaar.[1] De Franse satiricus Hyacinthe Cordonnier, beter bekend als Thémiseul de Saint-Hyacinthe (1684-1746), verbleef lange tijd in Nederland tussen 1709 en 1720. Hij schreef er het anoniem uitgegeven Le Chef d’œuvre d’un inconnu (1714) waaraan ook Van Effen een bijdrage leverde (beide hebben ook nog in andere literaire projecten samengewerkt).[2] Het ‘onbekende meesterwerk’ betreft een Frans gedicht van 40 regels waaraan ene Dr. Matanasius een pseudo-geleerde commentaar van meer dan 200 pagina’s wijdt. Het is een ‘pastiche du style érudit’, een parodie op de destijds veelvuldige tekstedities van klassieke auteurs vol commentaren en annotities die vooral de eruditie van de commentator in verf moesten zetten. Mogelijk kwam Van Effen via Saint-Hyacinthe in contact met Julien-Scopon, maar hierover is ons niets bekend.[3] Misschien leerde hij zijn werk appreciëren via Madame Dunoyer. Anne-Marguerite Petit/echtgenote Du Noyer (1663-1719), een Franse journaliste die zich in 1701 in Den Haag had gevestigd, was met haar periodieken een concurrent voor Van Effen maar hij waardeerde haar werk en ze hadden ook persoonlijke contacten.[4] In haar Lettres historiques et galantes, beschrijft ze een ontmoeting in Utrecht rond 1712 met Julien Scopon: “un des plus beaux esprits & les meilleures Poëtes de nôtre tems”. Ze wijst ook op zijn onderschatte verdiensten omdat veel van zijn geschriften verloren zijn gegaan of anoniem gepubliceerd.[5]

Deze sterke waardering klinkt ook door in de commentaar van Justus van Effen, al verzwijgt hij de naam: “De Schryver is een man van groot een’ roem op den Franschen Parnassus.” Merkwaardig is zijn opmerking: “Voorts is dat stukje my toegezonden van Londen, daar het veel geruchts gemaakt heeft; men zegt zelfs dat het in ’t Engelsch vertaald is.”[6] Die Engelse versie heb ik nergens gevonden. In een latere discussie verwijst Van Effen naar de auteur als een Frans dichter uit Nederland, “wiens genie het meest bevalt aan verlichte geesten”.[7] Toch noemt hij ook dan geen naam, misschien omdat Julien-Scopon anoniem wilde blijven, zoals in de meeste van zijn ‘wereldse galante’ bijdragen. Of wilde Van Effen hem beschermen tegen kritiek? “Die klepperman van Ternate verwekte ook in de Hollandse huiskamers enige commotie, zij het op de verkeerde manier, volgens Van Effen. Wie zich aan zo’n gedicht stoorde noemde hij een kwezel, zeker nu onze meisjes van nauwelijks twaalf jaar al weet hadden van de hier behandelde materie”.[8] Anderzijds was het nummer van La Bagatelle met het verhaal van de Klapperman het best verkochte![9] Zulks strekt de auteur tot eer volgens Van Effen. Bovendien beklemtoont hij dat het verhaal op echte feiten berust, zoals gepubliceerd in een serieus geschiedkundig boek: Histoire de la conquête des isles Moluques.[10] In het betreffende boek slaan vier regels op deze ‘feiten’ in het Molukse eiland Ternate: “Men is er van oordeel dat de vermenigvuldiging van de menselijke soort een zaak is die de zorgen van de politiek verdient. Daarom zijn ambtenaren door de wet verplicht bij het krieken van de dag door alle straten van steden en gemeenten te wandelen terwijl ze lawaai maken om de gehuwde personen te wekken en aan te wakkeren”.[11]  En wie nog moest twijfelen aan de ernst van dit relaas: de tekst kwam in de 19de eeuw zelfs terecht in een gezaghebbende katholieke encyclopedie![12]

 


[1] Elisabeth Carayol, Thémiseul de Saint-Hyacinthe, 1684-1746 (Oxford, Voltaire Foundation, 1984) p 30; zie ook Martin Mulsow, Die drei Ringe: Toleranz und clandestine Gelehrsamkeit bei Mathurin Veyssière La Croze (1661-1739). Berlin, Walter de Gruyter, 2011 p 124-130.

[2] Le Chef d’œuvre d’un inconnu. Poème heureusement découvert & mis au jour avec des remarques savantes & recherchées par M. le Docteur Chrisostome Matanasius (Den Haag, 1714). Zie Buijnsters p 94-98.

[3] Buijnsters (1992) vermeldt Julien-Scopon niet.

[4] Buijnsters (1992) p 72-73.

[5] Lettres historiques et galantes, de deux dames de condition, dont l'une était à Paris et l'autre en Province (Cologne 1718, p 288-289) : “C’est Monsieur de Julien Scopon, d’une maison distinguée du Languedoc; il a fait plusieurs Pieces d’esprit, pleines de beauté & de délicatesse, mais pour lesquelles il a tant d’indifference, qu’il en a laissé perdre une bonne partie, & qu’il y en a beaucoup dans des Recueils qui ne portent point son nom. On trouve peu de personne qui soient ainsi au dessus de leur merite: c’est pourtant la marque certaine du veritable: mais c’est que le veritable est rare.”

[6] De Misantrope – Derde en laatste deel (1745) p 31-32; La Bagatelle 13 juni 1718 (p 75): “Au reste cette Pièce m’a été envoiée de Londres, où elle a fait grand bruit, on dit même qu’on l’a traduite en Anglois."

[7] La Bagatelle 9 januari 1719 (p 23-24), in een discussie over verschillen in ‘smaken’ naar aanleiding van kritieken op bepaalde stukken, meer bepaald dat over de klapperman: “J’ai averti que l’Auteur de cette petite Pièce est un des Poëtes François du Pais, dont le Génie plaît le plus aux Gens éclairez. Il n’y a rien de plus vrai…"

[8] Buijnsters (1992) p 127.

[9] James L. Schorr, The Life and Works of Justus van Effen (University of Wyoming,1982) p 55.

[10] Histoire de la conquete des isles Moluques par les Espagnols, par les Portugais, & par les Hollandois. Traduite de l'Espagnol d'Argensola (Amsterdam, Jaques Desbordes, 1706; I p 23); vertaling uit het Spaans van  Bartolomé Leonardo de Argensola, Conquista de las Islas Malucas al rey Felipe III (1609, p 11); Engelse versie: The Discovery and Conquest of the Molucco and Philippine Islands (London 1708).

[11] Vrij vertaald; originele tekst: “Ils jugent que la propagation du genre humain est une chose qui mérite les soins de la politique: c’est pourquoi il y a des Ministres publics qui sont obligez par la loi, de se promener dès la pointe du jour dans toutes les ruës des villes & des bourgs, en battant la caisse pour réveiller & exciter les personnes mariées.”

[12] De tekst staat (zonder bronvermelding) geparafraseerd in Migne’s Nouvelle encyclopédie théologique (1853) 37: Dictionnaire d’ethnographie moderne (lemma ‘Moluques’) p 1289.

Der Stundenrufer zu Ternate

De auteur hebben we dus kunnen achterhalen door de merkwaardige Duitse versie: Der Stundenrufer zu Ternate, aus dem Französischen des Herrn Julien-Scopon übersetzt und mit critischen, philologischen, historischen, moralischen, physicalischen etc. Anmerkungen vermehret und folglich verbessert (Bamberg 1739).[1] De auteur heeft zich duidelijk laten inspireren door het vermelde Le Chef d’œuvre d’un inconnu (1714) van Thémiseul Saint-Hyacinthe.[2] Onder het motto ‘Nec lusisse pudet’, een spreuk van Horatius (‘men schaamt zich niet gespeeld te hebben’), volgt een hilarische persiflage van het taalkundig werk van Caspar Gottschling (1679-1739), rector van de universiteit van Halle, die vele klassieke werken (Plinius, Horatius, Cicero) uitgaf met breedvoerige toelichtingen. De auteur draagt zijn boek op aan het ‘hele schone geslacht’![3] Uiteraard begint het werk met de gebruikelijke ‘voorrede’ gevolgd door een reeks lofzangen op de ‘wereldberoemde en onvergelijkbare’ schrijver… Dan volgt de eigenlijke tekst van de ‘urenroeper van Ternate’ en bijgaand voorbeeld toont duidelijk het procedé van de parodie: nauwelijks een zin tekst en verder de hele pagina vol voetnoten die uitpuilen van de citaten van bekende en fictieve schrijvers! Het is een mooi staaltje van pseudogeleerdheid dat ik elders al gefileerd heb: zie Leer van de voetnoot.[4]

Kort na het vorige verscheen, eveneens anoniem, een bijna gelijkluidend schrift in Herrenhut, gedateerd 28 april 1739. De titelpagina is opvallend gelijkend, alleen blijkt het nu te gaan om een uitgave in versvorm en zonder (‘ohne’) aanmerkingen: Der Stundenrufer zu Ternate: aus dem Französischen des Herrn Julien-Scopon in Verse übersetzt, und ohne critische, historische, philosophische, philologische, moralische, physicalische &c. Anmerkungen an das Licht gestellt. De inleiding spreekt over het vorige werkje als te snel en vol fouten uitgegeven. Bovendien wil de auteur of uitgever recht doen aan Julien-Scopon door zijn tekst (‘Le Klapperman de Ternate’) integraal op te nemen en het verhaal vervolgens in Duitse versvorm om te zetten.

Alsof het zo nog niet voldoende was verscheen kort daarop (20 mei 1739) maar nu in Würzburg, een vervolg zogenaamd uit het Portugees vertaald door ene Arthur Ludwig Tindal.[5] Nu blijkt de klapperman of ‘urenroeper’ beschuldigd te worden van een oproerkraaier te zijn. Een patrouille uit het ‘kasteel van Oranje’[6] op het eiland Ternate pakt hem op, en iemand merkt (in het Nederlands letterlijk geciteerd) op: “Wel Ventje ghy heeft moeje kleedern”. Bij zijn gevangenneming vindt men in zijn zak een kopie van Der Stundenrufer zu Ternate! Hij wordt daarop verhoord en de tekst bevat de exacte notulen hiervan. Na folteringen bekent hij een Spanjaard te zijn en dat de titel ‘urenroeper van Ternate’ hem is aangepraat door een Franse vuilbek genaamd Scopon. Hij had deze verteld dat hij in dit warme land ’s morgens telkens ‘prikkels’ gewaar werd. Daarop had Scopon hem een middel aan de hand gedaan waarmee hij de ‘gunsten’ van alle Ternaatse vrouwen zou verwerven. Telkens als hij die ‘beweging’ voelde moest hij door de straten lopen en de mannen oproepen tot ‘de daad’. Sindsdien noemde hij zich de ‘urenroeper van Ternate’ en het hele verhaal hiervan werd door die Scopon als grap verteld. Na dit proces werd de Stundenrufer veroordeeld tot de galg en bij zijn executie waren opvallend veel vrouwen uit Ternate aanwezig…

 


[1] Een enkele maal vindt men ook geciteerd: Der Stundenrufer zu Ternate, mit Anmerkungen versehen (Hamburg, König 1739) maar dit kon ik nergens bevestigd zien.

[2] Het boek wordt trouwens geciteerd (p 26). Commentaar over achtergrond en opbouw van Lamprechts parodie: zie Andréas Pfersmann, ‘Le siège de Commentariopolis ou heurs et malheurs de l'autorité’ in Littératures classiques 2007/3 (N° 64), p 75-122; ook in Séditions infrapaginales (Genève,  Droz, 2011) p 145-197. Pfersmann bracht me ook op het spoor van de editie ‘zonder aanmerkingen’.

[3] “Dem ganzen schönen Geschlechte widmet dieses Lied der Uebersetzer”.

[4] Dit notenapparaat komt ook aardig in die buurt…

[5] Species Facti und Vollständige Acten, Nebst ausführlicher Erzehlung dessen, was sich mit dem praetendirten Stunden-Ruffer und der Patrouille vom Castell Oranien auf der Insul Ternate den 23sten Martii und folgende Tage Anno 1739 zugetragen: aus dem zu Goa in Portugiesischer Sprache gedruckten Exemplar getreulich übersetzet von Arthur Ludwig Tindal. Des Stunden-Ruffers II. Theil. (Würzburg, 1739)

[6] De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) had in Ternate het Fort Oranje gebouwd.

Deze drie versies van Der Stundenrufer zu Ternate waren alle anoniem uitgegeven maar worden in bibliografieën meestal toegeschreven aan de Hamburgse journalist Jakob Friedrich Lamprecht (1707-1744). Dat klopt wellicht voor de eerste versie die ook opgenomen is een verzamelwerk aan hem toegeschreven.[1] De uitgevers van de drie versies bleven anoniem en de drukplaatsen zijn vermoedelijk ook alle fictief. De tweede Stundenrufer droeg het motto van Virgilius ‘Tu nunc eris alter ab illo’: Gij zult nu de eerste na hem zijn. Maar is deze ‘opvolger’ ook van Lamprecht zelf? De stijl is heel anders en er staat vermeld dat de eerste versie niet in Bamberg maar in Herrenhut gepubliceerd werd, al is zo’n melding in een anonieme satire met veel korrels zout te nemen. Bovendien verscheen dan nog de derde versie die zichzelf betitelde als het tweede deel van de Stundenrufer. Hierin staat als vertaler Arthur Ludwig Tindal vermeld maar hierover is niets te vinden: wiens pseudoniem is het? Het eerste deel is aan het einde ondertekend door ‘Briontes der jüngere in Erfurth’. Dat kan dan weer wijzen naar Christian Ludwig Liscow (1701-1760), een diplomaat die enkele satirische werken schreef waaronder Briontes der jüngere.[2] Deze Liscow was een goede kennis van de Hamburgse dichter Friedrich von Hagedorn (1708-1754) die op zijn beurt bevriend was met Lamprecht! Von Hagedorn werd op een bepaald ogenblik verdacht de anonieme schrijver te zijn maar in een brief uit 1739 beweert deze slechts enkele verzen en opmerkingen toegevoegd te hebben en wil hij zeker niet verantwoordelijk geacht worden voor het geheel.[3] De echte auteur omschrijft hij als een “ami du genre humain”. We blijven nu achter met een hele puzzel en de derde Stundenrufer herinnert ons aan een gezegde van Horatius (‘Quamquam ridentem dicere verum - Quid vetat?’):  schertsend de waarheid zeggen, wat hindert dat? Ook ik ben een ‘ami du genre humain’ en dus hier niets anders dan lachend de hele waarheid!

 


[1] Sammlung vermischter Schriften – Erster Band (Berlin, Rüdiger, 1744 p 42-86), anoniem uitgegeven vermoedelijk door Lamprecht kort voor zijn overlijden (reden waarom er geen tweede deel verscheen). In deze bundel werd ook de volledige originele Franse tekst overgenomen (p 43-47; zonder bronvermelding).

[2] Briontes der jüngere, oder Lob-Rede, auf den Hoch-Edelgebohrnen und Hoch-Gelahrten Herrn, Hrn. D. Johann Ernst Philippi (1732).

[3] Zie Friedrich von Hagedorn Briefe (Walter de Gruyter, 1997) p 56: “Par rapport au Klapperman de Ternate, la Traduction est de L’ami du genre humain. Je n’ai ajouté que deux ou trois Vers, puisqu’il y a des gens qui par un mauvais gout, qui me fait de la peine, me voudroient rendre responsable du Tout”

Populariteit

Hier volgen chronologisch enkele verwijzingen die tonen dat de ‘Klapperman van Ternate’ destijds een bekende uitdrukking was.[1]

De poppenspeler en theaterproducent Nicolas Bienfait bracht in 1724 in Parijs L'Anti-Clapperman ou le Somnifere des Maris, een stuk marionettentheater van Carolet. Het was een parodie van de komische opera ‘Le Clapperman’ van Alexis Piron (1723).[2]

François Valentijn uit Dordrecht verbleef als predikant op het Molukse eiland Ambon en schreef later een geschiedenis van ‘Oost-Indië’ (1724). De volgende citaten over de vurige en liederlijke vrouwen van Ternate kunnen erop duiden dat ze inderdaad graag een Klapperman langs zagen komen:[3]

  • “Alzo Ternate van ouds her voor een groot hoeren-nest, voor een drink-winkel, en voor een land van een algemeene neiging tot die twee vuile zaaken, bekent is.”
  • “Dat [het onbedekt laten van de boezem door de vrouwen van Ternate] zeer veel tot haar algemeen oogwit, en hare vuile minneryen dient, en ook veel quade uitwerkingen heeft.”
  • “De vrouwen [van Ternate] zyn van een middelbare gestalte, zeer minnelyk en aanvallig, en in diergelyke zaken [de liefde betreffende] al vry vernuftig... Behalven dat zy ook zeer verstandig zyn, om iemand eenig liefdekruid... in te geven, en hem geheel te vergeven.”

‘Den ring van Hans Kervel’, een gedicht van Jacob Campo Weyerman (1726): Susanna, gehuwd met een oude geilaard, blijft wat ‘op haar honger’ zitten bij haar impotente man. Op een avond komt deze dronken thuis en kruipt in bed:

Bij Susa, die misnoegt op dat ontheupt Gespan,

Liefst had geluystert na Ternates Klapperman.[4]

 

‘Wet der twaalf taafelen’, een gedicht van Jan Jacob Mauricius (1726):

Zich goedkoop buiten het bereik der Wetten houden,

En strafloos lacchen met de lasten der getrouwden?

Dat was onreed'lyk! neen! maakt Kind'ren voor den Staat.

Zulks bidt, zulks eischt van U onze Edle Magistraat.

Later voegde de auteur hier de volgende noot toe:

          ’t Gezang van den klapperman van Ternate was toen in de Mode[5]

Hoewel er rond nieuwjaar her en der in Nederland rijmpjes en prenten verschenen met de beste wensen namens de klepperman of klapwaker, werd nergens die van Ternate vernoemd. Die vinden we wel terug in een gedicht van Johann Peter Uz: ‘Neujahrs-wunsch des Nachtwächters zu Ternate’ (1755) dat ook op muziek werd gezet. Het toenmalige publiek zou die speelse verwijzing wel begrepen hebben.[6]



[1] Belangrijkste bronnen: André Hanou, ‘De klapperman van Ternate: terug naar 1609’ in Faicts & Dicts, 28 (december 2002) p 3-5; verder Faicts & Dicts 22 (dec 2000) & 23 (april 2001).

[2] Gustave L. Van Roosbroeck, ’The Source of Piron's Clapperman’ in Neuphilologische Mitteilungen, 26, 233–237. Ik weet niet of er een verband is met een opvoering in de Brusselse Muntschouwburg op 31 oktober 1804 van ‘Le Clapperman ou le crieur de nuit d’Amsterdam’, een komische opera in 1 bedrijf van Joseph Borremans (1775-1858), komponist en orkestleider.

[3] François Valentijn, Oud en Nieuw Oost-Indiën (Dordrecht-Amsterdam, 1724) I-2 p 13-17. De schrijver kende toen duidelijk Valentijnsdag niet!

[4] Jacob Campo Weyerman, ‘Den ring van Hans Kervel’ in Den echo des weerelds (Amsterdam, 1726) p 404.

[5] Jan Jacob Mauricius, Dichtlievende uitspanningen (Amsterdam, 1753 p 118); opvallend: de geciteerde gedichten van Weyerman en Mauricius zijn beide uit 1726; vermoedelijk waren zij geïnspireerd door de eerste Nederlandse vertaling van 1724 (hogerop geciteerd). In dat jaar was ook het geschiedenisboek van Valentijn verschenen.

[6] Johann Peter Uz, ‘Neujahrs-wunsch des Nachtwächters zu Ternate’ in Lyrische und andere Gedichten, 1755 p 84-86; zie Johannes Bolte, ‘Der Nachtwächter von Ternate’ in Euphorion: Zeitschrift für Litteraturgeschichte – Ergänzungsheft, 1909, 8 p 176-178. Ik vond twee muzikale versies: Lieder mit neuen Melodien (Anspach, Jacob Christoph Posch, 1756) en Friedrich Wilhelm Marpurg, Neujahrswunsch des Nachtwächters zu Ternate (Berlin, Friedrich Wilhelm Birnstiel, 1761). Van Georg Karl Claudius vond ik ook geciteerd: ‘Neujahrs-wunsch des Nachtwächters von Ternate’ (1800) maar kon nergens de tekst vinden.

 

Erg grappig is het gedicht ‘Die ungereimte Frage’ van Heinrich Leopold Wagner (1774): op een Moluks eiland loopt volgens bevel van de magistraat een kerel ’s ochtends vroeg met een trommel rond om de mannen, van hoog tot laag, ‘aan te porren’.  Een pas gehuwd paar hoort dit bericht en de man vraagt of dat gebruik ook geldt op zon- en feestdagen. Wat ‘een ongerijmde vraag’ is dat, vindt de vrouw:

          Des Tags einmal!  Bey meinem Leben

          Man wird dir auch noch Feyertage geben![1]

Georg Christoph Lichtenberg (1742-1799) was hoogleraar wis- en natuurkunde in Göttingen maar ook een invloedrijke satirist. Geen wonder dat hij ‘in zijn jeugd’ het verhaal van de nachtwakers van Ternate kende, zoals hij meldde in een brief van 1794. Verder merkte hij ook op dat die oproep niet nodig was bij Duitse mannen![2]

In Tafereelen voor Menschenvrienden (1803) werd de tekst ‘De Klepperman op Ternate’ opgenomen en een recensent noemde dit “een grapje, dat onze Dames maar moeten overslaan”.[3]

Ten slotte een toevallige vondst bij het internetsurfen rond dit thema:

Meisjes met uw dikke billen

Zoudt ge geenen klepperman willen?

Nen klepperman met een dikken stok.

Twaalef uren slaat de klok.

De klok slaat twaalf.

Merkwaardig, gezien de (dubbelzinnige) inhoud: het gaat om een oud kinderliedje uit begin van vorige eeuw, gezongen in Hoogstraten.[4] Is het nog een late echo van de Klapperman van Ternate?



[1] Heinrich Leopold Wagner, Confiskable Erzählungen (Wien, bey der Bücher-Censur = Giessen, Krieger, 1774) p 14-16; eerst anoniem verschenen.

[2] Georg Christoph Lichtenberg: Briefwechsel Band IV: 1793-1799 und Undatiertes (C.H.Beck, 1983 p 360); toespeling in zijn Göttinger Taschenkalender (1795; zie Vermischte Schriften 1845, 6 p 89).

[3] Vaderlandsche Letteroefeningen (1804 p 524) bespreekt Tafereelen voor Menschenvrienden (Groningen, H. Eekhoff, 1803).

[4] ‘De Klepperman’ in C. Lauryssen, Hoogstratens Kinderspelen - Liedjes en Spreuken (Antwerpen, 1933, p 113-114). Lied over nachtwaker Jan De Gruyter van Hoogstraten die nog in 1933 actief was als ‘klepperman’; zie ook Nederlandsch tijdschrift voor volkskunde 1933, 33 p 117-119. De tekst vertoont anderzijds een frappante gelijkenis met een fragment uit Kluchtigh ende belacchelyck verhael-dicht, een 17de-eeuws gedicht over Brusselse marktkramers, dat ik elders bespreek. Een andere invalshoek: ‘Aardig en vermaaklyk lied van een klappermantjen en een jufvrouw van Minne’ in De nieuwe vermaaklyke Zeeuwsche speelwagen (Middelburg 1801) p 10.

 

Porders

Interessant is hier de bedenking van een commentator: “Men kan zich zelfs afvragen of een en ander nieuw licht werpt op een mogelijk oorspronkelijke betekenis van de naam gegeven aan die Amsterdammers die ooit de buurt doorgingen om mensen te wekken: porders”.[1] Er waren inderdaad nog tot in het begin van de 20ste eeuw in Amsterdam porders actief.

Een porder was iemand die, voor de komst van wekkers, 's morgens langs de deuren ging om mensen te wekken. Dit gebeurde meestal doordat de porder met zijn stok op de deur of tegen het slaapkamerraam tikte (porde). Met name in de steden kon men in vroeger tijden veel porders vinden. Soms werden porders betaald door bedrijven die hun personeel graag op tijd zagen verschijnen.[2]

Deze porders hadden geen ‘dartel’ doel voor ogen, maar zoals een gedicht het verwoordde:

          Slaap is goed van smaak;

          Werken is nog beter zaak.[3]

Elders staat het zo omschreven:

          Ik kom alleen tot arbeid porren!

          Tot arbeid, werken is gezond!

          Wat wilt gij meer uit porders mond?[4]

Ja, de hele huishouding van de stad zou in de war geraken zonder hun hulp! Merkwaardig ook dat heel wat vrouwen in Amsterdam deze job als bijverdienste uitoefenden. Deze ‘porsters’ dachten dus niet aan de speelse opdracht van de Klapperman van Ternate…



[1] Hanou (2002) p 5.

[3] H. Binger, ‘De porder’ in Nederlandsche volks-almanak (1863) p 162-164.

[4] William Marten Westerman, Sleur en fooi: een volksvoordracht (Amsterdam, Funke, 1871).