De hutsepot van het Kluchtig Verhaaldicht

Ik kocht op een Arenbergveiling het Kluchtigh ende belacchelyck verhael-dicht. In de veilingkataloog werd het omschreven als ‘very rare edition of the (merchant) cries of Brussels in satirical Dutch verses’ en wordt het gedateerd 1702-1712. Als uitgever staat op het titelblad: ‘Tot Brussel, by Claudius Schoevaerts, op de Torf-zenne’. Verder geen auteur en geen datum. Dit heeft me verleid tot een zoektocht die al spoedig dreigde te verdwalen in  een ‘ontredderende dateringshutsepot’.[1] Er liggen meer dan twee eeuwen tussen de vroegste en laatste datering. Een chronologische tabel van Brussel als Vlaamse stad meldt: “1575 – Een Brussels ‘sjansonjee’ poogt in zijn ‘Kluchtigh ende Belachelijk Verhael-Dicht’ met de Walen de draak te steken.”[2]  In een antiquariaatscatalogus van Alexandre Leclercq staat het Verhael-dicht dan weer gedateerd als circa 1780.[3] De Koninklijke Bibliotheek in Brussel heeft vijf exemplaren waarbij de geschatte datering varieert van 1702 tot 1780. In diezelfde bibliotheek bevindt er zich een variante uitgave van 1726.[4] We vinden het ook terug in de Grooten Brusselschen almanak voor het jaer 1785.[5] De tekst van het Verhael-dicht is nog in de 19de eeuw overgenomen in enkele publicaties met dateringen in de 16de en 17de eeuw.[6] Ten slotte is er ook een herdruk uit 1944 die het origineel situeert in 1604![7]



[1] Uitdrukking van Hervé Stalpaert, ‘De pelgrimage naar Compostella. Pelgrimsgebruiken en pelgrimsliederen’ in Biekorf, 1965, 66, p. 265-280 (p 270, noot 21). In mijn zoektocht werd ik geholpen door Hugo Verstrepen, Luc De Grauwe, Marcel De Schrijver en Remco Sleiderink: dank!

[2] Jos De Maegd, ‘Chronologische tabel van de verwording van Brussel als Vlaamse stad’ in Vlaanderen 1967, 16 p 1; zonder bronvermelding voor de datering.

[3] Stalpaert (1965) p 270; catalogus nr 21, 1964.

[4] Vermaeckelycke tydt-passeringe voor de vrouwkens, oft Belacchelyck en kluchtigh verhael-dicht van allen het gene men roept, singht, ende schreeuwt op de merckten en straeten van Brussel, verthoonende den schauw-vaeger, oft savoyaer; bessem, groen, en appel-wyven. Item den geestigen mostaert-man, pot-à-fer, taert, en waeffel-vrouwen, hanneken-uyt, belle-man, &c. Met alle hun geroep ende gesangh. Tot Brussel: by Jacob Vande Velde, by't Groot Beggyn-hof, in S. Augustinus, [circa 1726]; Vandevelde was als drukker actief tussen 1712 en 1744. De tekst wijkt wel sterk af van de oude edities.

[5] Grooten Brusselschen almanak voor het jaer 1785. Inhoudende een klugtig verhael-digt van alle't gene men roept, singt ende schreeuwt, soo op de merkten, als andere straeten van Brussel…  Tot Brussel: by J.B. Jorez, drukker en boekverkooper, in de Boter-straet, [1785]. De tekst komt sterk overeen met de vorige (Vermaeckelycke… 1726). Een verwijzing naar de almanak maar met verkeerde datering in H.J. Vieu-Kuik en Jos Smeyers, Geschiedenis van de letterkunde der Nederlanden. Deel 6. (Antwerpen / Amsterdam, Standaard Uitgeverij 1975) p 450; hier wordt het Verhaeldicht gesitueerd in begin 17de eeuw.

[6] De tekst van het Verhael-dicht werd overgenomen in: Charles de Chênedollé, Les rues de Bruxelles débaptisées par ses édiles en l'an III, l'an VI, l'an VII de la République (Bruxelles, E. Devroye 1851 p 69-80) [datering 1604]; Waerheid en licht. Maendschrift voor godsdienst, zedeleer, talen, letterkunde en wetenschappen 1857, Zesde aflevering, p 365-375 [datering ‘uit de XVIIde eeuw’]; Alfons De Cock, ‘Oude Brusselsche straatroepen’ in Volkskunde, tijdschrift voor Nederlandsche folklore 1912, 23 p 85-88, 120-121, 163-165 & 204-206 [datering 1604 in Volkskunde 1907, 19 p 182, met verwijzing naar een artikel in de Brusselse Petit Bleu du matin van 8-11 juni 1906]

Een bespreking [met datering XVIe eeuw] en gedeeltelijke Franse vertaling in Léon van den Bruwaene, Le français à Bruxelles aux siècles passés (Bruxelles, Rossel, 1980 p 99-111. Een uittreksel [met datering 1708] verscheen ook in Florimond Van Duyse, Het oude Nederlandsche lied, Wereldlijke en geestelijke liederen uit vroegeren tijd – Tweede deel (Den Haag/Antwerpen, Nijhoff/Nederlandsche Boekhandel, 1905, p 912-913). Een taalkundige analyse van vele tekstfragmenten vinden we in Jef Vromans, ‘“Fromage d’heef, wat donder weer een Wael”: Franstalige straatroepen in het 17e/18e-eeuwse Brussel’ in Johan De Caluwe e.a., Taeldeman, man van de taal, schatbewaarder van de taal (Gent, Academia Press 2004 p 1029-1040).

[7] Herdruk van 1944: Brussel (Abdij ter Kameren), Nationale hoogere school voor bouw- en sierkunsten, typografie Jacques Seyl.

In de ‘dateringshutsepot’ komen twee jaartallen herhaaldelijk voor: 1604 en 1708.[1] De vermelding maar ook de verwarring van de ouderdom hebben we te danken aan de historicus Frédéric Auguste Ferdinand Thomas, baron de Reiffenberg (1795-1850), destijds hoofdconservator van de pas opgerichte Koninklijke Bibliotheek in Brussel. Als hoofdredacteur van het Bulletin du bibliophile belge schreef hij in de eerste jaargang de mij vroegst bekende bijdrage over het Verhael-dicht.[2] In een artikel over ‘vervalsingen van vroeger’ schrijft hij:

“Le libraire Ermens qui avait des inclinations littéraires, malheureusement très-mal secondées par ses connaissances et par la culture de son esprit, s'était amusé à faire quelques contrefaçons d'anciens livres ou brochures devenus rares […]. Telle est enfin celle-ci, qui a échappé […] aux bibliographes les plus clairvoyants: Kluchtigh ende belacchelyck verhael-dicht […]. La première édition est de l'an 1604; mais la composition primitive de cette pièce remonte probablement plus haut. Un amateur zélé et dont la main est des plus heureuses, a acquis le fonds de la seconde édition, lequel consistait en quatre exemplaires, et a bien voulu nous en donner un. Qu'il reçoive ici nos remerciments pour cet acte de générosité qui doit faire rougir la classe trop nombreuse des bibliotaphes. Le Verhael-dicht se trouve, mais en manuscrit seulement, dans un des recueils qui ont appartenu à feu M. Van Hulthem. […] Comme renseignement sur les coutumes, les mœurs et même sur la langue populaire du Brabant au XVII° siècle, elle est digne d'être conservée.”

Begrijp ik de tekst goed – want deze is niet altijd duidelijk – dan zou er een eerste editie van 1604 bestaan, maar enkel in de vorm van een manuscript in het bezit van de bekende Gentse bibliofiel en bibliothecaris Karel van Hulthem (1764-1832) wiens uitzonderlijke collectie terechtkwam in de Koninklijke Bibliotheek.[3] Er volgde een tweede editie, zonder datering: de ‘vervalsing’ door Ermens waarvan iemand vier exemplaren wist te bemachtigen en hiervan één schonk aan de Reiffenberg.



[1] Hugo Verstrepen, ‘Apotheker/griffier Jan Baptist Rymenans (1748-1840) en het Liedeken van den Mechelschen Roep’ in Mechelse historische tijdingen nr 8, juni 2018 (http://www.mechelsehistorischetijdingen.be/artikels/HTML/8/8.htm)

[2] Fréderic baron de Reiffenberg, ‘Contrefaçons d'autrefois’ in Le Bibliophile Belge 1845,1 p 453-454.

[3] In Bibliotheca Hulthemiana: Histoire, sciences, arts et littérature des Pays-Bas (Gent, J. Poelman, 1836-37) is hiervan geen spoor te vinden; alleen de twee gedrukte exemplaren staan er vermeld (27403-27404). Ook navraag bij de KBR leverde niks op.

 

Zoals vermeld zijn er vijf exemplaren van het Verhael-dicht in de KBR te vinden: twee komen uit de collectie Van Hulthem en één daarvan is in de druk gedateerd 1708. Het artikel van de Reiffenberg heeft ertoe geleid dat enkele jaren later het Verhael-dicht is overgenomen in een boek over de straten van Brussel.[1] De redactie vermeldt daarbij het volgende: “Nous allons reproduire fidèlement le texte adopté par Ermens: nous l’avons collationné avec soin sur l’édition de 1708, qui se trouve à la Bibliothèque royale, F.V.H., 27404.” Dat laatste verwijst inderdaad naar het exemplaar van 1708  uit de collectie Van Hulthem. Maar er volgt dan een nieuwe verwarring met de opmerking dat 15 verzen niet waren opgenomen in de editie 1708![2] De Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen bezit twee exemplaren die er zeer gelijkend uitzien maar bij nader onderzoek toch verschillen.[3] De volgens het gebruikte papier en de typografie oudste editie vertoont in de titel en tekst enkele kleine verschillen met de andere (die overeenkomt met mijn exemplaar en de diverse in andere bibliotheken).[4]

Dit lijkt dus een (voorlopig) uniek exemplaar van de ongedateerde editie gedrukt door Schoevaerts. Maar is het de oudste editie? Toen ik in de KBR de exemplaren kon inzien wachtte me een nieuwe verrassing: de editie van 1708 uit het Fonds Van Hulthem lijkt qua omvang en typografie wel sterk op de Antwerpse editie maar ook nu zijn er kleine verschillen in de titel en spelling.[5] De genoemde 15 verzen ontbreken inderdaad in deze editie maar deze bevat dan weer andere die niet in de overige uitgaven terug te vinden zijn! Verder een niet onbelangrijk detail: het rijm van de slotverzen klopt hier terwijl dit niet het geval is bij de overige edities omdat daar een regel ontbreekt.

Leest oft leert dit met genucht,

T'sal u dienen voor een Klucht.

Hieruit meen ik te mogen besluiten dat de enige tot nog toe in druk gedateerde versie van 1708 uit de verzameling Van Hulthem de oudste is. De editie in de Antwerpse bibliotheek is een vroege heruitgave maar reeds met diverse aanpassingen in de tekst. Was Schoevaerts in beide gevallen de echte drukker?  



[1] Les rues de Bruxelles débaptisées par ses édiles en l'an III, l'an VI, l'an VII de la République (Bruxelles, 1851 p 66-80).

[2] Bij de verzen “Des petits Molins, riep weer een Wyf” tot en met “Gy Wael, riep eenen geck: kust minkens gat al schoon” staat in voetnoot: “Ces quinze vers sont omis dans l'édition de 1708.” Ook Vromans (2004 p 1036) constateert deze verwarring.

[3] Met dank aan bibliothecaris Steven Van Impe en ook aan Remco Sleiderink (Universiteit Antwerpen) voor de ‘bemiddeling’ in deze zoektocht.

[4] KBR, KB Den Haag, UBLeiden (Google Books), UvAmsterdam, British Library (Google Books)

[5] Kluchtigh ende belacchelyck verhaeldicht van allen het ghene men roept, singht ende schreeuwt soo op de Merckten, als Straten van de Princelycke Stadt Brussel, seer ghenoegelyck om lesen vertoonende den Geestigen Mostaert-Man, Pot-à-fer, Taert-en-Waeffel-Vrouwen, Appel wyven, Hanneken-uyt &c. met alle hunnen sanck ende geroep. Tot Brussel, by Claudius Schoevaerts, op de Terf-zenne. 1708

 

links (Antwerpen); midden (Brussel); rechts eigen ex.

Claudius/Claude Schoevaerts was als drukker actief in Brussel tussen 1700 en 1717. In het meer populaire genre publiceerde hij o.a. Cornelis de Bie, Klucht van den nieuw-gesinden doctoor die ik noeme meester Quinten-Quack, en Cortisaan synen blygeestigen knecht (1706). Hij staat vermeld als ‘Boeck-drucker en Boeck-verkooper by S. Cathlyne-straet, recht over het Visschers-huys’. Op de uitgave van het Verhael-dicht staat hij woonachtig ‘op de Torf-zenne’, d.i. de Turfkaai (nu Zwarte Lieve Vrouwestraat). Dit laatste adres is evenwel direct in de buurt van het eerste: de Turfkaai liep uit op de Katelijnestraat en de Visserskaai; mogelijk betreft het dus dezelfde plek maar met een nieuwe omschrijving. Misschien is Claude familie van de Brusselse drukker Godfried/Govaert Schoevaerts die actief was tussen 1624 en 1663.[1] Verwarring met deze laatste zou kunnen verklaren waarom men het Verhael-dicht situeert in het begin van de 17de eeuw. Heeft Van Hulthem zich hierdoor ook vergist en het manuscript in 1604 gedateerd of bestond dit toch? Op zijn gegevens is Baron de Reiffenberg voortgegaan en anderen hebben dan weer diens gezag als uitgangspunt genomen.[2]

Joseph ‘Josse’ Ermens (1736-1805) was destijds een bekende  ‘boek-drukker ende boek-verkooper op de Kole-Merkt’ in Brussel. Hij was zeer bedrijvig en gerenommeerd als redacteur en uitgever van boeken, maar vooral bibliografische catalogi met een bijzondere belangstelling voor oude en zeldzame incunabelen. Zo zorgde hij voor historische ‘nadrukken’ van zeldzame werken – te beschouwen als vroege facsimiles of vervalsingen? – en publiceerde op die manier ook enkele ‘roofdrukken’ van zeldzame uitgaven over de lokale geschiedenis.[3] Zo kwam dus ook de fameuze kopie van het Verhael-dicht op de markt. Na zijn overlijden in 1805 werd zijn indrukwekkende bibliotheek geveild maar zonder de betreffende ‘roofdruk’.[4] Mogelijk waren de resterende exemplaren reeds verkocht, zoals blijkt uit het geciteerde relaas van de Reiffenberg. Om nu de ‘vervalsing’ door Ermens te dateren hebben we alleen als referentiedatum zijn octrooi als drukker in 1779[5]! De situering ‘circa 1780’ lijkt voorlopig dus het meest aannemelijk.

 


[1] Zie notities van Fernand Van Ortroy over ‘Schoevaerdts’ in Biographie nationale de Belgique 1911, 21, kolom 811-820.

[2] Jean Barthélemy Vincent, Essai sur l'histoire de l'imprimerie en Belgique depuis le XVme jusqu'à la fin du XVIIIme siècle (Bruxelles, Delfosse, 1867 p 112-115): bij de bespreking van ‘vervalsingen’ door Joseph Ermens dateert deze het origineel Verhael-dicht in 1604 en uit zijn commentaar valt op te maken dat hij zich baseert op de bespreking van Baron de Reiffenberg.

[3] Zie: Vincent (1867) p 115; François Moureau, La plume et le plomb: espaces de l'imprimé et du manuscrit au siècle des Lumières (Parsis, Presses Sorbonne, 2006 p 145); Renaud Adam, ‘Le libraire bruxellois Joseph Ermens (1736-1805) et l’étude des incunables à la fin du XVIIIe siècle’ in Bulletin du bibliophile 2005, 1 p 166-167.

[4] Catalogue de vente des livres de Joseph Ermens, du 12 novembre à 16 decembre 1805 (Bruxelles, M.J.G. Simon, 1805). In het boek van G.F. Verhoeven, Algemeyne inleyding tot de al-oude en midden-tydsche Belgische historie, gedrukt door Ermens, staat achteraan een lijst van boeken die hij in 1781 verkoopt: ook daar wordt geen melding gemaakt van het Verhael-dicht. Van Hulthem kocht ook vaak bij Ermens en misschien verwierf hij daar zijn exemplaren die nu in KBR zijn.

[5] Het octrooi van boekhandelaar verwierf hij in 1771, maar zo’n octrooi was niet zo bindend volgens Ermens zelf, die trouwens al vanaf 1765 actief was: Joseph Ermens, Boeken vercoopen tot Brussel (een brief aan Joannes Grangé). Wildert, Carbolineum Pers, 1998; bibliofiele uitgave in beperkte oplage (75 ex) van een ongepubliceerde brief aan zijn Antwerpse collega Joannes Grangé uit 1777.

Naast het probleem van de datering van de oudste editie zitten we nog met het raadsel van het auteurschap. Hiervoor moeten we naar het slot van Verhael-dicht:

Door R. Condt dit soecken,

             Vindt de hoecken,

            Leest dit nu,

             Als bien venu,

             Nemt dit in danck,

             T'is Vreught en Sanck.

De eerste letters van elke zin (V gelezen als U) vormen de naam ‘CULANT’.[1] Volgens dit acrostichon is een zekere R. Culant dus de auteur. Maar deze schrijver bleef meer dan drie eeuwen onbekend, zodat gedacht werd dat het – zoals vaak bij anonieme werken – moest toegeschreven worden aan de drukker, Claude Schoevaerts.[2] Maar de Mechelse historicus Hugo Verstrepen kwam recent met een plausibele uitleg.[3] Het zou gaan om de Brusselse notaris Robert Culant (1686-1759).[4] Deze zoon van Adrien Martin Culant, ook notaris te Brussel van 1669 tot 1676, werd gedoopt in de Brusselse parochie van Sint-Jacob-op-Koudenberg op 16 februari 1686. Hij is op 14 oktober 1714 in de Brusselse Sint-Goriksparochie getrouwd met Marguerite Françoise Devel en overleed als weduwnaar te Brussel op 3 januari 1759. Zijn notarisprotocollen van 1717 tot 1758 zijn bewaard in het Rijksarchief.[5] Voor hij dus aan zijn ‘ernstig’ beroepsleven begon kon hij als jongeman van 21-22 jaar rondkuieren in Brussel en zijn indrukken in simpele rijmen gieten.[6] Aan deze dichtende Brusseleir zouden we dus het Kluchtigh ende belacchelyck verhaeldicht van 1708 te danken hebben.[7] Maar ook aan Josse Ermens die, meer dan 70 jaar later, het zeldzaam volkstafereel door een ‘vervalsing’ wist te bewaren.



[1] Vromans (2004 p 1040) wijst erop dat met ‘Vreught en Sanck’ er US aan toegevoegd kan worden: dan wordt de naam CULANTUS.

[2] Vincent (1867) p 115.

[3] Hij had zich al gebogen over de ‘dateringshutsepot’ in de Mechelse historische tijdingen (zie supra) en in onze correspondentie hierover kwam hij met nadere informatie over deze verklaring.

[4] De Culants waren verwant aan een Franse adelijke familie: J.H. Willems, Armorial français: ou Répertoire alphabétique de tous les blasons et notices des familles nobles, patriciennes et bourgeoises de France, Volume 7 Cueval-Cursai (1974 p 110).

[5] Rijksarchief, afdeling notariaat, Archives notariales de l'arrondissement de Bruxelles-Capitale, vermeldt Robert Culant maar met foutieve einddatum (1858 ipv 1758).

[6] Er werd in die tijd niet veel geëist om voor het ambt van notaris in aanmerking te komen: ‘meerderjarig’ (25 jaar oud) zijn en slagen in een (eenvoudig) examen! Zie Claude Bruneel, ‘Een spectrum van carrières’ in ‘Het notariaat in België van de Middeleeuwen tot heden (Brussel, Gemeentekrediet 1998, p 103-117). Toevallig detail: bij de vermelde drukker Godefroid Schoevaerts verscheen in 1663: L’Arte ou pratique notariale du temps present.

[7] Verstrepen merkte in onze correspondentie hierover ook op: “Het is natuurlijk altijd mogelijk dat het Verhael-dicht ouder is en Culant maar iets uitgegeven heeft dat al bestond, misschien maar in handschrift (en er zijn eigen acrostichon aan toegevoegd heeft). De handschriftnota's in het exemplaar van Van Hulthem kunnen misschien verdere aanwijzingen geven.”

EPILOOG over de meisjes met de witte billen

Aan het slot van het Kluchtigh Verhaeldicht staat een passage over de nachtwakers (‘handtuijtten, hanneken uyt’) die naast bewaking ook een luidkeelse klok waren: ze riepen om het uur hoe laat het was.

 

Meyskens met u witte billen

Soud' ghy Hanneken uyt wel willen;

Wy en hebben uer noch tydt,

De klock heeft een, een heeft de klock,

Hier mê Messieurs ick speel de fock.[1]

De tekst lijkt geïnspireerd door een Brusselse klucht van 1647 waarin een ‘hand-uyt’ optrad met volgende uitspraak: “Meyskens met u witte billen, sout ghy Hanneken-uyt niet willen?”. Het stuk was een vroeg werk van de Brusselse acteur en uitgever Jan de Grieck (1628-1699).[2]

Elders bespreek ik De Klapperman van Ternate (een satire uit begin 18de eeuw).[3] Zo’n klepperman was een nachtwaker die met een soort ratel al kleppend zijn ronde deed en daarbij ook riep hoe laat het was. Bij het internetsurfen rond dit thema deed ik volgende vondst:

 

Meisjes met uw dikke billen

Zoudt ge geenen klepperman willen?

Nen klepperman met een dikken stok.

Twaalef uren slaat de klok.

De klok slaat twaalf.

De tekst gelijkt niet alleen erg op de passage uit het Verhaeldicht maar is natuurlijk ook zeer merkwaardig gezien de (dubbelzinnige) inhoud: want het gaat hier om een oud kinderliedje uit begin van vorige eeuw, gezongen in Hoogstraten![4]

 



[1] Het spel spelen, laten begaan.

[2] Oorspronkelijk anoniem toegevoegd aan de publicatie Het Leven is maer droom: bly-eyndigh treur-spel, vertoont in de wonderlycke Op-voedinghe van Sigismundud, Prince van Polen (Brussel, Jan Mommaert, 1647) werd het postuum opgenomen als ‘Klucht-Spel van Meester Coenraedt Bierborst, heer van Kannen en Pinten’ in de bundel Het Brussels klucht-tooneel: bestaende in verscheyde eerlycke bly-spelen, vermaeckelycke historien, natuers verborgentheden ende meer andere dinghen weerdigh om lesen (Amsterdam / Brussel, Jan de Grieck, 1700; tekstfragment p 33). Zie: http://www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Ceneton/SchouwenberghSigismundus1647.html#Klucht

[3] Zie ‘Klappen voor de huwelijksplicht’ Klapperman

[4] ‘De Klepperman’ in C. Lauryssen, Hoogstratens Kinderspelen - Liedjes en Spreuken (Antwerpen, 1933, p 113-114). Lied over nachtwaker Jan De Gruyter van Hoogstraten die nog in 1933 actief was als ‘klepperman’; zie ook Nederlandsch tijdschrift voor volkskunde 1933, 33 p 117-119.