Pans Fluytje

Pans Fluytje is een verzameling berijmde anekdotes, grappen, opschriften, woordspelingen, grafschriften, spotdichten en liedjes.[1] Een eerste bundel verscheen in 1675, kort daarna gevolgd door een tweede deel. Gezien de soms ‘aangebrande’ inhoud werden de bundels telkens anoniem uitgegeven met een fictief adres. De echte auteur en/of uitgever van deze vroege edities werden niet achterhaald. Deze moeten misschien gezocht worden onder de Amsterdamse drukkers van populaire liedbladen die vaak anoniem verschenen of met een gefingeerd adres uit vrees voor sancties op het uitgeven van ‘onwelgevallige’ liederen.[2] In 1706 verscheen een uitgebreide heruitgave vermoedelijk door de Amsterdamse drukker/boekverkoper Jan Claesz ten Hoorn.[3] Er volgde nog in 1724 eveneens anoniem een laatste uitgave, een zogenaamde 39ste druk. In de Leydse Courant van 17 juli 1724 staat de uitgave vermeld in de lijst boeken gedrukt te Amsterdam bij Hendrik Bosch. Niet toevallig had deze uitgever (werkzaam van 1715 tot 1729) de verkooptruc van de ‘39ste druk’ ook bij andere uitgaven toegepast![4]

Edities

  • Pans Fluytje, blasende loopjes met hoopjes, en stuckjes op kruckjes. Door P.A. Lief-hebber van de selve. Gedruckt in't zoet Nederlandt, voor de Liefhebbers van Loopjes, 1675; 61 pp, met gravure na titelblad (kopie van ‘Uilenspiegel: de bedelaarsfamilie’ van Lucas van Leyden)
  • Pans fluytje, ofte Heydens bancket, opgedist vol nieuwe loopjes met hoopjes, en stuckjes op kruckjes. Noyt voorheen gedruckt. In Amstellandt, Gedruckt voor den nieuwen Rijm-lievenden Liefhebber, (z.j.) = vervolg van vorige deel bij nieuwe drukker kort na 1675
  • Pans Fluytje, ofte Heydens banket, blaazende loopjes met hoopjes, en stukjes op krukjes: voor aapjes en knaapjes. t’ Amsterdam, By Siwerd Vroegthus, naast het Melk Meysje, 1706; [vi]+296 pp = uitgebreide heruitgave van vorige edities 
  • Pans Fluytje, ofte Heydens banket, blaazende loopjes met hoopjes, en stukjes op krukjes: voor aapjes en knaapjes. t’ Amsterdam, By Siwerd Vroegthuys, naast het Melk Meysje (z.j.); [vi]+296 pp = gelijkend op vorige, nu met frontispice gravure van een nar (‘Vyf sinnen te coop’; gesigneerd Wilhelm Koning), spellingsverschillen en kleine aanpassingen van tekst  
  • Pans Fluytje, ofte Heydens banket, blaazende loopjes met hoopjes, en stukjes op krukjes: voor aapjes en knaapjes. Den 39. druk, vermeerdert en verbetert. t’ Amsterdam, By Siwerd Vroegthuis, naast het Melk-Meysje, 1724; [vi]+296 pp = sterk gelijkend op vorige editie, met zelfde frontispice en tekst (kleine spellingsverschillen)


[1] Wilco van den Brink, ‘Pans Fluytje: vraagtekens bij een dubieuze bestseller’ in KB Boekgeschiedenis.  https://www.kb.nl/themas/gedrukte-boeken-tot-1800/pans-fluytje-vraagtekens-bij-een-dubieuze-bestseller

[3] Zie noot 1; het drukkersmerk ‘Nilus’ op het titelblad was al eerder door hem gebruikt.

[4] Zie Piet Verkruijsse & Gerard Post van der Molen, Een 97e druk??? Maak dat de kat wijs! (Leiden, Ammoniet 1994) http://cf.hum.uva.nl/nhl/marskramers/97e_druk.htm]. In de Leydse courant van 16 juni 1738 stond dat Pans Fluytje te verkrijgen is ‘Te Amsterdam by P. Aldewereldt, Boekverkoper in de Wolvestraat, op den hoek van de Keyzersgragt’. Vermoedelijk gaat het om een restant van de editie van 1724 dat hij al aanbood in de Leydse courant van 15 november 1729: “eenige exemplaren te bekomen van … den 39. Druk” (mogelijk overgenomen na de dood van Bosch in 1729). De mogelijkheid dat de Amsterdamse drukker Pieter Aldewereldt (1705-1739) deze editie uitgaf onder een pseudoniem lijkt weinig waarschijnlijk omdat hij als drukker pas geregistreerd stond vanaf 1728. Met dank aan Marieke van Delft (KB Den Haag) die me op het spoor zette.

Hier volgt een selectie uit de editie van 1706

volledige tekst: http://www.hum2.leidenuniv.nl/Dutch/Renaissance/PansFluytje1706.html

 

 

 

Over poëzie en rijmelaars

 

Of Poëten ook eeten?

Wel sey de Boer, wat Volk is dat, die noemt men Poëten,

Levense by de Wint? want ik heb wel gehoort dat Geesten niet en eten.

 

Het onbegrijpelijk verstand der Poëten.

Hy die het verstand van Poëten wil beschrijven,

Die mach studeren als de Duyker, hy sal evenwel een Gek blijven.

 

’t Stukje van ’t Pennemesje.

Daar is geen soeter soet,

Als het gescheurde goet,

Sprak Jaap tegen zijn Besje,

Dat ’s waar zey Klaar,

En zy verliefde op Jaap de Schoolmeester met zijn Pennemesje,

Want deze Meester kwam zoo heerlijk met zijn Pen te schrijven,

Dat de Letteren loopen, en voor de Amazonen staande blijven.

 

Gelijkenisse.

Alle Poëten zijn gekken, en alle gekken, en zijn geen Poëten,

Maar vrienden dit moetje weten,

Nochtans altemaal Poëten.

 

't Eynden van de Poëzy.

Ik ben een van de snottige Poëten,

Trijn is verkoud dit wel onthoud,

Het is nu met de Poësi gescheten.

 

Digter Dirk, Digters Vyand.

Dirk zeid, een Digter is een slegt niet winnend Vent.

Maar Domkop zonder weten,

Arm Digter, al u spleten

Die bleven sijpelen, elk gat was 't lek gewent.

En schoon ge aan't digten nu van 't vijfde Vroumensch bent,

Noit bleef een gat digt digt. Zo gy 'er een kunt digten

Gy wint het, Hercules kon zo veel niet verrigten.

Smaal dan op Digters niet, of zet u zelve schrap

Een Digters pen die steekt, is stijf, maar de uwe slap.

 

Op Jan los.

Jan los let op de maat wanneer hy zingt of digt:

Hy volgt de regels wel wanneer hy plant of stigt:

Hy hekelt en bestraft al wat daar tegen gaat:

Maar in zijn leven houd hy regelen nog maat.

 

Jonge vrouwen

Trouw-stukje.

Een oud man en een jonge vrouw,

Is al den dag zorg en alle nagt berouw.

 

Op Trijn.

Trijn is getrouwt en Maagd: gy vraagt hoe ’t wezen kan?

Trijn is een jonge Meyd en heeft een ouden man.

 

Glas Stukje.

Jonge Dogters zijn geschapen

Voor Studenten, niet voor Papen:

Dies haat ik der Papen orden,

En ben een Student geworden.

 

’t Wel geharde Maagdtje.

Nog ben ik onbeproeft,

En reeds al agtien jaren.

Had niet mijn Moeder, my, maar ik, haar, mogen baren,

Dees klagt had niet behoeft.

Dit lange wagten my op ’t alderhoogst bedroeft,

'k Ben jong; maar wagt met smert een strijkstok tot mijn snaren.

 

Glas Stukje.

By een Maagdeken met smalle lenden,

Wou ik zeer graag mijn leven enden,

En was dat der Kathuizer orden,

Ik was al lang een Munnik geworden.

 

 

Vrijen

 

De Geopende Knoop-winkel.

Hier staanwe te kyken sey Kees, en hy sat by syn Vroutje,

En hy opende de Knoop-winkel, vatje de meening Boutje?

 

Het Brug- en Rug-stukje.

Ik mag geen Wijn sey Trijn, en sy wandelde over een Bruggetje,

Dat’s waar sey Klaas, spelende de Baas, en leydse op haar Ruggetje.

 

Vryen door gedachten.

Die vrijd en slijt zijn tijd in 't vryen met gedachten,

Is blind, en mint de wind, de klok is over achten.

 

Trijn met het Poesje.

Trijn, moetje dan altijd met Jan buurs katje speelen?

Het arme poesje is geen ogenblik met vreê.

'k Wed ik de reden raad, 't spel kan Trijn niet verveelen,

Zy woud ook wel dat Jan het met haar poesje dee.

 

Graf-schrift op een verlopen Munnik.

Hier leid Johannes, wel eer Broer Jan,

Als hy nog droeg een geschore kruin;

Maar hy wierd gereformeert in een ander man

Alleen door 't hangen van de kap op den tuin.

Hy trouwde Catrina, te voren Zuster Lyntjen,

Hy leefde als een beest, en stierf als een swyntje.

 

Luyffel Stukje.

Hier in dit Steegje woont Aaltje de Kopster,

De Naaister, de Braaister, en de Garen-klopster.

Tot meer andere dingen is zy gerieflijk en bekwaam,

Die haar gebruiken wil, die vraagt maar na haar naam.

 

De Wensch van Trijn.

Het Knijn sey Trijn is een van de vrugtbaarste Creaturen,

Maar Jan mijn Man vermaakt mijn meer met minuten als uuren,

Ach klaagt Trijn dat ‘er eens een mocht transformeeren,

Dat ik de minuten in uuren sag verkeeren.

 

Luiffel Stukje.

Hier verkoopt men Stoven, de zonnen der vrouwen,

Schoon dat zy die glans meest onder haar houwen,

Daarom bestraalt hy geen veld of waranden,

Maar schijnt wel om vrouwe billen te branden.

 

Eener Vrouwen vraag.

Schept in het Minne-spel een Man zo veel behaagen

Als wel de Vrouwen doen, zey Trijn, zo moet ik vraagen

Met oorlof, lieve man, behoudens schaamt en eer,

Waarom en speelt gy dan dat zoete spel niet meer?

 

In het huwelijksbed

 

Huwelijks Stukje.

Wie genegen is tot Trouwen,

Kiest vry, om goed huis te houwen,

Die niet zo oud is datze babbelt,

Noch zo jong datze krabbelt;

Noch zo schoon dat ze verstrikt;

Noch zo leelijk dat ze verschrikt

 

Jan werkt by de tast.

'k ZeyJan, dat u Penzeel zo schoone kinders maakt,

Hoe is u Wijf aan al die leelijke geraakt?

Hoor zeyd hy, al die geen die gy schoon aan gaat merken,

Die maak ik by schoon dag, dan kan men zien te werken.

Maar die gy leelijk noemd, zijn van de ruige kwast,

Die stel ik toe by nagt, en maakze by den tast.

 

Van den Hoorendrager.

Jan keef met zijn gebuyr en sprak met grammen woorde,

Zo dat zijn wijf het hoorde:

Ik wou dat in de zee all’ hoorendragers laagen!

Ik zou ze niet beklagen.

Ey, zeyze, niet zo hoog: wilt uwe gramschap temmen:

Jan, kend gy ook wel zwemmen.

 

Van een quaad wijf.

Een wijf, na dat zy lang had op haar man gekeven,

Goot hem de pispot uyt de venster op zijn kop:

Ik dagt wel, zey hy, dat dat weer zou water geven,

Want zonder regen houd den donder zelden op.

 

Glas Stukje.

't Geruste houwelijk, dat men ter weereld vind,

Is, daar de man is doof en daar de vrouw is blind.

 

 

Wensen

 

Op 't Krat van een Wagen.

Ik wou dat ik waar

Een oude Kluyzenaar;

En altijd had op den dis

Gebrade Hoenderen en vis:

En dat Rijnsche wijn

Dagelijks mijn drank zou zijn;

En een oud wijf van 3 maal 6 jaar,

Poezel, blank en geel van haar

En slap in 't buygen van haar lenden,

Daar mede wou ik mijn leven wel enden.

 

Jongen en ouden zoon.

Klaas riep, mijn Wijf is van een jonge zoon verlost;

Een die dit hoorde zey, zie hoe verheugd hem deezen:

Ik heb een ouden zoon, die my geen kleintje kost,

‘k Zou meê verheugd zijn, zo ‘k daarvan verlost mogt weezen.

 

Glas Stukje.

Zes dingen zijnder die my 't herte verblijden,

Korte Predikatien, en lange Maaltijden,

Jong vleesch, en oude visch,

Een schoone Vrou, en wijn op den disch.

 

Op 't Krat van een Wagen.

Had ik het bloed van een Haan,

De schoonheyd van een Swaan,

Geld noch goed zou my niet ontbreken,

De Juffers zouden 't in mijn zak steken.

 

 

VARIA

 

Medicijn Stukje.

Wilje blijven gezont,

Pis ‘t zo dikwils als een hont,

Houdje agterdeur altijd open,

Zo hoef je na geen Doctoor te loopen.

 

Ontwijffelbaar Geneesmiddel.

Tragt gy te weten waar men ’t Vrouvolk mee geneest,

Roer droogen, simpelen, noch andre viese kruiden,

U moeite is ydel, maar laat ik het u beduiden,

Lees de eerste letters van dees regels, die doen 't meest.

 

Graf-schrift op een Gierigaart.

Hier onder leyd begraven Jan van der Scharen:

Hy storf, voor de noen, om't middagmaal te spaaren.

 

Stille Jaap geen uit maar t' huis zuiper.

Ik hoorde stille Jaap voor een uitzuiper schelden.

En na my dagt was dat abuis,

Want ken ik hem te regt, uitzuipen doet hy zelden,

Maar zuipt den ganzen dag in huis.

 

Schoone gelykenis.

Een Juffrouw, die haar kind ter aarde was gebrogt,

Wierd van een Smulpaap, die haar troosten zou bezogt:

Dog met dat zy hem zag, borst zy zeer uyt in tranen,

Waar op hy haar begon tot stilheid te vermaanen;

En zey, ’t schijnt g'u ontsteld, zo dra als gy my ziet?

Ag zeyze, Pater! denk ’t is zonder oorzaak niet:

Als ik u wangen zie, kan ik mijn rouw niet stillen:

Zo komen my dan voor, mijn lieve Zoontjes billen.

 

De Omhelsing.

Wat soo een strengling van de Armen,

Dat kan een kouwe Ziel verwarmen.