Luimige grafschriften

“Het genre van de komische grafschriften werd in de Spaanse Nederlanden in het leven geroepen door de katholieke journalist en Engelse veelschrijver Richard Verstegen (ca. 1548-1640). […] In 1617 begon hij komische stukken te schrijven, waaronder grafschriften. Een eerste verzameling verscheen in 1617 in Mechelen bij Hendrick Laey als Neder-Duytsche epigrammen […] met genuchlycke epitaphien. Een nieuwe collectie Nederduytsche epigrammen ende epitaphien rolde in 1624 van de persen bij Jan Van Meerbeeck in Brussel. Verstegen was ook de inspiratiebron voor de Antwerpse humanist, elegante latinist, ijverige polygraaf en rijke handelaar Franciscus Sweertius (1567-1629) om naast zijn zeer omvangrijke, Europa-brede verzameling ernstige grafschriften komische epitafen in verschillende talen in druk te geven. Sweertius gaf zijn Epitaphia Ioco-seria in 1623 in Keulen in druk bij Bernard Wolter. Luchtigheid zowel als geleerdheid kenmerkten de collecties van beiden, al lag bij Sweertius de nadruk vooral op vernuft en bij Verstegen op vermaan. Door grappige grafschriften als literair product te ontwikkelen vonden ze een weinig gepraktiseerd genre opnieuw uit.”[1]

Dit citaat situeert helder het werk van de Antwerpse koopman-humanist Frans Sweerts of Franciscus Swertius die veel in het Latijn publiceerde, vooral biografische en literatuurhistorische werken, waaronder de genoemde verzameling grafschriften. Zijn bijzondere ‘speels-ernstige’ (joco-seria) collectie bevat ook epitafen in het Frans, Italiaans, Spaans, Portugees en Nederlands.[2] Deze laatste, meer dan honderd ‘epitaphia belgica’, hadden volgens Jan Frans Willems (1824) “niet veel om’t lyf”.[3] Het tijdschrift Ons Volksleven (1895) daarentegen vond het wel de moeite om een reeks van deze ‘luimige grafschriften’ te citeren.[4] Ook Emmanuel De Bom (1906) besteedde meer aandacht aan deze “Vlaamsche rijmen […] die, schoon al niet erg kiesch naar vorm en inhoud, dan toch niet geheel beroofd zijn van pittigheid en vooral van echt vaderlandsche karakteristiek. Op de zeden van dien tijd werpen zij wel eenig licht, al is hetgene op die wijze aan den dag komt doorgaans maar weinig stichtelijk. […] Misschien vinden philologen en folkloristen er nog wat in te grasduinen”.[5]

Sweerts (1623) vermeldt in de inleiding van zijn boek een reeks auteurs die hij raadpleegde, waaronder Richardus Versteganus.[6] Verstegen (1617) was niet zo maar een inspiratiebron: Sweerts nam liefst 63 grafschriften van hem over, zij het hier en daar met enige aanpassingen. Zijn versie werd vervolgens overgenomen door de Dordse predikant Jacobus Lydius (1640), die 16 grafschriften citeert telkens met verwijzing naar het boek van Sweerts, maar op zijn beurt past ook hij de tekst op verschillende plaatsen aan.[7] Later doken in min of meer aangepaste versie en zonder bronvermelding een paar grafschriften op in verzamelbundels zoals Koddige en ernstige opschriften (1684) en Pans Fluytje, ofte Heydens banket (1706).[8]

Hierna volgt een selectie van de grappigste ‘Vlaamse grafschriften’ in een moderner taal omgezet. Verder in bijlage vind je de volledige transcriptie van Sweerts (1623) en verder ook een vergelijking van enkele overeenkomstige grafschriften in Verstegen (1617), Sweerts (1623) en Lydius (1640).



[1] Johan Verberckmoes, ‘Ouderlingenhumor op grappige grafschriften in de Spaanse Nederlanden’ in De Zeventiende Eeuw 2017, 33, p 91-107; citaat  p 93-94.

[2] Franciscus Sweerts, Epitaphia ioco-seria, Latina Gallica Italica Hispanica Lusitanica Belgica. Keulen, Bernardus Gualtherus (Bernhard Wolter), 1623; Epitaphia Belgica p 323-351. Heruitgave: Keulen, Jodocus Kalcoven (Jost Kalckhoven), 1645.

[3] Jan Frans Willems, Verhandeling over de Nederduytsche tael- en letterkunde, opzigtelyk de Zuydelyke provintien der Nederlanden – Deel II (Arnhem, D.A. Thieme, 1824) p 71.

[4] F.L., ‘Oude luimige grafschriften’ in Ons Volksleven 1895, 7 p 149-152; citeert 18 grafschriften.

[5] Emmanuel De Bom, 'Epitaphia belgica' in Tijdschrift voor boek en bibliotheekwezen 1906, 4, p 182-184; citeert 11 grafschriften.

[7] Jacobus Lydius, Vrolicke uren, ofte der wysen vermaeck (Dordrecht, Hendrick van Esch, 1640), derde deel p 93-109.

[8] Zie https://oudegrappen.simplesite.com/441021870 & https://www.democritus.be/446190406. Ook Johann Jacob Speidel, Notabilia juridico-historico-politica selecta (Straatsburg, Zetzner, 1634;  p 240-242) citeert 16 ‘Belgica epitaphia’ met bronvermelding van Sweerts; idem in heruitgave Speculum iuridico-politico-philologicum historicarum observationum (Nuremberg, Endter, 1683,  p 283).

 

Hier ligt genageld in een kist,

Het lichaam van een alchimist,

Een die zijn jaren heeft versleten,

Om verborgen wetenschap te weten,

Hij ging uit Paracelsus’ boeken

De Steen der Filosofen zoeken,

En kreeg tot slot de steen* gewis,           [* blaas/niersteen]

Want hij daarvan gestorven is.

 

Hier zwijgt zij stil, die eertijds veel placht te spreken,

Want anderen zijn nu bezig met haar gebreken.

 

Drink ik, zo bederf ik,

Drink ik niet, zo sterf ik,

‘t Is beter gedronken en bedorven,

Dan niet gedronken en gestorven.

Och Heer wilt mij nu ontfermen,

Al lig ik hier met volle dermen.

 

[op een steen stond]

Elkeen zal spreken van een groot wonder,

Als men zal weten wat er ligt hieronder.

[achteraan stond]

Voorwaar ik ben zeer blijde,

Dat ik lig op mijn ander zijde.

 

Van hem die hier begraven ligt,

Kan ik niet geven groot bericht,

Dan dat hij leefde lange tijd

Eer dat hij werd de wereld kwijt,

En dat hij hem goed heeft gekweten,

Met wel te drinken en wel te eten.

 

Och lieve lezer dit is geen jok,

Hier ligt Koenraad de Cock,

Hij kookte vroeger velerlei lekkere beten,

Nu hebben de wormen hem rauw gegeten.

 

Onder deze zerk ligt begraven Simon van Soete,

Gebaard tot aan de buik en gebuikt tot aan de voeten.

 

Hier ligt begraven die door een ongeluk groot,

Van een hoog timmerwerk is gevallen dood.

Hoe deerlijk de timmerman dit ongeluk ontving:

Door sneller te dalen dan hij naar boven ging.

 

Hier ligt begraven zuinige Jan van Scharen,

Hij stierf voor de noen om de kost te sparen.

 

Nuchter is hij in het water verdronken,

En in het zwemmen onder gezonken.

Hoe dit groot ongeluk kon geschieden gewis:

Omdat hij wou zwemmen maar was geen vis.

 

Rogier Bontemps van gezellige faam,

Ligt hier begraven met een andere naam,

Och tappers stort wel tranen op zijn zerk,

Want hij zag de herberg liever dan de kerk.

 

Hier ligt Cornelis die deerlijk verstikte,

Door een haring die hij bijna inslikte:

Het ware beter geweest, naar alle reden,

Dat hij de haring in stukken had gesneden.

Men zei ‘t was een wedding waardoor hij ‘t dede.

Maar hij verloor de wedding en zijn leven mede.

 

Onder deze pomp ligt een dorstige zot begraven,

Die daar wou liggen om zich na zijn dood te laven.

 

Weet goed dat geen ongeluk kan wezen groter

Dan te sterven van een ei gegeten zonder boter.

Waar het geschied is of wanneer ben ik vergeten,

Vraag het een Hollander als gij het wilt weten.

 

Epitafen vergeleken

Sweerts Epitaphia 1623